Kluinkoppen
Geplaatst op: 23 februari 2012 Gearchiveerd onder: Stad toen Laat een reactie achter »Stad-Groninger carnavalsverenigingen heten Vloertrappers of Trefplonzers. Die namen hebben geen enkele traditie en ik kan me voorstellen dat namen die dat wel hebben, zoals Mollebonen of Klokkedieven, wegens hun culinaire karigheid of vermeend criminele inslag niet in aanmerking komen, maar constateer toch met enig leedwezen dat de carnavalsclubs een kans hebben laten liggen, want ze hadden zich met evenveel historisch recht als groot plezier Kluinkoppen kunnen laten noemen.
Dat ze het niet deden, tekent evenwel de teloorgang van deze oude bijnaam voor de stadjers. Toen de Westerbroekster dominee Laurman in 1822 zijn bijdragen over de Groninger tongval te boek stelde, leefde dat kluinkoppen nog volop als scheldwoord (p. 37). Sindsdien is het verdwenen, met de kluin. In de kolommen van het Nieuwsblad van het Noorden, voor zover die nu op internet staan (1911-1965 + 1968-2001) treft men het woord bijvoorbeeld niet aan.
In de jaargang 1804 van het (Groningse) Weekblad tot Nut van ’t Algemeen (niet op internet) wijdde Mattheus van Heyningen Bosch, alias Burgerhart, er nog een stukje aan. Volgens hem was het een naam die Nederlanders in het algemeen, maar in het bijzonder Friezen, Geldersen en Hollanders aan Groningers gaven. Friezen zouden er een handje van hebben om een Groninger voor de voeten te werpen: “Dou biste maar ien Groninger kluinkop”.
In Burgerharts tijd werd nog wel wat kluin gedronken, en voor de naamsverklaring kon hij dus gemakkelijk verwijzen naar dit “zeer krachtig , koppig en smaaklyk bier, dat alleen in deze stadt gebrouwen wordt, en voorheen wyd en zyd verzonden wierd”. Groningers waren ooit “grote liefhebbers” van dit straffe bier geweest en konden er “een aardig schepje” van op –
“En dat de Groningers ten dezen opzigte een zeer goede smaak hadden hebben de Nederlanders en vooral de Friesen (…) duidelyk beweezen. Immers wordt het veerschip, dat alle donderdagen van Groningen op Leeuwarden, vice versa, vaart, om de groote menigte kluin, die daarmede in vroegere dagen naar Friesland, en van daar naar elders vervoerd wierd, tot heden toe het kluinschip, en deszelfs schipper de kluinschipper genaamd.”
Dat “vroegere dagen” geeft intussen aan dat er een flinke achteruitgang in de kluinconsumptie plaatsvond. Burgerhart meende zelfs dat de Groningers van zijn tijd al nauwelijks meer de naam kluinkoppen konden dragen, aangezien ze hun bier sinds eind 17e eeuw meer en meer vervingen door koffie en thee, en sinds enkele decennia tevens door wijn. Vooral op dat decadente vocht uit het Rijnland en Frankrijk had hij ‘t niet begrepen:
“De burger, die eertyds met zyn kluinkannetje by zich, onder zyn wyf en kinderen de lange winter-avonden zoo vergenoegd als een koning by eigenen haard versleet, terwyl hy met een goed vriend een dammetje zettede, en ten tien uure, met de burgerklok, te rikke ging, gaat thans in het koffyhuis eene flesch wyn drinken, speelt een kaartje, en komt eindelyk berooid van hoofd en beurs om middernacht te huis, terwyl vrouw en kinderen niet zelden aan de noodigste behoeften gebrek lyden.”
Onze zegsman lijkt dan ook terug te verlangen naar een tijd dat er überhaupt geen koffie en thee en nauwelijks wijn was. Tegenover het decadente heden zet hij een zuiver verleden, waarin dat kluinkoppen ook geen scheldwoord kon zijn, maar een erenaam was. Aan hun bier dankten de Groningers van weleer “hunne dikke billen en ronde koppen” en bovendien een “blos der gezondheid op de koonen”, en vanwege “dezen drank en hun gezond voorkomen” werden ze, in een tijd dat ze nog “welvaarende en gelukkig” waren, door hun naburen kluinkoppen genoemd.
Burgerharts opvatting van kluinkoppen als erenaam, houdt echter allerminst stand tegen de toets der historische kritiek. In De bisschop voor Groningen, een satirische tragikomedie die kort na 1672 gemaakt werd, dus in een tijd dat de Groningers nog volop hun kluin dronken, komt de term kluinkoppen namelijk al voor. Dat gebeurt om precies te zijn in het derde bedrijf, acte 3 van het stuk, als de soldaten van Bommen Berend en de Groninger burgers elkaar vanuit hun loopgraven en bolwerken voor alles en nog wat beginnen uit te maken. Het eerste scheldwoord dat de Groningers dan door de Munstersen toegevoegd krijgen, is, u raadt het al: kluinkoppen.
1955
Geplaatst op: 21 februari 2012 Gearchiveerd onder: Geschiedenis 13 Reacties »



De nieuwe plaatjes-uploader van WordPress mag als de zoveelste blijmoedige software-mislukking worden beschouwd. Kan geen diaserie meer maken, plaatjes moeten er een voor een in, en dan bepaalt WordPress wel even op volkomen willekeurige wijze de volgorde voor je. En waarschuwen dat ze de zaak overhoop gehaald hebben, is er natuurlijk weer niet bij. Want als software-ontwikkelaar weet je alles beter en ben je zo autistisch dat je nooit hoeft te communiceren.
Willy Weits en zijn hammond-orgel
Geplaatst op: 20 februari 2012 Gearchiveerd onder: Muziek, Stad toen 3 Reacties »Ik heb hem in de jaren negentig wel eens zien spelen bij een jubileumreceptie van de Ouderen Soos Oosterpoort (OSO): nostalgische melodieën uit de jaren ’50 op een hammond-orgel, met een verticale bas en kwastjesdrums ter ondersteuning erbij. Niet bepaald mijn muziek, maar ik kan genieten van genietende mensen en heb het vast glimlachend gadegeslagen.
Voor Willy Weits (1930-2004) zal het een van de vele schnabbels zijn geweest. De man schnabbelde werkelijk net zo vaak als Loutje Leeuw tegenwoordig. Ook die doet aan nostalgie, maar dan van een wat een latere periode. Zo schuift alles op. Voor je het weet zit je op de bejaardensoos te rocken op Loutjes deunen.
Terug naar Willy. Diens carrère in de muziek begon zo ongeveer rond 1950, toen hij hier in Groningen als “accordeonvirtuoos” in bars en dancings als De Pijp en De Corner bespeelde. Hoewel in 1952 noordelijk kampioen op de accordeon - je had er toen nog wedstrijden in - stapte hij niet lang daarna over op hammond-orgel en dat instrument bleef hij, ondanks latere uitstapjes naar o.a. de synthesizer, zijn verdere leven trouw.
In de jaren vijftig en zestig luisterde hij er menig feest mee op, van de Bond van Melkhandelaren tot de Reünisten van Beatrixoord. Maar hij kwam er ook vaak mee op de radio. Om te beginnen natuurlijk bij de Regionale Omroep Noord (RON), waar hij een vast contract had. In 1966 volgde hij bij de VARA “meneer ” Cor Steyn op – een hele eer! - en nog weer later kon je hem zelfs op de BBC horen spelen. Maar getuige de krantenstukjes bleef hij toch ook altijd in Groningen wonen, vandaar dus dat ik hem op die bejaardenclub in bezadigde actie kon zien.
Willy Weits overleed in 2004, maar een paar jaar voor zijn dood maakten cameraman Tjerk Bekius en interviewer Mieneke Zevenberg behoorlijk wat filmopnamen van hem, in de bedoeling er, gelardeerd met interviews met derden, een documentaire uit samen te stellen. Het project raakte in het slop, maar nu willen Bekius en Zevenberg het graag alsnog weer oppakken èn voltooien. Aan mensen die meer over Willy Weits weten te vertellen, daarom het vriendelijke verzoek zich aan te melden bij Mieneke.
De laatste korhoenderjacht
Geplaatst op: 19 februari 2012 Gearchiveerd onder: Geschiedenis 5 Reacties »
Berichtje uit de Friese Koerier van 13 januari 1955 toont aan dat er toen nog op korhoenders gejaagd werd vlakbij mijn geboortedorp. Het is op heden tevens het laatste berichtje in de krantenbank van de KB, dat het woord korhoenderjacht bevat.
Het korhoen staat als “ernstig bedreigd” op de Nederlandse rode lijst. In 1960 waren er nog enige duizenden hanen, in 1976 nog 400, de laatste jaren hooguit enkele tientallen. De korhoenderjacht bestond eind jaren tachtig alleen nog als nostalgisch verhaal op avonden voor ouderen. Een herintroductie van het korhoen in de jaren negentig mislukte.
Kattenconcerten
Geplaatst op: 16 februari 2012 Gearchiveerd onder: Kunsten 6 Reacties »Ook wel op straat, sinds de dooi intrad, maar hier als kunst in koffiereclame, op een prent van Teniers jr., in een tekening uit de school van Hokusai en in een kinderboek van W. Cole. Er is een grote hoeveelheid latere voorbeelden te vinden, maar die zijn me al te braaf.
Deze slideshow heeft JavaScript nodig.
Oude helden, jonge meesters
Geplaatst op: 16 februari 2012 Gearchiveerd onder: Kunsten 3 Reacties »Op 18 mei beleeft het Drents Museum de première van ’Oude helden, jonge meesters’, een documentaire van Buddy Hermans en Lejo Siepe over de generatie figuratieve kunstenaars, die in de jaren zeventig opkwam aan de Academie Minerva te Groningen. Dit is het voorproefje:
Stichters veenbrand gezocht
Geplaatst op: 15 februari 2012 Gearchiveerd onder: Drenthe vrogger, Geschiedenis Laat een reactie achter »
Willem de Lille, advocaat, patriots politicus, grootgrondbezitter en een van de rijkste ingezetenen van Drenthe, woonachtig in het pas door hem opgeknapte landhuis Terheijl onder de klokslag van Roden, was niet bepaald blij op vrijdag de 5e juli 1799. Die ochtend stak een groep kerels uit de richting van Een een groot perceel turf in brand op zijn Zevenhuister veenlanden. Ook richtte de groep vernielingen aan. Er was grote schade, en er bestond zelfs even de vrees dat de brand Zevenhuizen zou bereiken.
Waarschijnlijk ging het om een grenskwestie, zoals wel vaker in de venen. In elk geval kreeg de invloedrijke De Lille niet vanzelf te horen wie de daders waren, zodat hij zich vijf dagen later gedwongen voelde om een beloning uit te loven. Zijn advertentie stond alleen in de Ommelander Courant, die in deze regio kennelijk meer lezers had dan de Groninger:
“Alzo moedwillige Lieden, gekoomen van de kant van Een uit het voormalig Landschap DRENTHE, ten getaale van 12, 13, of meerdere persoonen, op vrydag den 5den july ll. des voor de middags tussen 10 en 11 uuren zig hebben onderstaan, in een groot perceel turf, gegraaven uit de verkogte en verhuurde Ter Heylsche Veenen, en staande op des ondergetekende’s eygendommelyker grond op Zevenhuyzen ten westen van de zogenaamde Drentsche gruppel in de jurisdictie van VREDEWOLD, in den brand te steeken, en twee andere kleyner perceelen aan stukken te houwen en te vernielen, zig na het pleegen van deeze brandstigting en geweld wederom derwaards begeeven hebbende van waar zy onverhoeds gekoomen waaren, zonder zig eenigzins meer aan de gevolgen deezer daad te bekreunen, laatende het door hun ontstooken vuur voortbranden, en zig wyd en zyd verspreyden, zodanig, dat niet alleen de oppervlakte eener groote uitgestrektheid van veen daardoor is weggebrand, maar dat ook de korts bezaayde boekweytenveenen, rypende rogge, gestuikte turf en brandzooden, ja de bosschen en wooningen der Zevenhuyster ingezeetenen een ogenschynelyk gevaar geloopen hebben, van by voortduurende droogte, en het omloopen van den wind, te worden aangestookcn, en in de assche gelegd – om welke brandstigters en geweldenaars te kennen niet alleen der JUSTITIE, maar ook den ondergeteekenden, als daar door een enorme schaade lydende, ten hoogsten aangeleegen legt – zo beloofd dezelve by deezen een praemie van VYFENTWINTIG ZILVERE DUCATONS aan den geenen, welke de daaders van dit feyt aan hem zal weeten naamagtlg te maaken, zodanig dat zy daarvan in regten overtuygd, na verdiensten gestraft, en tot schaade-vergoeding aangesprooken zullen kunnen worden. Actum. TER HEYL den 10 july 1799. W. DE LILLE.”"
Omgerekend kwamen die 25 zilveren ducatons neer op een kleine 80 gulden, een bedrag waar iemand een half jaar kost en inwoning voor kon hebben. De Lille was dus niet krenterig in zijn premie.
Veenbranden konden dan ook enorme verwoestingen aanrichten In Zevenhuizen zouden ze daar in 1833 eens mee te maken krijgen, maar eerder hadden de meeste veenstreken in het noorden er wel eens mee van doen.
Wat er trouwens gebeurde als zo’n brandstichter gepakt werd, en het gerecht zijn schuld bewezen achtte, heb ik hier al eens beschreven.
In dit geval bleven de daders hoogstwaarschijnlijk buiten schot. Het zwijgen was sterker dan de premie van de havezathebezitter.
De zilverschat van Essen
Geplaatst op: 14 februari 2012 Gearchiveerd onder: Geschiedenis 3 Reacties »
Aldus de Groninger Courant de dato 22 februari 1871. Navraag leverde op dat deze zilverschat van Essen zich niet in de collectie van het Groninger Museum bevindt. Dat heeft weliswaar enkele munten, afkomstig uit Essen, maar die hebben niets te maken met deze schat. De voorganger, het Museum van Oudheden, bestond nog niet en een stedelijke verzameling richtte zich vooral op plaatselijke munten. Hooguit zou een deel van de schat zich nog in particulier bezit kunnen bevinden. Maar omdat de munten onherkenbaar waren, is de kans veel groter dat ze allemal omgesmolten zijn. Hetzij om sieraden van te laten maken voor eigen gebruik, hetzij na verkoop voor de zilverprijs.
Blijft de bewering van die Spanjaard, dat hier ergens in de buurt nog voor een miljoen verborgen zou liggen. Nu niet allemaal tegelijk gaan graven…
.
Behang, 1825
Geplaatst op: 12 februari 2012 Gearchiveerd onder: Kunsten 2 Reacties »
Behangontwerp, Parijs 1825. Meer behangetjes zijn te vinden op de Flickr-site van Jan Willemsen, voila de slideshow.
Haren, Glimmen, Eelde
Geplaatst op: 11 februari 2012 Gearchiveerd onder: Drenthe 15 Reacties »Deze slideshow heeft JavaScript nodig.
Dit keer 12,5 kilometer gelopen. Voorbij het centrum van Haren de bus uitgestapt en via de Wilhelminalaan, de Westersedrift en de Lutsborgweg naar de Oosterbroekweg onder Glimmen gegaan. Getwijfeld of ik de Drentse A op zou stappen. Durfde dat niet goed aan. Er waren nog geen mensen op geweest en ik had heel veel bomijs in sloten bij het hemrik gezien, zodat ik vermoedde dat er gestroomd was. Dus de snelweg onderdoor, links even gekeken naar de Nikstaart, waar nu een bosje staat, en over de Noordwillemsvaart langs Oosterbroek, Vosbergen en de Duinen naar het centrum van Eelde, waar ik, omdat ik al flink moe was van het banjeren, even in een cafetaria gezeten heb en weer de bus pakte tot de Piccardthofplas. Via de Piccardthof, de Bruilweering en de Madijk naar huis.
Onderweg bij de brug over de Drentse A de camera uit mijn handen laten flikkeren, waardoor de oogzoeker helemaal niet meer werkte en er voor de display een ‘vlies’ deels bleef hangen. Ook zat er iets los in de camera, een schroefje of zo. Desondanks konden er nog nog wel complete foto’s mee gemaakt worden, bleek toen ik thuis de bestanden naar de pc overzette. De pogingen om het vlies weer omlaag te krijgen, resulteerden in kortsluiting, wat dan, denk ik, het einde van deze Konica Minolta zal zijn, al de derde in een jaar tijd.
Leuke ervaring: bij de Vlindertuin op landgoed De Duinen twee spechten die plotseling hoog boven me aan het roffelen slaan. Blijkt dat de Duinen er ook om bekend staat. Memo aan mezelf: deze vlindertuin van de zomer eens bezoeken.
De Peizermade als Alaska
Geplaatst op: 10 februari 2012 Gearchiveerd onder: Drenthe vrogger 1 Reactie »“Dikwijls zwierven we in de Peizermade, wanneer deze in een groote ijsvlakte herschapen was. Dan voelde je je zoo vrij als in Alaska, ver van de wereld.
Nergens in het binnenland heb ik zulke groote vogeltroepen bij elkaar gezien als daar. Soms waren er eenige honderden wilde zwanen tegelijk, vele honderden ganzen. Wanr nog open water was bevonden zich groote massa’s eenden en zaagbekken. Daar het ijs in de omgeving meestal te zwak was om een mensch te dragen, was het onmogelijk er dichtbij te komen, maar ook op een afstand was het een imposant gezicht.
Over korten tijd zal men dit rijke vogelleven daar niet meer kunnen bewonderen, daar deze made immers een betere afwatering zal krijgen en de gronden zullen worden ontgonnen. Misschien verplaatsen de wintervogels zich dan naar het Zuidlaardermeer, waar trouwens ook vroeger en nu veel Poolbewoners in den winter verblijf houden.”
—-
Bron: F. Koster, Op het ijs, aflevering in de serie De Levende Natuur, Nieuwsblad van het Noorden 11 januari 1929.
De Nikstaart bij Glimmen
Geplaatst op: 9 februari 2012 Gearchiveerd onder: Ommelanden 5 Reacties »
Vandaag viel me op een veldnamenkaart uit de collectie Wieringa het woord Nikstaart op. Dat is Drents voor windhoos. Op het hier weergegeven kaartfragment staat het perceel linksboven, voor de oriëntatie heb ik het Huis te Glimmen, dat in de omgeving doorging voor Börg, erbij geknipt.
Om precies te wezen staat er Boerhoner Nikstaart geschreven. Zo te zien is het ‘t laatste van drie Boerstukkies, waarvan het eerste of meest oostelijke perceel bekend stond als Boerhörn. Waarschijnlijk heeft dit tritsje ’Boer-namen’ te maken met het gemeenschappelijke grondbezit hier van de boer (of de buren) van Glimmen, ooit. Het belangrijkste toponiem in de omgeving was Mainte (Meenthe), rond 1830 lagen hier nog onverdeelde weidegronden van de Glimmer “marktgenoten”. Deze weidegronden waren vrij drassig, vandaar dat er niet zoveel haast gemaakt werd om ze te verdelen. Er zal geen melkvee hebben gelopen, eerder een kudde schapen.
Of er op de plek van de Boerhoner Nikstaart werkelijk ooit een windhoos te zien viel, is moeilijk te zeggen. De laatste, of meest westelijke van de drie Boerstukkies vertoont een knikje ten opzichte van de andere twee. Daarom kan de naam ook duiden op de plattegrond van de drie percelen tesamen, die lijkt op een geknikte staart, wat de letterlijke vertaling van nikstaart is.
De omgeving is vrij grootschalig op de schop gegaan, de A28 kwam er eind jaren zestig doorheen, terwijl Wieringa hier later een oudere kadasterkaart gebruikte. Maar met behulp van andere kaarten viel de lokatie van de Nikstaart wel op te snorren. Het perceel ligt aan de zuidkant van de Oosterbroekweg, tussen de Noordwillemsvaart en de A28, tegen de grens met Drenthe aan. Deze grens maakt hier trouwens ook een knikje, wat nog weer een andere reden voor de naam zou kunnen zijn. Als je vanaf Haren of Glimmen komend de tunnel onder de snelweg doorgaat, dan krijg je als je weer boven komt de Nikstaart meteen links.
Winter te Peelo
Geplaatst op: 8 februari 2012 Gearchiveerd onder: Drenthe vrogger 6 Reacties »
Voorpaginafoto van Het Noorden in Woord en Beeld, 8 januari 1932.
Winter te Peizermade
Geplaatst op: 8 februari 2012 Gearchiveerd onder: Drenthe vrogger 9 Reacties »
Voorpaginafoto van Het Noorden in Woord en Beeld, 15 januari 1932.
De kopschuwe bruid van Pieter Albronda
Geplaatst op: 8 februari 2012 Gearchiveerd onder: Stad toen 2 Reacties »Begin 1785 logeerde de uit Paterswolde afkomstige, en daar ook gegoede Aukjen Thijsens, weduwe van Hindrik Derks, enige tijd bij Pieter Albronda in de stad Groningen. Ze waren geen familie van elkaar en de rijkere Aukjen (52) betaalde gewoon kostgeld voor haar logies aan haar gastheer Albronda, die wat ouder was dan zij.
Een jaar later begon Albronda een proces, dat pas eind 1788 definitief zou eindigen. Bij dat proces eiste hij, dat Aukjen de trouwbelofte, die ze hem zou hebben gedaan, gestand zou doen.
Een proces waarbij een man zoiets van een vrouw eiste, kwam niet zo vaak voor. Veel vaker was het andersom. In het stereotype geval eiste een bezwangerd meisje, dat haar vroegere geliefde zijn huwelijksbelofte nakwam en haar zou eren door een huwelijk.
Pieter Albronda wilde dus dat Aukjen Thijsens met hem zou trouwen. In de eerste rechtszitting, op 14 maart 1786, ontkende Aukjen dat ze hem hem een trouwbelofte gaf. Aan Pieter om te bewijzen dat ze dat wel had gedaan.
In de belangrijkste, want meest inhoudelijke zitting van het proces, op 4 december 1787 voor het Volle Gericht, bracht Pieter naar voren dat Aukjen bij hem had ingewoond. In die periode had hij “lievde en genegenheid” voor haar opgevat, wat hij haar kenbaar maakte ook. In eerste instantie won ze inlichtingen in over zijn gedrag en omstandigheden, en toen dat allemaal goed leek, had ze zich door trouwbeloften aan hem verbonden.
Helaas voor Pieter mocht Aukjen niet helemaal alleen beslissen. Er waren ook nog mensen die wat van Aukjen te erven hadden, te weten haar kinderen. En die stelden “alle middelen” in het werk, om haar van haar
“wettig engagement af te trekken, het welk dan ook ten gevolge hadde gehad, dat de lievde verkoelde”.
Dat wil zeggen: de liefde van Aukjen, niet die van Pieter. Die drong zelfs nog sterker dan voorheen aan op het huwelijk. Maar tevergeefs, want na veel vijven en zessen hakte Aukjen de knoop door, en zei hem ronduit “niet voornemens te zijn het huwelijk te voltrekken”.
Pieter probeerde haar huwelijksbeloften te bewijzen met twee getuigenverklaringen. De ene kwam van de koopman Conrad Verver, een vertrouweling van beide voormalige gelieven, en de andere van Catharina Swints, hun dienstbode.
Verver vertelde van de keren dat Aukjen bij hem in de winkel was gekomen en daar gerept had van de trouwplannen. Op 29 januari 1785 was dat voor het eerst gebeurd. Pieter Albronda had haar toen nog maar net ten huwelijk gevraagd en haar gezegd dat ze inlichtingen over zijn persoon en omstandighheden mocht inwinnen bij Verver. De koopman was dus een soort van referentie voor Pieter. Bij dit eerste gesprek met Verver, vertelde Pieters beoogde bruid dat haar kinderen in Paterswolde wilden dat ze haar fondsen door zaakwaarnemers zou laten beheren. Daar had ze niet zo’n trek in, ze voelde meer voor een huwelijk met Pieter, tenminste als Verver een gunstig getuigenis over Pieter kon geven. Wat Verver uiteraard deed, anders zou Pieter toch ook niet naar hem hebben verwezen.
Naderhand kwam Aukjen weer bij koopman Verver en vertelde hem dat ze zich “in huwelijks ondertrouw hadde verbonden” met Pieter en dat hun huwelijk voltrokken zou worden als ze wat zaken in de materiële sfeer zou hebben geregeld. Van deze ontmoeting herinnerde Verver zich tevens een relaas van Aukjen,
“dat zij met haar bruidegom over ijs naa Drenthe was geweest, en bij die gelegenheid deerlijk was gevallen.”
Pieter was de vader van een al volwassen dochter, die ook ging trouwen. Aukjen vertelde Verver hoe ze die dochter enig linnengoed uit Pieters kast verkocht. “Haar bruidegom” was daartegen geweest, waarop zij Pieter had geantwoord:
“Nu olde, hou die maar stille, het is dien dogter en ik hebbe linnen genog, ik wil dien kaste wel weer volmaaken…”
Ook vertelde ze Verver dat haar kinderen niet zozeer tegen het huwelijk op zich waren, als wel tegen een nadelig gevolg voor hen. In de stad zou ze naar Stadswet trouwen, en dat betekende dat ze “haar halve goed zoude verhuwelijken”. Aukje had begrip voor dat bezwaar van haar kinderen, ze vond die nadelige consequentie zelf ook “niet redelijk”, maar door te trouwen op huwelijkse voorwaarden kon die worden voorkomen. Ze verzocht Verver om dit in orde te willen maken.
Verver had liever, dat ze daarvoor een ander zocht en dat werd Artilleriemeester Trip. Deze heer kwam meteen de volgende dag al bij Verver om te overleggen over een concept-huwelijkscontract. Daarin stond dat er tussen de toekomstige echtelieden geen gemeenschap van goederen zou bestaan. Man en vrouw hielden dus hun eigen bezit, alleen voor het huisraad werd een uitzondering gemaakt, dat bezaten ze wel samen. Als de rijkere partner, Aukjen dus, eerder zou komen te sterven, kreeg Pieter voor de rest van zijn leven een toelage uit haar bezit van een daalder of twee gulden per week. Maar haar kinderen mochten dat weekgeld ook afkopen, door Pieter in te kopen in het een of andere gasthuis, waar hij als conventuaal dan voortaan de kost gratis kreeg.
Aukjen kon zich in deze opzet vinden. Verver had het beste met haar voor, zo zei ze, de koopman moest het maar verder in orde brengen.
Bij de uitgebreide verklaring van Verver stelde die van Catharina Swints niet veel voor. Zij verklaarde dat Aukjen, die inmiddels in Peize woonde, haar op 29 januari 1785 had “gehuurd” om Albronda te dienen voor een loon van 6 stuivers per week (boven de kost en inwoning). Bij dit aannemen als dienstbode had Aukjen tegen Catharina gezegd:
“Gij moet mijn olden man maar goed oppassen, ik zal er u voor betaalen.”
Volgens Pieter vormden de verklaringen van Verver en Swints samen het overtuigende bewijs “dat er waarlijk een engagement tot een huwelijk” tussen hem en Aukjen had bestaan. Van Aukjen hoefden de getuigen hun verklaringen ook niet onder ede te bevestigen. Daar had ze van afgezien en daarom moesten die verklaringen voor waar worden gehouden.
Aukjen was uiteraard een heel andere mening toegedaan. Volgens haar bewezen de verklaringen helemaal niet dat ze een trouwbelofte deed. Want volgen de Stadswet viel zo’n belofte alleen te staven door twee belangeloze getuigen, of een “wettelijke ondertekening van de verloofde perzoon”. En Pieter had noch het een, noch het ander. De beide getuigen die hij wel aanvoerde, hadden die trouwbeloften enkel van horen zeggen. “hetgeen in rechte niets opereerde”. Dat begreep Pieter ook zelf wel, omdat hij in aanvulling op de getuigenverklaringen gevraagd had om onder ede over de zaak te mogen worden gehoord. Bij tussenvonnis van 14 november 1786 was dit verzoek door het Volle Gericht afgewezen, en bij die gelegenheid had Pieter ook erkend dat zijn zaak door de dood van Artilleriemeester Trip er zeer zwak voor stond.
Dat vond het Volle Gericht ook Het wees Pieters eis af. En hoewel Pieter in hoger beroep ging, waarvoor hij in april 1788 maar liefst negen getuigen opriep, veranderde dat helemaal niets voor het Volle Gericht. Het oordeel van de heren stond vast - zij bevestigden hun eerdere sententie. Het huwelijk van Pieter en Aukjen ging definitief niet door.

Laatste reacties