Scheepsjagers opgeschrikt door concurrent

“TER APEL, 13 Dec. Al te modern!
 Voor een paar dagen passeerde te Ter Apel een echte stoomsleepboot met vijf groote, met steenkool geladen schepen, uit Duitschland komende, achter zich. Geen alledaagsch gezicht; een sleepboot was in deze kanalen der Gron. Veenkoloniën tot nu nooit gezien. De scheepsjagers scholden de boot dan ook hartelijk uit.”

Bron: De Grondwet 9 januari 1917.


Niet alleen een vrolijk drinklied

Groep van drie soldaten, Jan van de Velde (II), 1603 - 1641  Rm RP-T-1891-A-2447

Zat al een poos met een melodietje in mijn hoofd en floot het ook regelmatig, onderweg. Maar van de tekst herinnerde ik me zo goed als niets. Alleen een eindpassage: “…and never a pocket of money” – maar googelen met die flard leverde niets op.

Dat was ook geen wonder, want zaterdag viel me in dat die eindpassage “with never a penny of money” moest zijn. Vervolgens bleek het opsnorren een makkie – het ging om “We be soldiers three”, opgetekend door Thomas Ravenscroft in zijn bundel Deuteromelia (1609).

Natuurlijk ook meteen wezen zoeken naar uitvoeringen op YouTube. Er zit veel bagger tussen, maar er zijn toch ook wel wat aardige interpretaties:

Vrijwel alle uitvoeringen echter, zijn volgens mij gemankeerd door de eendimensionele blik op dit lied als drinklied. Dat is het ook, zeker, maar dat niet alleen.

We zijn drie soldaten, zegt de tekst, en we vragen u uiterst vriendelijk om ons te vergeven, maar we komen net uit de Lage Landen en zijn platzak… Uit het tweede couplet blijkt dat de berooide soldaten op iemand proosten. Dat moet welhaast de weldoener zijn die ze intussen vergeving schonk door ze dat drankje te verschaffen. Geheel en al vrijwillig?

Het jaar dat Ravenscrofts bundel verscheen – 1609 – was ook het eerste jaar van het Twaalfjarig Bestand in de Nederlanden. Talloze huursoldaten, waaronder nogal wat Engelse en Schotse, werden afgedankt. En aan de dijk gezette soldaten waren er berucht om dat ze wel kwaadschiks aan hun natje en droogje kwamen, als ze die goedschiks niet kregen. Je kunt denken aan de Spaanse Furie of soortgelijke plunderingen van steden, maar in vredestijd was het vooral het platteland dat overlast ondervond van zwervende soldaten die zich menigmaal ontpopten als uiterst vervelende, “sterke bedelaars”.

Die tweede laag, die van een lichte dreiging achter alle luchtige vrolijkheid, die zou eigenlijk ook een beetje hoorbaar moeten zijn bij een adequate interpretatie van dit lied. Maar dat is dus niet veel uitvoerende artiesten gegeven.


Via de krant in Winschoten (1916)

Immenga’s mineraalwaterfabriek, bierbrouwerij en bottelarij, een bedrijf dat van zeker 1905 tot 1941 heeft bestaan:
1916-03-12 Winschoter Courant
De stereotype bejaarde in een advertentie voor het hoestdrankje Abdij Siroop:
1916-04-21 c Winschoter Courant
Loodgieter E. Huizinga wist wat zijn primaire doelgroep was:
1916-04-21 d Winschoter Courant
Uit Oude Pekela kwamen de kruidenmengsels van Jacoba Maria Wortelboer. Probaat huismiddel volgens haar nazaten, je reinste kwakzalverij volgens de medische stand:
1916-06-23 Winschoter Courant
Bron: Alle advertenties uit de Winschoter Courant, de edities van resp. 12 maart, 21 april (2 x) en 23 juni 1916.


Stads ommetje

Zijn die studenten nog maar nauwelijks in de stad, of ze fietsen er weer uit, naar het  een of andere introductiekamp, met alle sjaars in uniforme kledij:
2014-08-16 007
Dan wacht ik wel even hè, voor ik erlangs ga – meisje houdt haar paard ternauwernood in bedwang bij de Bruilweringsbrug over het Omgelegde Eelderdiepje:
2014-08-16 016
Boom, Stadspark:
2014-08-16 019
Ubbo Emmiusstraat – steelband op weg naar de Pelsterhof:
2014-08-16 025
Zuiderdiep – koetje, meisje, bulletje:
2014-08-16 029
Guyotplein – verweerd kopje (console):
2014-08-16 037
De deur van de voormalige siersmederij ‘In den Hanekamp’, Taco Mesdagstraat:
2014-08-16 054
Jugendstil balkonhekje achterin de Jozef Israelsstraat:
2014-08-16 059


Het is de lucht achter Gravenburg

5

(Vanochtend, om een uur of negen.)

Heb er een bannertje voor den Twitter uitgehaald:

2014-08-15 002b

 


Frits Casparie – Gezicht op de Meeuwerderweg

2 zo Frits Casparie - Meeuwerderweg

Frits Casparie stond zondag in de Folkingestraat met een kraam vol van zijn linoleumsneden. Deze vond ik het mooist: een gezicht op de Meeuwerderweg, hoek Verlengde Frederikstraat.


Tutjeshut, eerder Tutje Hut, oervorm Tuitjers Hutte

Tuitje Hut, ca. 1830, volgens de ouste kadasterkaart. Links het huis in de hoe tussen de dijk van de Oude A (boven) en de Nieuwe A (onder).

Tuitje Hut, ca. 1830 (kadaster). Links het huis in de hoek tussen de dijken van de Oude  (boven) en de Nieuwe A (onder).

Onlangs hoorde ik hoe een sergeant Lok in Finsterwolde anno 1917 met zijn geweer een Duits militair vliegtuig uitschakelde, dat nog redelijk beschaafd kon landen bij Tutjeshut.

In Lok zijn heldendaad zit natuurlijk op zich al een verhaal, want als ik mij niet vergis was het ook nog eens de allereerste keer dat zoiets boven Nederland gebeurde. Maar dat verhaal stond destijds al in geuren en kleuren in allerlei kranten – er valt nog weinig eer aan te behalen. Veel intrigerender is dan de naam Tutjeshut.

Tutjeshut bestaat niet meer, er ligt nu een plas. Het was een buurtschapje van hooguit een huis of drie ten zuidwesten van Nieuweschans. Het lag in de scherpe hoek die de Oude A en de Nieuwe A daar met elkaar maakten,  op de uiterste westpunt van een Stads Kijle lands. Doordat de stad Groningen hier vanaf de zeventiende eeuw de (onder)grond bezat, zijn er redelijk wat kaarten van de omgeving. Op die van voor 1800 (a, b) is er ter plaatse nog geen enkel huis of hut te vinden, laat staan een specifiek toponiem. Op een schets van uiterlijk 1813 echter, verschijnt er een huisvorm met de aanduiding Tuitjers Hutte, waarover straks meer.

Tuitjers Hutte

Tuitjers Hutte volgens een schets van ca. 1800, die niet west-oost, maar oost-west georiënteerd is.

De buurtschap zal dus omstreeks 1800 zijn ontstaan. De kadasterkaart van 1830 (zie bovenaan dit logje) laat er nog steeds een enkel huis zien met een ronde structuur ervoor, half op de dijk langs de Nieuwe A. Waarschijnlijk betreft het een watermolen met een watermulderswoning erachter. Interessant is dat de grond hier aan het uiterste eind ligt van de opstrek van een Nieuw-Beerster heerd, wiens eigenaar ook de grond en de opstal van Tutjeshut in eigendom heeft. Waarschijnlijk sloeg die watermolen het water van diens en mogelijk ook andermans (lage) land uit naar de A. Op de kadasterkaart heet het hier overigens nog geen Tutjeshut, maar Tutje Hut, een naam zonder bezitterige s die we ook in aanbestedingsadvertenties uit 1829 aantreffen..

Het toponiem hier ontwikkelde zich dus van Tuitjers Hutte, via Tutje Hut, tot Tutjeshut, de naam die vanaf 1850 vrijwel het alleenrecht lijkt te hebben..

De vroegste verschijningsvorm Tuitjers Hutte lijkt me samen te hangen met die van de familie Tuitjer die vanaf ongeveer 1740 in het kerspel Nieuw-Beerta leefde. De familienaam op haar beurt zou afgeleid kunnen zijn van een lichamelijke eigenschap, of een bezigheid. Qua lichamelijke eigenschap denk ik dan aan getuite lippen, en qua bezigheid aan het bespelen van een hoorn of trompet. Maar het zou vanwege tude, het Groningse woord voor kip. ook nog kunnen samenhangen met het houden van kippen, wie weet.

Minstens zo interessant als de oervorm Tuitjers Hutte, is de verdere ontwikkeling van het toponiem. Blijkbaar begreep men rond 1830 al niet meer het verband met de familie, die inderdaad al lang en breed naar Winschoten, Bellingwolde en Nieuwe Pekela verhuisd was. In die tijd staat het Groningse ‘tuttje’ nog voor een onnozel meisje, als we afgaan op de woordenlijst van Laurman. Volgens het woordenboek van Molema uit 1887 is tutje echter.een liefkozende aanspreekvorm voor een bemind  meisje geworden. Terwijl Ter Laan in 1952 bij tutje naar tudde verwijst, wat eveneens staat voor schat: “Kom hier mien tudde!”

De associaties kunnen in de loop der tijd dus nogal veranderen. Helaas is de term hut veel minder vaak in de woordenboeken vertegenwoordigd, maar ik herinner me nog heel goed mijn verbijstering, toen mijn oudoom in Feerwerd er zijn bijschuur mee aanduidde.  Deze hut was inderdaad kleiner dan de hoofdschuur, maar voor mijn Drentse dorpsjongensbegrippen toch nog reusachtig groot voor een hut. Hut betekende in Groningen van oudsher echter ook: kleine woning. Denk aan de sarrieshutten, van de belastinggaarders bij alle korenmolens.

Wellicht beklijfde de naam Tutjeshut ook door de klankmatige associatie met gezegden als huttegetut en met hutje en mutje. Huttegetut stond rond 1900 nog voor:  armoedige rommel, allegaartje, samenraapsel en gespuis, terwijl met hutje en mutje betekende en nog steeds  betekent: bepakt en bezakt, met heel het hebben en houden. Overigens komt het mutje in deze combinatie van mutte, motte of zeug, welk vrouwtjesvarkjen ergens wel goed past bij het armoedige samenraapsel.

Hoe dan ook, Tutjeshut hield de fantasie gaande. Gedurende haar bestaan en nog lang daarna.

 

 


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 565 andere volgers