Arcadische genoegens rond de stad

Wild raapzaad bij Eiteweert:
003
Aduarderdiepsterweg:
009
De ideale camouflage voor een buitenaardse invasie:
018
Koeientoneel te Leegkerk:
026
De kerk van Leegkerk:
028
Kalverselectie bij Slaperstil:
036
Baggeraars op het Van Starkenborghkanaal:
043
Bij de grens van stad:
053


Plaggeturf en baggerturf

Het verbruik van de twee hoofdsoorten turf en de regionale verschillen daarin, over dat onderwerp staat er een interessante observatie in Le Francq van Berkeys verhandeling over de turfas (1779).

In Groningen en Friesland, zo geeft hij aan, werd “in menigte” de gewone “plagge-turf”gestoken, dus uit hoogveen. Deze diende hier op het platteland als huisbrand.

De stedelingen van Groningen en Friesland daarentegen, verstookten thuis baggerturf, ook wel zwarte turf genoemd. Deze kwam uit laagveen (dus vanonder de (grond)waterspiegel). Ook Amsterdammers gebruikten thuis veel noordelijke baggerturf.

In Hollandse fabrieken werd echter een “ontzachelyke menigte” plaggeturf gebruikt, misschien nog wel meer dan het totale verbruik van deze turfsoort in de provincies van herkomst. Terwijl er dan ook nog noordelijke plaggeturf naar de zuidelijke Nederlanden ging.


Onbewogen land

Film van Itamar Kool over de omgeving van Westerwijtwerd, haar bewoners en de aardbevingen:


Het Oldambtster Wapen aan de Oosterstraat

1 - tabakswinkel In 't Oldamster Wapen Oosterstr Gr

De tabakshandel van Pieter Koning, Oosterstraat 33 in Groningen. Links staan stopflessen met snuiftabak, een vijzel en een rijtje gewichten in de kast. Op de toonbank ponds- en/of halfpondspakken pijptabak. Verder weegschalen en achterin de zaak twee bedienden die pakken vullen en afwegen.

De foto komt uit Oud Groningen Stad en Lande van C.H. Peters en zal omstreeks 1920 gemaakt zijn. Peters noemt niet de naam van de uitbater, maar wel diens merk: Het Wapen van het Oldambt:

2 - Oldambster Wapen bij P. Koning Oosterstr

Oftewel de grote viertorende kerk van Midwolda, waarvan een restant in 1738 verdween, maar die nog steeds prijkt op gemaal Kremer in Termunterzijl. Ook een herberg aan het Winschoterdiep in Groningen voerde tussen 1730 en 1930 overigens dit wapen. net als een kruidenierszaak aan het Schuitendiep in de negentiende eeuw. Het was dus een redelijk populair beeldmerk in de stad.

De firma P. Koning adverteerde jammer genoeg hoogst zelden in het Nieuwsblad. In 1919 gaf zij te kennen dat ze dankzij de weer op gang gekomen overzeese aanvoer de prijzen kon verlagen tot een gulden voor een halfpond rooktabak en 90 cent voor een gelijke hoeveelheid pruim. Tegelijkertijd was de kwaliteit aanzienlijk verbeterd.

Eind 1920 fuseerde het bedrijf met de tabaks en sigarenfabriek van I. Kranenburg. Niet lang daarna verhuisde het naar de W.A. Scholtenstraat 26, waar een nieuw fabrieksgebouw werd betrokken en waar om de hoek aan de Oostersingel nog een tegeltableau aan de onderneming herinnert. Ook in de Tweede Wereldoorlog zal het niet best zijn gegaan met het bedrijf. Volgens het Handelsregisterdossier werd de fabricage van tabak in 1953 stopgezet. Er bleef toen nog een groothandel in tabak en aanverwante artikelen over, maar die sloot in 1961 de deur.

De foto van de oude winkel bleek met een foutief bijschrift afgedrukt bij de regionaal-historische rubriek van Jacob Tilbusscher in het Nieuwsblad van 21 januari 1928. Een week later zette Tilbusscher de fout recht, waarbij hij meldde dat de firma in de Oosterstraat nog een uithangbord met het Oldambtster wapen had, dat helaas verdwenen was. In de gevel van het nieuwe fabrieksgebouw zou het wapen opnieuw zijn aangebracht. Volgens Tilbusscher heette de tabak van de firma Koning naar de vier torens van het Oldambtster wapen ook wel torentabak, maar hier leek hij een nieuw abuis te begaan, want dat was een merk van Lieftinck.

Elementen van de achterlaten tabakswinkel in de Oosterstraat bleven vrij lang in dat monumentale pand zitten. Zo werd bij een restauratie in 1973 een glaspui van deze winkel verwerkt. Verder bleven de zwart marmeren schouw, en een plafond met gestucadoorde rozetten. Kloostermoppen uit het pand gingen naar de Martinikerk.

Sinds 1973 heeft het pand Oosterstraat 33 een horecafunctie gehad, met gelegenheden als club C’est ça en de Ierse pub Sally O’Briens. In de laatste tent ben ik wel eens geweest, maar ik herinner me weinig monumentaals. Ben benieuwd of er nog iets van dat interieur van ‘t Oldambtster Wapen over is.

Enigszins herzien op 22 april 2014.


Wind mee vanaf Nieuweschans

Een mooi stuk koolzaad vanaf Nieuweschans in de richting van Nieuw-Beerta:
001
Imker aan het werk:
003
Wat dichterbij;
006
En vanuit een andere hoek:
016
Boerderij op Finsterwolderhamrik vervalt steeds meer:
022
Het enige nog zichtbare raam van de bovenverdieping:
023
Oostwold vanaf de Goldhoorn:
032
Topgevel boerderij Oostwold:
037
Het gerestaureerde hek van het kerkhof, Oostwold:
041
Op de grens van Oostwold en Midwolda hebben ze een enorme kuil gegraven – het is een soort van zwaaikom of sluis:
044
Deze geeft toegang tot het nieuwe kanaal dat straks aantakt op het Termunterzijldiep. Daarvan is al een stuk klaar bij Midwolda:
050
Een enorm karwei, zo’n kanaal graven:
053
Siamees tweelinghuisje op de diepswal bij Zuidbroek:
065
Met een aardig gevelsteentje van een watermolen:
066
Kolham, de plek waar in 1959 gas aangetroffen werd:
082
Kotje in Westerbroek:
084


Rondje Lieveren

Distel in de knop, Onlanden:
005
Wilde raapzaad?, Onlanden:
015
Ooievaar, Onlanden:
021
In blad schietende eik, Foxwolde:
032
Landschap bij Foxwolde:
036
Foxwolde:
038
Weehorsterweg, Roden – ontluikend lijsterbesblad:
044
Het ensemble op de Weehorst staat er nog steeds:
049
Zuides Lieveren richting Alteveer:
057
Zelfde plek, maar ingezoomd op het boerderijtje:
061
Aan de zuidwestkant van Lieveren worden het Nieuwe Diep en de Slokkert, bovenlopen van het Peizerdiep, gehermeanderd:
064
Nieuwe cascade of vistrap:
072
Overbodige afrasteringen:
080
Gereconstrueerd beekje:
084
Bloeiende brem bij Donderen:
102
Zonnebadend lam met spreeuwen:
109


Individualistische waterbeheersing

“De laage landen onder Groningen staan doorgaans van het begin van november, of somtyds nog vroeger, tot aan april, ook wel laater, onder. Dat veel afhangt van de menigte van den gevallen regen; doch voornamentlyk van de westewinden, die den afloop van het water beletten; en de oostewinden, die het spoediger ontlasten. Terwyl men op zeer veele plaatsen de opdrooging als aan het geval (= toeval HP) overlaat. Want op weinige plaatsen heeft men tot de ontlasting gemeenschappen en goede molens; maalende doorgaans ieder landman voor zich zelven met slegt gereedschap maar tot 2 voeten. Men heeft molens tot 3 en een half, hetgeen men meent het uiterste te zyn.“

Met andere woorden: bij Groningen liet men in de achttiende eeuw de lage landen gewoonlijk van november tot april onderlopen. Soms begon dat al in oktober, soms eindigde het zelfs pas in mei, wat vooral afhing van de windrichting en de mogelijkheid om via de zijlen naar zee te spuien. Slechts hier en daar waren er collectieve molenpolders, met grote molens. De meeste boeren maalden slechts voor zichzelf met kleine molentjes.

Bron van het citaat: Iman Jacob van den Bosch, ‘Natuur- en geneeskundige verhandeling van de oorzaaken, voorbehoeding en geneezing der ziekten uit de natuurlyke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende’, in: Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, Deel 18 (Haarlem 1778) pag. 316.

 

 


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 548 andere volgers