WesterwOldambtster geschiedenisdag

In Wedde vond vandaag de Dag der WesterwOldambtster Geschiedenis plaats. Ik kwam het kerkje binnen tijdens  de openingsceremonie – beneden was er geen plaats meer, op de orgelbeun nog één:
2014-11-22 001
De oeroude folkformatie Folkcorn speelde grouwzame misdaadballades:
2014-11-22 02 was 10
Ties Tepper vertelde over de totstandkoming van het nieuwste deel in de Oldambt Historische Reeks: Naar het gerecht. Criminele zaken in het Oldambt 1750-1800:
2014-11-22 003
En trof daarbij een aandachtig gehoor:
2014-11-22 007
Uitreiking eerste exemplaar:
2014-11-22 017
Nadat de kerk leegliep omdat iedereen naar de historische markt in het tegenovergelegen dorpshuis ging, was er mooi even gelegenheid om naar de grafzerken op het koor te kijken. Al het goeie gaat in drieën – hoewel?:
2014-11-22 025
Bak met losse letters voor het schuifbord waarop de te behandelen Bijbelteksten aangekondigd staan voor een dienst:
2014-11-22 030
Vogel op grafsteen in tegenlicht:
2014-11-22 032
In het dorpshuis blijkt het intussen nog steeds poepiedruk:
2014-11-22 048
Letterlap uit 1903 van het conventionele Groningse type:
2014-11-22 052
Postzak met hakenkruis:
2014-11-22 053 was 82
Een wat minder beschaamde Vrouwe Justitia:
2014-11-22 056
Discussie tussen heren:
2014-11-22 059
Terug in de kerk – dolfijn op de burggravenbank (die overigens prima zit):
2014-11-22 073

De oud-kantonrechter mr. Gerrit Cazemier bentwoordt vragen na zijn  lezing:

2014-11-22 075
Verschillende aanwezigen spreken hun verontrusting uit over de criminaliteit, terwijl die toch zo’n dankbaar onderwerp vormt:

2014-11-22 078

Op het moment zelf kwam ik er niet op, maar achteraf viel me de vraag in of de rechter misschien ooit bedreigd is. En jawel,  hij kreeg in 1982 eens een steen ter grootte van een kippenei tegen het voorhoofd gegooid, waardoor hij minutenlang buiten bewustzijn was. Daarna vervolgde hij de zitting gewoon. Bikkel!


Rattenkruid in het pannekoekenbeslag

Het boerderijtje heette de Oude Watermolen, omdat er eerder een grote watermolen op het heem had gestaan. Dit bevond zich aan de Katerhals, een watertje aan de zuidkant van het Hoendiep, maar nog wel onder het kerspel Noordhorn. Op de plaats woonden Albert Jacobs, zijn vrouw en de twee kinderen die zij uit haar vorige huwelijk had.

Dit hele gezin werd vergiftigd. Op zondagavond 26 juli 1778 aten man, vrouw en kinderen gezamenlijk pannekoeken, zoals ze dat ook op de vorige avond, op zaterdag 25 juli, hadden gedaan. Vrijwel direct na de maaltijd werden ze alle vier misselijk en voelden ze zich ellendig. ’s Nachts stierf eerst de dochter, en op maandagmiddag Albert Jacobs. Ook de hond ging dood - hij had eveneens een stuk pannekoek gegeten. Alberts vrouw en haar zoon waren toen nog voortdurend aan het overgeven en de buren die erbij geroepen waren lieten dokter Bolt van Grijpskerk komen. Hij constateerde dat het weer de goeie kant op ging met beide overlevende patiënten, maar ging ook op onderzoek uit.

In een restantje pannekoekenbeslag vond Bolt rattenkruid.  De vrouw des huizes verklaarde dat ze dat spul in geen drie jaar in huis had gehad. Zaterdagavond hadden zij, wijlen haar man, haar zoon en wijlen haar dochter nota bene van hetzelfde meel pannekoeken gegeten, en toen was er niemand ziek van geworden. Dat meel kwam van koopman Luitien van Weperen in Niezijl. Dokter Bolt liet navraag doen. Er bleken meer huishoudingen in de omgeving dat meel van Luitien te hebben gekocht, maar nergens werd er iemand ziek van.

In het huis van de slachtoffers waren tussen zaterdagavond en zondagavond alleen de broer van Albert Jacobs, Jan Jacobs, en diens tien- of elfjarige zoontje Jacob op bezoek geweest. Dat zoontje ging met het latere vrouwelijke slachtoffer erwten en peulen plukken in de hof – en zo was Jan Jacobs even alleen in huis geweest. Nadat grietman Fruytier op woensdag 29 juli de slachtoffers en enkele andere betrokkenen had gehoord en ook nog een lijkschouwing had laten verrichten door twee medici uit de stad, beschouwde hij deze Jan Jacobs als verdachte nummer één.

Maar Jan Jacobs woonde in Enumatil, onder het Vredewold, een andere jurisdictie.  En het was midden in de zomervakantie: de grietman  van Vredewold bleek noch in zijn rechtsgebied, noch in de stad te vinden. Daarom moest Fruytier noodgedwongen wachten met de arrestatie van Jan Jacobs tot 1 augustus, de dag dat diens broer begraven werd.

Bijna drie maanden later, op 29 oktober 1778, wees grietman Fruytier  vonnis tegen de gedetineerde Jan Jacobs, ca. 42 jaar oud, geboren te Midwolde (Wk.) en laatstelijk woonachtig te Enumatil.

Fruytier overwoog dat Jan Jacobs zich zeer verdacht had gemaakt. Het schoteltje rattengif dat dokter Bolt uit het pannekoekenbeslag had gehaald en bovenop een kast had gezet, verplaatste Jan Jacobs daar uit zicht achter een kerkbijbel. Hoewel dit door buren gezien was, ontkende Jan Jacobs dit gedaan te hebben. Eerst beweerde hij dat hij niet eens wist dat het schoteltje daar stond, vervolgens gaf hij die kennis toe maar niet het verplaatsen, en toen hij ook dat laatste in confrontatie met de buren moest bekennen, zei hij dat hij dat deed omdat het schoteltje anders maar voor het grijpen stond.

Bovendien had Jan Jacobs bij zijn arrestatie tegen de roderoede (veldwachter) Ype Boon en nog iemand gezegd, dat het gericht een broedermoord nooit zou kunnen bewijzen zonder zijn bekentenis. Ook dat gold als zeer verdacht.

Grietman Fruytier moest echter knarsetandend toegeven, dat er wel veel aanwijzingen voor de schuld van Jan Jacobs waren, maar dat die met elkaar nog geen doorslaggevend bewijs vormden. De verdenking bleef van dien aard dat Fruytier de verdachte niet als gezuiverd wilde ontslaan van rechtsvervolging. Daarom moest Jan Jacobs plechtig beloven zich ter beschikking te houden van het gericht.  Zodra hij een oproep kreeg om daar te verschijnen, moest hij komen. Zoniet dan zou dat als een bekentenis worden opgevat.

Op 5 november, na een toetsing van het vonnis door de Hoge Justitiekamer in de stad, kreeg Jan Jacobs het stuk voorgelezen in de gevangenis aldaar. Ik neem aan dat hij vervolgens onmiddellijk op vrije voeten kwam.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 6: notulen van rechtdagen in criminele zaken.


Uitbundig geel

001

004
(Peizerweg vaochtend.)


De belijdenis van mijn overgrootmoeder

2014-11-20 050

De inschrijving van mijn overgrootmoeder (56) in het lidmatenregister van de hervormde gemeente Zuidhorn, op 30 maart 1928. Dat was een week voor Pasen. Op vrijdag deed ze samen met anderen belijdenis in de pastorie van ds. Bange en op zondag werd ze als lidmaat bevestigd in de kerk. Daarbij werd ze eerst gedoopt, want dat was kennelijk nooit gebeurd.

Vaag schemerde me iets bij over de kerkelijke meelevendheid van vooral de vrouwelijke Vondelingen, maar dat viel bij het checken van dit register een beetje tegen (of mee, hoe je het maar bekijkt). Naast moeder Grietje deed alleen de jongste dochter Annie belijdenis – die was dan ook lid van de NH meisjesvereniging. De andere twee dochters komen niet in het lidmatenregister voor en dat blijkt evenmin het geval met de zeven zoons en de vader. De kerk, zo moet je concluderen, speelde geen grote rol in het leven van de Vondelings.

Toch behoorden de Vondelings in het kerkelijk zeer gepolariseerde Zuidhorn onmiskenbaar tot de hervormde partij.  Ze hadden een hekel aan cocksianen. Gereformeerden kon je niet vertrouwen, vonden ze, die hadden het achter de ellebogen.

Hier een plaatje van mijn overgrootmoeder, terwijl ze samen met haar man de aardappels schilt. Met tien kinderen ging er per warme maaltijd wel een emmertje piepers doorheen:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

 

 

 


Oogmeterij

Laatste fase van de oogmeterij - voor mij althans nieuw - waarbij bekeken wordt hoever de pupillen van elkaar af staan etc.:

2014-11-19 014

Bij mijn vorige bezoek aan de opticien, op een donderdagavond, zag die bij de oogmeting zwarte vlekjes of troebelingetjes en oneffenheden op mijn hoornvlies. Weshalve de oogmeting niet voltooid werd en ik het advies kreeg om naar de oogarts te gaan. Dat is inmiddels gebeurd. De oogarts dacht dat het aangeboren  vlekjes waren en er zat in elk geval geen progressie in de vlekkerigheid (over de oneffenheden zei hij niets).

Dus opnieuw naar de opticien met deze boodschap. Die keek een beetje ongelovig en deed opnieuw de proef met kleurstof in mijn oog. Inderdaad zag hij nu minder vlekjes en oneffenheidjes dan bij de vorige oogmeting. Het kan eraan gelegen hebben dat mijn ogen de vorige keer droog waren. In elk geval scoorden ze qua sterkte nu beter dan de vorige keer. Blijkbaar maakt het toch wel wat uit of je je ogen ‘s middags of ‘s avonds meten laat. ‘s Avonds zijn je ogen allicht vermoeider.

Enfin, over een dag of tien heb ik een nieuwe bril en kan ik een heleboel lettertjes weer best lezen.


Schuddeldouk roept gemengde gevoelens op

De vaatdoek was weer in het nieuws. Gister begon minister Schippers van volksgezondheid een campagne om mensen te wijzen op alle keukenbacteriën. Volgens de minister moeten we elke dag ons vaatdoekje uitkoken.

Is onze hygiëne de laatste halve zo sterk achteruit gegaan? Dat dacht ik niet. Ruim vijftig jaar geleden promoveerde de arts-dichter Jan Boer op besmettingen met spoelworm in zijn Oost-Groninger dorpspraktijk. En hij wijdde een aparte passage aan de schuddeldouk, zoals de vaatdoek daar heette:

“Op de keukentafek in vrijwel ieder gezin in Tange-Alteveer bevindt zich een natte doek, de zogenaamde “schuddeldouk”, die voor zeer verschillende doeleinden gebruikt wordt.

Naar het woord al aangeeft, zal de primaire functie zijn het afwassen, en soms ook afdrogen van “schotels”, dat zijn etensborden.

Daarna wordt de doek op de keukentafek gedeponeerd en gebruikt om er de tafel nu en dan mee af te vegen en om de vuile handen van de kinderen provisorisch mee te reinigen.

Na het eten veegt ieder der gezinsleden zijn mond af aan deze doek als aan een gemeenschappelijk servet.

Vaak is door mij opgemerkt, dat de huismoeders deze schoteldoek ook gebruiken om de kleuters, die zich met faecaliën verontreinigen, snel even mee schoon te maken.

Deze reiniging vindt dan door de beperkte ruimte in de woonkeuken dikwijls plaats op de keukentafel. In vele gezinnen wordt de tafel niet gedekt en speciaal bij de broodmaaltijd wordt geen gebruik gemaakt van etensborden.

De boterham wordt van de houten tafel gegeten, waarop even tevoren de reinigiging van de kleuter plaats vond – uiteraard werd de tafel voor de maaltijd afgeveegd met de schoteldoek.”

Van 71 gezinnen, waarvan leden besmet bevonden waren met spoelworm, onderzocht Boer de vaatdoekjes. In 28 gezinnen bleken deze de eieren van spoelwormen te dragen. In grote gezinnen gebeurde dit wat meer dan in de kleine.

Overigens wekt de schuddeldouk ook warm-nostalgische gevoelens op. Uit Onstwedde stamt een Lofzang op de Schuddeldouk. Dokter Boer zou er zijn wijze hoofd over hebben geschud (als hij het lied niet schreef).

Bron: J.J. Boer, Ascaris Lumbricoides L. in een dorpspraktijk (Groningen 1963), pag. 81 e.v. Met dank aan Henk Scholte voor het lenen van dit proefschrift.

 


‘Aj mor niet an de schuppe rakt’

015 b

“Aj mor niet an de schuppe rakt”, was zo’n zegswijze van mijn moeder.

De schop stond voor keiharde landarbeid, met de pest in je ziel, het zweet op je voorhoofd en de blaren in je handen. (Zolang je handen nog niet genoeg vereelt waren, tenminste.)

Haar vader was nog een tijd boerenarbeider geweest. Hij wist nog precies zijn aanvangssalaris, hij verdiende er een rijksdaalder per week mee op zijn twaalfde, in 1917. Later werd hij electriciën en nog weer later aannemer van ondergrondse kabelwerken. Maar nadat hij zijn bedrijf verkocht had, nam hij vrolijk de schop weer ter hand: van zijn miniscule tuintje kwamen onvoorstelbare hoeveelheden groente.

Daar lag het niet aan, dat noodlottige odium van de schop. Dat kwam van verder weg in ruimte en tijd. Mijn opa’s voorouders waren boerenarbeiders in de omgeving van Delfzijl en Termunten geweest. Aan de schop raken betekende niet alleen een teruggang in tijd, maar ook een terugval naar de belabberde toestanden van weleer.

Volgens mijn moeder was haar enige broer een briljant wis- en natuurkunde-student. Maar toen hij begin 1954 een meisje bezwangerde, weigerde opa nog langer diens studie te betalen. Broer moest trouwen en eerst maar aan het wark als kabelgraver bij zijn pa in dienst. Hij raakte even an de schuppe, zogezegd.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 588 andere volgers