Horeca van de havenstad Delfzijl

horeca Delfzijl blogje

Alleen het Kacheltje staat er niet op, een hoerekitje achter het Commandeurshuis. Verder bevat dit kaartfragmentje alle negen herbergen en logementen van Delfzijl in de Franse Tijd (ruim tweehonderd jaar geleden). In totaal waren er tien horecagelegenheden op een bevolking van 811 zielen. Het zal duidelijk zijn dat de herbergen vooral mikten op de passanten die de haven met zich meebracht.

Ze bevonden zich allemaal langs de doorgaande route Marktstraat – Oude Schans. Als je een kroegentocht wilde houden in het Delfzijl van 1800, werd je in elk geval niet moe van het lopen.

Een kluster van tweederde der kroegen bevond zich bij de Waterpoort, waarachter je de haven had en de Turfbrug. Hier legden de beurtschepen van en naar Emden aan. Het dichtste bij die poort zaten dan ook Het Raadhuis van Emden en Hotel Emden, met uithangborden die de reizigers van over de Eems de voordelen van kalme herkenning en voorzichtige acclimatisering beloofden. Hier zal gegolden hebben wat voor Groningers in Amsterdam gold.

Helemaal aan het andere uiteind van het loopje, dat onnoemelijk veel keren door de pakkedragers van Delfzijl gemaakt moet zijn, had je bij de Farmsumerpoort en het Damsterdiep het Wapen van Stad & Lande.  Die naam was ook niet voor niets: de provinciale trekschuiten naar de stad staken er van wal bij de snikketrap, als het klokje op die poort had geluid.

Bron van het kaartfragmernt is de kaart die als bijlage gevoegd is bij Jaap Bottema, Delfzijl in de Franse Tijd (Bedum 2004). Bottema gaat voorbij aan deze samenhang in de Delfzijlster horeca van destijds.

 

 


Delfzijl – de bekendheid van en de waardering voor zijn vesting en zijn haven

Uiteraard komen we Delfzijl ook tegen in geografische compendia en reisbeschrijvingen uit de achttiende eeuw, zoals die op Google Books te vinden zijn. In totaal vond ik 25 verschillende  meldingen. Wat zeggen die over Delfzijl?

Eerst maar even een kleine bloemlezing, die bestaat uit vier voorbeelden.

In de jaren 1720 kwamen meerdere edities uit van het Reisboek door Jan Claesz en later zijn zoon Timotheus van Hoorn. Over Delfzijl zegt het:

“Delfzyl leit aan de rivier de Eems een groot uur boven Damme; ze heeft een voortreffelyke Haven en zwaare schutsluizen en [is] derhalven van groot belang, èn als een bolwerk voor Oostvriesland, Groningen en Ommelanden, waarom de Prinsen en Heeren altyd gepoogd hebben dezelve tot een verzekering der gemelde landen te versterken en wel te bewaren ”

Noemen de Van Hoorns zowel de vesting als de haven, de Duitse geleerde Uffenbach beperkte zich in 1753 in zijn Merckwürdige Reise tot de vesting. Daarbij kraakt hij een kritische noot:

“Delfzijl is een middelgroot, maar verder eenvoudig dorp, met zes bolwerken, de wallen zijn laag en zeer smal, zodat nauwelijks twee mensen er naast elkaar overheen kunnen gaan. We logeerden tamelijk sober in de Kroon.”

Een zeer bekend werk is nog steeds de Tegenwoordige Staat van Stad & Lande uit 1794 van de toen ambteloze bestuurder Albert Joan de Sitter, de patriotse oud-drost van het Oldambt. Enerzijds prijst hij de nautische voorzieningen van Delfzijl. Deze plaats, zo zegt hij, beschikt over de “beste haven en reede van alle de Nedcrlanden, naar ’t oordeel van velen”. Anderzijds memoreert hij dat de haven minder diep is dan in de zeventiende eeuw. Ze is verland. Over de vesting weet hij te vertellen dat ze rond 1700 “aanmerkelyk versterkt en vergroot” is door Van Coehoorn.

En dan hebben we nog de Duitse predikant en letterkundige Hoche, die Delfzijl in 1798 bezoekt. Hij schrijft naderhand:

“De haven lag vol schepen. We moesten ons er bijna doorheen wurmen. Vooreerst trokken een oorlogsschip en een groenlandsvaarder (…) mijn opmerkzaamheid. De haven is veilig en qua diepte van de vaargeul gemakkelijker te bereiken dan die van Emden.”

Delfzijl zelf noemt hij:

“…een klein en rein oord, nederig gebouwd in Hollandse smaak. De straten zijn breed, wèl geplaveid en goed verlicht. De haven is de inkomstenbron voor het grootste deel der inwoners. Zij zit nu echter bijna geheel verstopt, sinds de Nederlandse handel zozeer terneer ligt. “

Dominee Hoche noemt weer niet de vesting. Om eens te kijken hoe de vesting en de haven er in het algemeen afkomen in de al met al 25 aardrijkskundeboekjes en reisbeschrijvingen uit die tijd die Delfzijl noemen, heb ik twee kruistabelletjes gemaakt. Eerst maar even de vesting:

De vesting:

  Totaal aantal: Genoemd: Percentage: Positief : Percentage:
Voor 1725

4

3 75 % 1

33 %

1725-1749

4

4 100 % 2

50 %

1750-1774

4

4 100 % 1

25 %

1775-1799

13

12 92 % 2

17 %

Totaal

25

23 92 % 6

26 %

In  23 van de in totaal 25 geschriften  wordt bij Delfzijl de vesting genoemd (92 %). Slechts in 6 van die 23 gevallen gaat dat gepaard met een positieve waardering (26 % van de meldingen).  De bekendheid van de vesting is bij de schrijvers van geografische vademecums en reisboekjes dus hoog, wat niet zo is voor de waardering. Die lijkt na 1725 zelfs af te nemen

De haven:

  Totaal aantal: Genoemd: Percentage: Positief: Percentage:
Voor 1725

4

1 25 % 1

100 %

1725-1749

4

4 100 % 4

100 %

1750-1774

4

2 50 % 1

50 %

1775-1799

13

8 61 % 4

50 %

Totaal

25

15 60 % 10

67 %

De haven van Delfzijl blijkt wat minder bekend dan de vesting – ze wordt slechts in 15 van de 25 gevallen genoemd (60 %). In 10 van die 15 gevallen is de waardering echter positief (67 %). De waardering voor de haven is dus hoger dan die voor de vesting. Wel blijkt de waardering voor de haven in de tweede helft van der achttiende eeuw een stuk lager dan voorheen. Er is dus sprake van een achteruitgang in waardering.

Conclusies:

  • Delfzijl is als vesting in de achttiende eeuw bekender dan als haven.
  • De waardering voor de haven overtreft echter die voor de vesting
  • Het aantal positieve uitspraken over de vesting en de haven neemt in de loop van de achttiende eeuw af. Vooral bij de haven valt die achteruitgang in de waardering op.

 

 


De Paap en zijn Hond

Paaphond 1806 v

De Paap is een zandbank ten noorden van Delfzijl, waarvan ik zo’n idee heb dat hij met de Hond aan het wandelen is. Ooit lag de Hond een heul end van de Paap af, maar in 1807 althans, leken ze onafscheidelijk.

Ik zag dat de naam ook al op een kaart van 1736 voorkomt. Je vraagt je af wanneer de Paap voor ‘t eerst zo genoemd werd. Moet haast wel uit de tijd zijn dat het in Emden krioelde van de Nederlandse geuzen. Paap, zegt het WNT, is

“sedert de Hervorming dikwijls als schimpwoord opgevat en daarom bij de Roomschen in onbruik geraakt.”

De schippers die de Eems bevoeren, hadden zo hun reden om de zandbank zo te noemen. Als je op de Paap stuitte, was je gesjochten. Neem Roelf Jans in 1782. Zijn thuishaven was Delfzijl en je zou toch zeggen dat hij dan wel uit de buurt van de Paap zou blijven. Maar nee, hij verging er met man en muis:

“Delfzyl, den 18 Maart. Tusschen den 12 en 13 dezer is op de Paap verongelukt het schip van Roelf Jans van Delfzyl, die zyn ballast aldaar had ingenoomen. op welke 9 perzoonen geweest zyn, van welke men tot nog toe geene ontdekt heeft, dus allen zyn omgekomen. Het schip is ten eenemaal geheel verbryzeld, men kan het wrak by leeg water hier daaglyks zien….”

Dit gebeurde tijdens een zware zuidwesterstorm die omsloeg in een even zware noordwesterstorm. Het eerst zakkende water kwam in een half etmaal drie meter opzetten.  Wat de sterkste stijging van water in de hele achttiende eeuw was, althans in Amsterdam bij het IJ. In de Eems zal het niet anders geweest zijn.

Ook elders vergingen die nacht schepen:

“By Schevening is gisternagt een kist met plunje komen aandryyen; uit een daarin gevonden boekje sustineerd men dat dezelve yan een Zweedsch of Deensch vaartuig is…”


Bedreigde verlaatsmeester medeschuldig

“Op het ingediende request van Klaas Andries, verlaatsmeester bij het eerste verlaat te Hoogkerk, hoe Rem[on]s[tran]t de trekschuiten van Groningen na Strobos komende, bij het toestaan van het verlaat onder het schutten tot zijn leedweesen diverse maalen heeft ondervonden, dat sommige trekschippers gedurende het verrigten van zijn werk hem kwalijk met veele woorden bejegenen en somwijlen getragt hebben in het doorvaren van het verlaat met de leggende lijnen in het water te ligten. Remst. bedugt zijnde dat in de reeds begonnen en nog voorhanden zijnde donkeravonds hem diergelijke gevaaren zoude konnen overkomen, de vrijheid neemende zig tot UEd. Mog. te wenden met eerbiedig verzoek, teneinde Ued. Mog. remonstr. eene instructie gelieven te geven waarna zig gedragen, of te beveiligen van Remonst. zodanig ordres te stellen als UEd. Mog. na derzelver Hoge Wijsheid zullen vermeenen te behooren.

(onderstond)
Claas Andries

(was geapostill[eerd])

Na gehoord rapport der Heeren Gecomm[iteerden] hebben de Heeren Gedep[uteer]den verstaan dat gelijk de lijn niet zal mogen worden aangeslagen als nadat de schuit door de verlaaten zal zijn gepasseert, de trekschippers zowel als de suppl[ian]t zig in allen deelen tegens elkander naar behooren zullen gedragen, en van weerskanten met onderlinge geschiktheid en dienstvalligheid bejegenen, zonder eenig desordres of reden van klagten te geven, ofte dat bij faute van zulks tegens de overtreders strenger zal worden geprocedeert.

Act[um] Gron[ingen] in Coll[egio] den 30 jan[ua]rii 1786

/was geteek[end]:/
FF B[aron]Van In en Kniphuizen”

Met andere woorden: Klaas Andries, sluismeester van de eerste sluis bij Hoogkerk (nu op een plek even voorbij de suikerfabriek) had ruzie met sommige van de passerende trekschippers. Meermalen was hij uitgescholden, en ze hadden ook al eens geprobeerd om hem met een lijn beentje te lichten en zo in de plomp te werken. Vooral bij duister dreigde gevaar, daarom wilde hij graag een instructie hoe te handelen, of adequate maatregelen voor zijn veiligheid.

Waarschijnlijk ging de ruzie over het al in de sluis aanhaken, door de schippers, van een jaaglijn. Dat mocht pas als ze sluis uit waren, vond Gedeputeerde Staten – de schippers moesten de sluis dus bomend verlaten. Maar volgens GS was Klaas Andries zelf medeschuldig aan de gerezen problemen. Anders zou het college niet beide partijen hebben voorgehouden dat ze zich netjes tegen elkaar moesten gedragen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 549 (rekestboek GS).


Topstukken van het Damster stadsmuseum

Vanmiddag naar Delfzijl gefietst en onderweg het Museum Stad Appingerdam aangedaan. Ziehier een selectie van enkele topstukken.

Hoofdprijs van de vogel- of papegaaischieterij van 1546. De schutterskoning kreeg deze aan een lint of iets dergelijks om zijn hals:
a - 060
Gevelsteen om te herdenken dat abt Dico de Groninger in 1561 een nieuwe poort liet bouwen bij het plaatselijke Augustijner klooster:
b - 041
Publicatie waarmee het stadsbestuur de nieuwe tijdstippen voor de beide jaarmarkten bekend maakte (1658):
c - 058
Een waag voor het wegen van bijvoorbeeld boter:
d - 072
Portret door een Hauck van Alegonda van Sijsen (1750-1829), de vrouw van Campegius Hermannus Gockinga. Ze was de dochter van een Groninger burgemeester en haar man was eveneens een vooraanstaand bestuurder, onder meer als lid van de Nationale Vergadering, zeg maar het parlement van de Bataafse Republiek. Kennelijk werd in zulke kringen nog klederdracht gedragen:
e - 047
Etensbord met de konterfeitsels van Willem V en zijn gemalin Wilhelmina van Pruisen. Zij had de broek aan, maar haar borst lijkt uit haar decolleté te piepen:
f - 083
Houten schooltas, beschilderd:
g - 087
Hazewind, detail schilderij (waarvan ik de maker vergat te noteren):
h - 037


Het groene kerkhof was niet louter voor de armen

Laatst beweerde ik hier dat het groene kerkhof te Delfzijl voor de armsten bestemd was. Die bewering valt te controleren aan de hand van de Delfzijlster diaconierekening , zoals die vanaf 1777 bewaard is. De diaconie beurde namelijk 6 stuivers voor een graf op het groene kerkhof, terwijl de opbrengst van de begrafeniscollecte, ongeveer tegelijkertijd in de diaconierekening geboekt, iets zegt over de status van de overledene. In het open bekken, door de diaconie opgesteld bij een begrafenis, legde namelijk enerzijds de familie een ronde somma, zo groot als ze het aan haar stand verplicht vond, terwijl anderzijds de bezoekers van de begrafenis kleinere sommen gelds bijdroegen. Beide componenten samen vormen een prima indicatie voor de status en het aanzien van iemand in de lokale samenleving. Hoe hoger de stand en hoe meer bezoekers, hoe groter het gecollecteerde bedrag bij een begrafeniscollecte.

Omdat de status van vrouwen en kinderen een afgeleide was van die van mannen, over wie ook veel meer bekend is, besloot ik mijn steekproef op voorhand te beperken tot volwassen mannen met een eigen huishouden. Wat dat betreft is het begraafregister een betere bron dan het diaconieboek, omdat het meestal de nagelaten familierelaties noemt. Over de jaren 1777-1794 bevat het Delfzijlster begraafboek de namen van 128 van zulke mannen, die ik wat betreft de collecte-opbrengsten bij hun begrafenissen onderverdeelde in zeven groepen:

a 5 Opbrengsten bekkencollectes bij begrafenissen van 128 volweassen mannen in Delfzijl 1777-1724

Voor de onderste categorie, zeven mannen groot, staat er dus geen begrafeniscollecte-opbrengst genoteerd. Deze kleine groep bestond vooral uit katholieke militairen. Bij hun begrafenis collecteerde niet de hervormde diaconie van Delfzijl, maar liet die dat mogelijk over aan de katholieke gemeente van Appingedam.

Meer dan niets, maar minder dan een gulden was de opbrengst bij het gros van de armen. Verder treffen we in deze groep aan een soldaat, een knecht, een schippersknecht, matrozen en een trekarbeider. Deze groep vertegenwoordigt vooral de dienstbare stand.

In de groep waarbij het bekken na afloop van een begrafenis een tot drie gulden bevatte, zitten nog twee uitzonderlijke armen. Verder treffen we hierin veel kleine middenstand aan: een kleermaker, een timmerman, een smid, een tapper, een schipper, een bode, een administrateur en, qua garnizoen, een luitenant en een plaatsmajoor.

Tot de midden-middenstand , met drie tot zes gulden in het bekken, behoren een wedman (deurwaarder en ordehandhaver), een commies, een smid  met wellicht wat meer kapitaal en de schoolmeester.

Met zes tot tien gulden in het bekken behoren een commissaris van de trekschuiten, een schipper en een arts tot de hogere middenstand, terwijl een bakker, commies, burgerhopman en collector, een andere medisch doctor en een vestingcommandant met hun opbrengst van tien tot twintig gulden daar weer iets bovenuit stijgen.

Maar de echte elite van de Forteresse Delfzijl brengt meer dan twintig gulden op in het doodbekken. Deze bestaat onder meer uit een tweede hopman van het burgerregiment, drie volmachten/landdagcomparanten, een hervormde predikant en – waarschijnlijk – een grote koopman.

Nu het gebruik van het groene kerkhof. Bij al deze 128 mannen noteerde ik dus tevens, of er 6 stuivers waren betaald voor een graf op die laag-geklasseerde begraafplaats. Dit zijn de percentages voor elk van bovenstaande groepen:

a 5 Pervtage 6stuivers voor het groene kerkhof

Verrassend lage percentages zien we aan de onderkant van de grafiek. Dat komt doordat de diaconie in deze gevallen de zes stuivers voor het openen van een graf op het groene kerkhof meestal kwijtschold, zoals in enkele gevallen ook expliciet gemeld wordt. Maar een dergelijke kwijtscheldingsregeling gold niet meer voor de hogere strata. Van de kleine middenstand kreeg 71 % een graf op het groene kerkhof, van de midden-middenstand 37 %, van de hogere middenstand 60% (!) en van de sub-elite 37 %. Dat zijn toch considerabele percentages. Alleen bij de echte elite van Delfzijl was de animo om zonder steen onder de groene zoden te liggen gering. Toch bleek er ook hier een uitzondering te zijn: de koopman (?) Olpman Jans (1780).

De conclusie moet zijn dat er niet louter armen en minvermogenden uit de dienstbare stand op het groene kerkhof werden begraven. Ook veel middenstanders en zelfs mensen uit relatief aanzienlijke kringen vonden daar hun laatste rustplaats. Het zou kunnen zijn dat de nabestaanden hier een rol in speelden, begrafeniskosten (die hoger waren op het gevloerde kerkhof en in de kerk) verminderden immers de erfenis. Ik vermoed echter dat het vooral een keus van de overledenen zèlf was, waarbij naast zuinigheid, bijvoorbeeld calvinistische soberheid een rol kan hebben gespeeld.

Hoe dan ook was het groene kerkhof niet louter voor de armen bestemd. Ook meer gegoeden lieten zich er wel begraven.


Rondje Onlanden, Matsloot, Lagemeeden & Leegkerk

‘t Is net katoen:
055
Landschap met riet, boerderij en voetbrug. Hier hoorde je op vijf zes plekken een raar vogelgeluidje, dat klonk alsof teruggeduwde tandjes van een kam heel snel langs een duimnagel werden gehaald:
061
Kunst en natuur:
073
Bloesem:
076
Vanaf de Hooiweg in de verte de suikerfabriek. In deze omgeving vielen een stuk of wat roerdompen te horen:
079
Toevalstreffer:
089
Boom:
104
Het gemaaltje op de Matsloot is veranderd. Weet niet precies wat het is, maar het muurwerk lijkt vernieuwd. Ik weet niet of het er mooier op geworden is:
106
Stapels stenen op een boerenerf in Lagemeeden:
114
Kleurnuances:
115
Kerkhof Lagemeeden:
125
Boer stookt fik. (Eigenlijk kan de milieu-inspectie beter doordeweeks overdag vrij nemen,  want de overtredingen gebeuren ‘s avonds en in het weekend):
135
De voormalige pastorie van Leegkerk (en Hoogkerk) staat opeens naakt in de zon. Ze hebben er de boomsingel flink te grazen genomen, getuige ook de bergen houtsnippers op de voorgrond
141
Een voordeel is dat je zo mooi kunt zien dat er eind negentiende eeuw een voorhuis voor de nog boerderij-achtige weem is neergezet.  Dat voorhuis is slecht gefundeerd aan de voorzijde en zakt daar weg. Wat mij betreft mag het helemaal verdwijnen en herstelt men de weem in haar oudere gedaante.

Nog even de sterk ingenomen boomsingel (die dus wel zal herstellen):
145
Qua bomen blijft er in Leegkerk nog veel moois over:
149
Bye bye:
151


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 546 andere volgers