Delfzijl-Winschoten met de wind in de rug

Ik dacht dat het vanmiddag was, de presentatie van het boek van Albert Haan over de kerken van Woldendorp. Stond om even voor half drie voor de kerkdeur en geen teken van leven. Maar even bij de sleutelbewaarder langsgegaan, om te vragen of het misschien op een andere plaats was. Bleek dat ik me een maand vergist had. De presentatie is pas eind april.

Kwam er, voortgestuwd door de strakke noordwester wind in de rug, op de fiets vanaf station Delfzijl en heb me vanaf Woldendorp maar door de Reiderwolderpolder naar Finsterwolde laten blazen en vervolgens langs de Klinkerweg en de Blauwe Stad naar Winschoten. Het zonnetje kwam er net mooi door, maar de pet is me wel drie keer van de kop gewaaid.

Moet je ook maar niet zoveel opzij kijken. Onderweg gezien:

- Een remake van een oud waarschuwingsbord, havengebied Delfzijl:

Vraag me nu af of er wel een modern equivalent van is.

- Het door industrie omsingelde kerkje van Heveskes:

- Ganzen op een winterfourageringsstrook in de Reiderwolderpolder

- Sticker met het logo van een curieuze motorclub in Finsterwolde:

Vraag me af hoe de ontwerper van de Groninger vlag, die eveneens afkomstig was uit Finsterwolde, tegen die Duitse legerkruisvorm aangekeken zou hebben. Hij hield niet zo van Duitse soldaten, meen ik. Overigens heeft de motorclub een gedicht van Fieke Gosselaar op zijn site staan.


Fratersloot, Fraterland; Simonssloot, Simonsvenne

Toen in 1800 de Zuiderwatermolen van Hoogkerk gebouwd en de bijbehorende polder ingericht werd, liet het polderbestuur, “ter bekoming van een waterloop naar de molen” een dam weggraven tussen de landerijen van de weduwe Jacob Bolt. Haar percelen lagen ten zuiden van het Hoendiep, bij “de zogenaamde Fratersloot”. In plaats van de dam liet de weduwe Bolt een “batterij of brugje” leggen, maar blijkbaar stak het haar dat ze op kosten gejaagd was, want tien jaar later, in 1810 dus, kreeg ze alsnog 50 gulden schadevergoeding van het polderbestuur. Het bestuur en de weduwe Bolt spraken daarbij af dat de weduwe het bruggetje voortaan helemaal zelf “in een goeden bruikbaren staat” zou onderhouden, zonder ooit nog eens aanspraak te maken op een vergoeding door het polderbestuur.

Wat in het stuk over de eenmalige schadevergoeding intrigeert, is de naam Fratersloot. Waar lag deze waterloop, waar moeten we de dam en de het bruggetje van de weduwe Bolt situeren en waar komt dat Frater uit de naam vandaan?

De eerste stap tot het antwoord op deze vragen is de verhuur bij opbod, namens de weduwe Bolt, van in totaal 130 grazen land, welke verpachting plaatsvond op 21 april 1812 in een herberg te Hoogkerk. Een deel van de te verhuren percelen wei- en hooiland lag volgens de krantenadvertenties “ten zuiden van het Hoendiep, onder Hoogkerk, en om en by de Drentsche Laan”.(= Peizerweg). Omdat notaris Abresch uit Zuidhorn de verpachting registreerde, kunnen we bij diens acte te rade gaan voor een nadere plaatsbepaling. Van de eerste zeven percelen die onder de hamer kwamen, heet het dat ze deel uitmaakten “van het (zogenaamd) Fraterland”. Deze percelen lagen volgens de opgegeven perceelgrenzen in een lange strook tussen het Hoendiep en de Drentse Laan en de nummers 1, 2, 3, 4 en 7, die in het verlengde van elkaar lagen, hadden allemaal als westzwet de Fratersloot.

Gewapend met deze kennis kunnen we het digitale kadaster (oftewel Hisgis) in om te bepalen waar dit land in 1832 ligt. Via de kaartlaag eigenaren in Hisgis blijkt dat een koud kunstje. De erven Bolt hebben dan namelijk nog steeds de percelen Fraterland tussen het het Hoendiep en de Drentse Laan. Op het onderstaande kaartje heb ik, naast enkele omringende toponiemen ter oriëntatie, de zeven perceelnummers van de veiling uit 1812 aangebracht. De Fratersloot  voorzag ik van een heldere kleur blauw.

Inderdaad doorsneed de molentocht van de Zuidermolen de Fraterlanden van de familie Bolt, zoals op het volgende kaartje blijkt. De dam en het latere bruggetje zullen zich bevonden hebben op de plek waar de Molentocht licht versprong tussen enerzijds perceel 3 en anderzijds de percelen 4 en 5 (zie de pijl), midden in het land van de weduwe Bolt dus:

Kijken we nog weer eens naar de Fratersloot en omgeving op het eerste kaartje, dan blijkt deze watergang met de sloot langs de Wolvedijk de enige die in een rechte lijn van de Peizerweg naar het Hoendoep loopt. Bovendien valt op dat je aan de westkant van de Fratersloot een oostwest-georiënteerde Blockflur-verkaveling hebt, terwijl je aan de oostkant langwerpige, noordzuid-georiënteerde ontginningskavels aantreft. De laatste zijn over het algemeen een stuk jonger. Wellicht is een flink deel van die ontginningskavels tegelijkertijd in cultuur gebracht

Mogelijk gingen er meer percelen dan die van de familie Bolt door voor Fraterland, al durf ik niet gissen hoever dat land zich naar het oosten uitstrekte. De namen Fratersloot en Fraterland duiden erop, dat de grond hier ooit het bezit van het Frater- of Klerkenhuis is geweest. Dit was het onderkomen in de stad Groningen van de Broeders des Gemenen Levens, een geestelijke beweging ofwel semi-kloosterorde, die zich vooral bezighield met onderwijs. Het Fraterhuis in Groningen dateerde uit de jaren 1430. In 1517 kreeg het inderdaad 6 grazen land  in Hoogkerk, terwijl het op dat moment al 6 belendende grazen bezat. Mogelijk bezat of kreeg het nog meer, gezien de hoeveelheid Fraterland van de familie Bolt, later. In de oorkonde uit 1517 wordt gezegd dat het geschonken land in de Simonsvenne ligt, en daarmee komen we ook op een alternatieve naam van de Fratersloot, want die heet op een kaart van het Westerstadshamrik uit de 18e eeuw de Simonssloot, een benaming welke we eveneens tegenkomen in het proefschrift van Jan van den Broek (255, 366) voor de waterstaatkundige grens tussen het Westerstadshamrik en de Schepperij van Hoogkerk.

Met de naamgever Simon voor sloot en land hebben we mogelijk een nog oudere eigenaar dan de Fraters te pakken, misschien zelfs de man die det land hier ontgon of liet ontginnen. Maar het zou ook maar zo kunnen zijn dat Simon zelf een Frater was, zodat beide benamingen slaan op een en dezelfde laat-middeleeuwse figuur.

Sinds de tijd van Simon en de Fraters is er veel veranderd in de omgeving. Zo kwamen er de vloeivelden van de Groninger suikerfabriek en ligt er nu de Johan Van Zweedenlaan, die veel verkeer om Hoogkerk heenleidt. Een gedeelte van de Fratersloot en enkele percelen Fraterland zijn echter nog steeds in het overhoop gehaalde landschap zichtbaar. Aan de noordkant van de Peizerweg ligt een onooglijk, bijna dichtgegroeid slootje tussen het meest westelijke huis en een gemeentelijk trapveldje. Dat is hem, de Frater- of Simonssloot. Hij loopt in noordelijke richting door naar de vloeivelden, die het grootste deel van het Fraterland of de Simonsvenne hebben opgeslokt.

Bronnen:
- Archiefbewaarplaats Noorderzijlvest, archief waterschap De Verbetering, inv. nr. 56.
- Advertenties in de Groninger Courant van 10 en 14 april 1812.
- RHC Groninger Archieven, toegang 99 inv.nr. 8, acte notaris Abresch Zuidhorn d.d. 21 april 1812 (nr. 69).


Op een mistige ochtend naar Roden

Het gebeurt niet vaak dat ik om half acht al op pad ben, maar ik had vandaag met collega’s een ict-cursus in de Roder sterrenwacht en met het weer van de laatste dagen is de fiets dan de aantrekkelijkste vervoersoptie.

De damp sloeg de sloten en kanaaltjes uit, zoals hier bij het Omgelegde Eelderdiepje ter hoogte van het transferium Hoogkerk:

Zelfde lokatie, iets zuidelijker:

Langmadijk:

De Onlanden voorbij het Peizerdiep:

Bij Roderwolde:

Slootje, Foxwolde:

Weehorsterweg ten oosten van Roden, kijkrichting Oude Diepje:

Het bekende punt op de Weehorst:


Van Puinstad tot Tuinstad

Het was me nogal een eerbetoon aan Jan Tuin, eind maart 1965. Bij zijn afscheid kreeg de bescheiden, maar zeer geliefde burgemeester van Groningen in vier dagen tijd maar liefst drie dëfilé’s voor zijn kiezen: een van de politie (op de Vismarkt), een van de brandweer (op het Zuiderdiep) en een van duizenden Groningers en hun organisaties (op de Grote Markt). En dan betuigde de gemeenteraad in een apart belegde vergadering nog eens zijn waardering voor deze bestuurlijke spil van de Groninger wederopbouw. Geen fractie of ze had lovende woorden voor de scheidende stadhuisbaas, die weliswaar prominent lid van de PvdA was, maar zich in Groningen altijd boven de partijen had opgesteld.

De socialistische krant Het Vrije Volk wijdde een speciale huis-aan-huiseditie - ‘Van Puinstad naar Tuinstad’ – aan Tuins afscheid, en verspreidde deze uitgave in maar liefst 55.000 exemplaren in en om de stad  Ook het Nieuwsblad van het Noorden pakte uit. Zo wijdde de Groninger schrijver Jan Boer in deze krant een column vol loftuitingen aan Tuin. Aan het eind sprak Boer de verwachting uit, dat de Groningers deze burgemeester niet licht zouden vergeten.

Maar dat bleek nogal een misrekening. Voor Tuins afscheidscadeau hield men een collecte, die maar liefst 90.000 gulden opbracht.  Op aandrang van Tuin ging deze som het startkapitaal vormen voor een jongerencentrum, dat men naar hem het Jan Tuincentrum noemde. Na een tumultueuze periode met conflicten, geweld en drugs, raakte dit centrum in de jaren zeventig in zweverig vaarwater en uiteindelijk ging het als ‘De Tuin’ omstreeks 1990 definitief dicht. Waarmee de naam  van Jan Tuin qua gebouwde omgeving in de vergetelheid raakte, want een straat is er nooit naar hem genoemd..

De vergetelheid kwam nog in een ander opzicht. Terwijl Ter Laan in zijn oude Groninger Encyclopedie (1954) de hele carrière van Jan Tuin nog opsomde, zal in de Nieuwe Groninger Encyclopedie (1999, 2000) tevergeefs een lemma Jan Tuin zoeken. Wel bevat die laatste Encyclopedie allerlei efemeriden, in het verschijnjaar toevallig bekend van de regionale radio en tv, maar mensen als Tuin die als boegbeeld van een hele era kunnen gelden, werden er rücksichtlos door de redactie uitgesodemieterd.

Vanmiddag heb ik in verschillende bibliotheken en archieven gezocht naar ‘Van Puinstad naar Tuinstad’, de bovengenoemde huis aan-huiskrant van Het Vrije Volk. Ondanks de toenmalige oplage van 55.000 exemplaren is deze nergens meer te vinden. Ook in de HVV-leggers bij de Groninger Archieven zit hij niet. De titel levert evenmin hits op bij antiquarische websites als Boekwinkeltjes en Antiqbook. Hij lijkt van de aardbodem verdwenen.

Ware het niet dat ik hem een keer gezien heb bij een aangetrouwde neef van mijn vader. Dat exemplaar was afkomstig van zijn schoonmoeder, een zus van mijn opa. Van beide was Jan Tuin de neef.

De erfgenaam van mijn vaders neef heb ik vanavond maar eens gebeld, en hoogstwaarschijnlijk heeft hij ‘Van Puinstad naar Tuinstad’ bewaard. Ware er geen familietrots, dan kon de geschiedenis het wel schudden.


Rondje Tolbert

Boekenmarkt in de kerk van Den Horn, waar ik een paar Groningana op de kop tikte:

Berk met nogal veel groeistoornissen aan de Traansterweg:

Lam met koeientekening, op ‘t Kret:

De boerderij van Fredewalda in Tolbert heeft een nieuw dak:

Vond de thermometer van de binnengekomen giften daar niet zo hoog staan.


Het witte goud

Documentaire van Piet Hein van der Hoek (2011) over de chilisalpeter, een soort kunstmest uit Chili die vooral de Veenkoloniën goed deed, voor de oorlog:

Helaas is het filmpje verwijderd.


Ommetje Eelde, Donderen, Haren

Eelderwolde, deze jongens hadden zoveel lol dat die ene met fiets en al omviel:

Elsburger Onland:

Schapensiësta bij de Weeakkerweg, Eelde:

Geitenschuur, te zien vanaf De Drift:

Bunnerzandweg, een voor de baanverlenging gesneuvelde ANWB-paddestoel:

Een van de vijf woningen die voor de baanverlenging moest wijken:

Coulissen bij Donderen:

Keuterij achter Haren:


Ommetje Roden

Brug in de Bruilweering over het oude Eelderdiepje:

Door spechten te grazen genomen berk, vlakbij die brug:

Verzameling rood geverfde nestkasten in tuin te Roderwolde:

Om het ooievaarsnest in Roderwolde dongen drie eiberparen, dit is een van die stelletjes:

‘Bloeiende ‘pispotties’ (zoals ze vroeger in Havelte werden genoemd) aan de rand van het Roderwolder Kleibos:

Nog meer in bloei:

Op de Weehorst, Roden:

Zwarteweg, Roden:


Een nikstaart over Peizermade

Zoekend met de term ‘nikstaart’ in de krantenbank van de KB vind ik slechts zeven resultaten, waaronder een paar die slaan op het stukje land bij Glimmen. De mooiste melding echter, betreft een bericht dat zowel het Algemeen Handelsblad van 7 augustus, als De Tijd van 8 augustus 1891 haalde.  Beide kranten namen het over uit de Nieuwe Groninger Courant, die het op zijn beurt weer ontving van een correspondent in Peize:

“Tal van personen hebben hier Vrijdag jl. ongeveer halfzeven des avonds een eigenaardig luchtverschijnsel waargenomen. Van het noorden bewoog zich in oostelijke richting eene groote windhoos, die langzaam voortschoof en daarbij zich kronkelde als eene slang. De personen, die een half uurtje ten N.O. van ons dorp vóór op de Peizermade in het hooiland bezig waren, hebben van meer nabij met het angstwekkend natuurverschijnsel kennis gemaakt. De hoos maakte een geluid, alsof men uit een stoommachine den stoom liet ontsnappen, zweepte het water uit de Gouw en de „baggerpetten” in het Broek met kracht in de hoogte, joeg het hooi uit het „zwat” al dwarlend opwaarts tot in de boomen, nam eene wring (landhek) op en wierp die op korten afstand weer neder, rukte een „tuin- of vredigingpaal” (een paal uit do omheiniog van het land) ter dikte van een arm uit den grond en smeet dien op ongeveer 50 M. afstand neer, en scheurde zelfs onder een geweldig gekraak een der stevig bevestigde „zwaarden” (schuine latten of planken) van eene nieuwe wring af. Paarden en koeien stoven verschrikt door het land, en verscheidene menschen vluchtten in de naastbijzijnde boerenwoning. Een maaier, die in eenen hooiopper lag te rusten, zag ook het vreemde verschijnsel, hier algemeen „nikstaart” genoemd, naderen en besloot eerst te blijven liggen. Weldra veranderde hij echter van besluit. In allerijl staat hij op, neemt jas en vest, die naast hem liggen, op, en gaat de hoos uit den weg, zijne zeis en zijn etensaker met een lepel er in latende liggen. Onmiddellijk daarna wordt de zeis opgenomen, doch spoedig weer losgelaten; de aker echter verdwijnt voor zijne oogen. Het deksel en de lepel zijn teruggevonden, de aker is nog zoek. lemand, die op 10 min. afstands zich bevond, had die hoog in de lucht zien blinken.
Er zijn hier in de laatste dagen meer hoozen waargenomen; geene echter heeft zich zoo duchtig doen gevoelen als die van Vrijdag avond. Ook had geene zulke reusachtige afmetingen.”

Het Drentse woord nikstaart was dus tot op de grens van Groningen bekend.


Petretten van dag

Verkeersbegeleiders of slagboombedieners:

Filmer:

Zangeres:

Toehoorster:

Programmalezeres:

Toehoorder:

Theatermakers:

Dichter:

Zie ook die van vorig jaar.


Het patent van watermulder Wierts

Nog zo’n archivalische zeldzaamheid: een patent voor het mogen uitoefenen van een beroep, in dit geval anno 1809 verstrekt door de rechter van het Westerkwartier, die hierbij optrad als plaatsvervanger van een (afwezig) gemeentebestuur.
 
Ik dacht altijd dat die patenten puur geld uit de zakklopperij waren van een overheid die permanent verlegen zat om geld voor haar vele oorlogen, maar uit de zinsneden a) dat er geen redenen waren om het patent niet te verlenen en b) dat de vergunninghouder zich aan de wet moest houden, kan je afleiden dat de verlening niet helemaal een routineuze formaliteit was. Afgaande op zulke passages kon een overheid immers ook een patent weigeren en iemand zo een beroepsverbod opleggen, een tamelijk geschikt middel om het gros van de mensen hun mond te laten houden.
 
Het afgebeelde patent werd uitgegeven aan Abel Wierts, ook wel geschreven als Wyrts, Wijrts en Wiertsema. Volgens het stuk was hij “houder van een watermolen” in Hoogkerk. Het ging om de Zuiderwatermolen en hoewel je zou kunnen denken dat Abel deze molen in eigendom had, was hij toch echt in loondienst. Dat blijkt ook wel uit het feit dat dit patent zich in het polderarchief bevindt: de door de ingelanden aangestelde volmachten betaalden kennelijk de 14 stuivers die het patent kostte voor hun molenaar.
 
Abel kwam in het najaar van 1807 bij hun in dienst voor een “maalloon” van een rijksdaalder per week, wat neerkwam op 140 gulden per jaar,  Daar kon iemand van leven, al was het geen vetpot. Maar Abel woonde gratis in het huis bij de molen, en verdiende wat extra bij als er een molenmaker en diens werkvolk onderhoud pleegden aan de molen, want  die logeerden dan meestal bij hem tegen een kostgeld dat de volmachten eveneens betaalden. Ik kan me voorstellen dat Abel ook wel eens anderen logies verschafte. Bovendien zal hij een moestuin op het erf hebben gehad, en mocht hij wellicht een visfuik in de molentochtsloot zetten, zodat hij al met al wat beter af was  dan de armste arbeider.


 
Bronnen: Archiefbewaarplaats waterschap Noorderzijlvest, archief waterschap De Verbetering, inv. nrs. 40 (kwitanties Zuidermolenpolder), 37 (kasboek Zuidermolenpolder) en 1 (‘Prothocol der participanten van de watermolen tusschen de Onlanze dijk en het trekpad buiten der A poort’).


Wie het kleine niet acht, mist verhalen


Rekening van de zeilmaker J. Brands voor de volmachten van de watermolen “Bij heideweers”, ca. 1809.

Met dat Heideweers wordt bedoeld: Eiteweert, waar de Zuiderwatermolen van Hoogkerk tamelijk dichtbij stond. Stel nu dat we die echte naam Eiteweerd nooit overgeleverd hadden gekregen en alleen zouden weten van de verbastering Heideweers. Dan zag ook de verklaring van het toponiem er heel anders uit. Dan zou er gewezen worden op de heide, die hier in de buurt inderdaad aanwezig was, en ‘weer’ als strook land of als rijshouten visschutting. Op de herberg met overzet hier zou niemand komen.

Brands verstelde vier molenzeilen met negen el oud doek en drie el iets duurdere lapdoek. Ongetwijfeld was het effect dat de zeilen er ook opgelapt uitzagen. In onze tijd zie je zulke molenzeilen niet meer.

De eerste vier bedragen – voor doek, garen, lijn en naalden - waren in stuivers, het laatste, voor arbeidsloon, in guldens. Tel je nu die 47 stuivers van de eerste posten en de 6 gulden van de laatste op, dan kom je op 8 gulden en 7 stuivers in plaats van de 13 gulden en 11 stuivers als eindbedrag op de rekening. Kon de zeilmaker niet rekenen? Nee, dat was het niet zoals uit het controlesommetje door de boekhouder van de watermolen, linksonder op de nota, blijkt. Van de ellewaren schreef de zeilmaker de prijs per el op, niet de totaalbedragen.  Wat zeker geen usance was in deze tijd. Brands had beslist niet lang doorgeleerd, maar dat blijkt ook wel uit zijn ‘langzame’ handschrift. Je ziet bijna hoe hij zijn best doet, ‘s avonds bij wat spaarzaam kaarslicht, met het puntje van zijn tong buiten de mond.

En zo kan je dan allerlei bijzonderheden ontdekken aan een tamelijk onbeduidend stukje papier. Tegenwoordig wordt dit soort rekeningetjes bijna altijd weggegooid bij het verwerken an archieven. Dat is voorschrift. Begin jaren zeventig is dat zelfs eens bijna gebeurd met de bijlagen bij de Groninger stadsrekeningen uit de 17e en 18e eeuw. Dat zulke notaatjes  bewaard zijn in het archief van waterschap ‘De Verbetering’, zoals dat berust bij het Noorderzijlvest, mag daarom een klein wonder heten en is een compliment aan de waterschapsarchivarissen waard.


De watermolens van Hoogkerk (1812)

Hoogkerk telde in 1812 maar liefst 19 watermolens. De twee grootste waren collectieve die aanzienlijke gebieden ten noorden en ten zuiden van het Hoendiep drooghielden, elk ruim 2000 grazen groot (een gras is iets meer dan 0,4 hectare). Dan had je nog een kleinere collectieve van de Zwitsers-doopsgezinde familie Leutscher (200 grazen) en verder waren het allemaal particuliere molentjes die poldertjes van 10 tot 123 grazen bemaalden, waarschijnlijk steeds het land van een enkele boerderij.  Omdat de originele lijst niet naar adres, maar in willekeurige volgorde lijkt te zijn opgemaakt, heb ik die hieronder maar even gesorteerd op de grastallen, dus de grootte van de bediende arealen:

10   – Gertrude (= Geertruid) Franke
24   – Albert Hindriks Klein
25   – erven Thys Martens
29   – Albert Gerrits Oosterling
30   – Thies Thiesen Veenhuizen
42   – wed. Jacob Jans Jager
44   – wed Barteld Harms Staal
50   – Jan Gerrits Anken
50   – Luitje Willems Dijkhuis
68   – wed. Jacob Duurts Diepinga
70   – Klaas Cornelis Geertsema
72   – Jan Matthies Veenhuizen
80   – Gerrit Klaasen Huisinga
89   – Hermannus Pieters
100 – Pieter Cristiaans Gerber
123 – Albert Hindriks Hoiting
200 – Jannes Izaacs Leutscher in comp.
2286 – Eigenaars ten zuiden van het Hoendiep
2471 – Eigenaars ten noorden van het Hoendiep

Van beide grootste watermolens zijn de lokaties nog zichtbaar. Die van het Hoendiep noordzijde, doorgaans de Noorderwatermolen genaamd, stond aan de oostkant van het Aduarderdiep, daar waar je halverwege Vierverlaten en Nieuwbrug op de westoever van het Aduarderdiep een bosje met een inrit hebt.  Vanaf de molenlokatie loopt de molentocht nog steeds naar het oosten.  De molentocht van de Zuiderwatermolen, de zogenaamde Avondsloot, bestaat nog ten zuiden van de Gabriëlflat. De lokatie van deze molen zelf is tegenwoordig aan de andere kant van de A7, temidden van de vloeivelden van de suikerfabriek.

Bron: RHC Groninger Archieven, archief van de voormalige gemeente Hoogkerk (toegang 1493)  inv. nr. 1527: Staat windmolens 1812 (in het Frans). Deze staat negeert de korenmolen(s), en noemt verder alleen een houtzaagmolen.

NB: Een jongere watermolen is De jonge Held.


Rondje Ezinge

Aduarderdiep bij Nieuwbrug:

Een Belgische Chevrolet voor Café Nieuwklap:

Een erfopruiming tussen Den Ham en Saaksum:

Feerwerd, waar de molen weer in vol ornaat is:


Ravage aan de Eekhoornstraat

De afgelopen dagen was de Eekhoornstraat achter Eelde gesloten voor verkeer. Wegens de baanverlenging van het vliegveld worden alle bomen in de omgeving gekapt. Dat moest nog even snel voor het broedseizoen gebeuren, anders kregen ze weer juridische procedures en uitstel. Eekhoorns zal je hier dus ook niet meer zien. Maar kijkers waren er volop, het was er nog nooit zo druk als vandaag.

En dat voor een kale boel:


Ze waren nog steeds bezig met het versnipperen van hout:

Je hoort mij niet zeggen dat het landschap hier fantastisch fraai was, maar een aardig laantje had je hier toch wel:

Aan de zijwegen vind ik het erger.  Daar viel meer aan te beleven:

Wat er van de Bunnerzandweg over is:

Restant boomhut:

Alles moet weg, er verdwijnen ook nog vijf huizen die meest al leeg staan. Opgeruimde afrastering:


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 434 other followers