Rondje Tolbert

Aduarderdiepsterweg:

Merkwaardig pluimvee in de berm:

Boerderij bij Den  Horn:

Tamelijk jong veulen:

Tuin tussen Den Horn en Enumatil:

Achter Tolbert:

Geen hinderlaag, de jongens schieten op een doel aan de andere kant van het veldje:

Daslook aan de voet van het viaduct tussen Lettelbert en Oostwold:


Kabbeldekabbeldekabbeldekabbel

Murmelend beekje in de Onlanden. Voor al degenen die vanwege het Koninginnedagkabaal wel toe zijn aan iets rustgevends:

Nu een eindje verderop, met jodelende wulp na een minuut. Helaas weinig andere vogels, daarvoor was ik waarschijnlijk iets te laat (half tien).

Toen ik de boel weer inpakte begonnen er een paar leeuwerikken of graspiepers te zingen…


Crazy Queensnight in de maak

De voorbereidingen voor de Crazy Queensnight op de Westerhaven waren vanmiddag in volle gang.

De sponsoren maakten goeie sier met prinses Maxima. wier konterfeitsel uiteraard werd vervaardigd op basis van een door de Rijksvoorlichtingsdienst verstrekt model:

Je kunt er vanavond poseren met het kroonprinselijk paar, terwijl Agent 327 de boel in de gaten houdt:

Hare Majesteit de Koningin zag dat het goed was:


De fresco’s van Woldendorp

Gister bij de presentatie van Geschiedenis Woldendorper kerken, het boek van Albert Haan, uiteraard ook even naar boven gekeken, want op de gewelven van de hervormde kerk van Woldendorp zitten schilderingen uit de 13e, 14e eeuw. Deze kwamen tevoorschijn toen het kapotgeschoten en uitgebrande godshuis na de oorlog gerestaureerd werd.

Christus als heerser, met de symbolen voor de vier evangelisten om hem heen:

Koningsfiguur:

Maria met kind:

Krijger met kletsie, behorend tot een voorstelling van de strijd tussen Goed en Kwaad:

(Eenzelfde voorstelling, maar dan wat beter uit de verf komend, heb je ook in de kerk van Westerwijtwerd.)


Maai- en hooitijd in de Onlanden (1912)

Een eeuw geleden stond de waarschijnlijk uit Hoogkerk afkomstige Vredewoldius uitvoerig stil bij de economie van de lage madelanden ten noorden van Roderwolde en Sandebuur die we tegenwoordig de Onlanden plegen te noemen.  Hij deed dat  in een aflevering uit zijn serie over  het Vredewold en omgeving, die helaas nooit als boek is uitgegeven.  Omdat het stuk zo buitengewoon informatief is, laat ik het vrijwel integraal volgen met een paar aanvullingen.

“”De bodem bestaat hier voornamelijk uit laagveen van een aanzienlijke dikte, ten deele ook uilt moerasveen en is week en moerassig. Sommige stukken land hebben nog zoogenaamde drijftillen. Op die plaatsen kan men niet met paard en wagen verkeeren zonder gevaar te loopen van in de diepte te verzinken met een uiterst geringe kans om ooit weer boven te komen, want de zode sluit zich van boven terstond weer aaneen. Die lage landen zijn natuurlijk onbewoond en dienen alleen voor het winnen van hooi, enkele ook voor weiland. Door er een laagje klei over te brengen heeft men de kwaliteit van het gras van vele stukken verbeterd; voor een kwart eeuw leverden deze landerijen alleen het zoogenaamde ‘blauwgras‘ wat voor veevoer niet aan te bevelen is zonder krachtvoeder, omdat wegens gebrek aan phosphorzure kalk in dat gras en hooi de dieren een ziekte krijgen, die beenverweeking heet. Voor ettelijke jaren bad men van deze ziekte, die zich vooral in het voorjaar tegen het kalven der koeien openbaarde, veel last; omdat de meeste landbouwers niet met de zaak op de hoogte waren; tegenwoordig, nu er beter en oordeelkundiger gevoederd wordt en het hooi van de lage landen door dat overkleien verbeterd is, hoort men er niet zooveel meer van.

”De hooilanden van Roderwolde’ zijn in handen van verschillende eigenaars, die soms ver weg wonen en die ze vroeger meestal voor een appel of een ei hebben gekregen; maar die er thans ontzettende winsten mee maken, ofwel ze behooren tot de kerkelijke goederen van de omliggende Hervormde gemeenten. De eigenaars verkoopen het ‘topgras’ op publieke verkoopingen die te Roden en Roderwolde worden gehouden. Zoo’n topgrasverkooping is een gewichtige zaak voor de boeren uit den omtrek, omdat zij er zich van hooi moeten voorzien voor hun vee. Als een eigenaardigheid van de topgrasverkooping te Roderwolde, die de voornaamste is van alle verkoopingen van dien aard en die dan ook met den naam ‘groote’ wordt betiteld, moet vermeld worden, dat eenigen tijd voor het begin der veiling de torenklok wordt geluid om zoodoende aan de personen, die ergens in het hooiland omzwerven om de verschillende perceelen, waarop zij wel oog hebben, te bekijken, gelegenheid te geven om op tijd te komen.

Als het maai- en hooitijd is, wordt de anders eenzame vlakte plotseling een tooneel van groote bedrijvigheid en gezellige drukte. Van heinde en verre komen de maaiers en hooiers opdagen om hunne werkzaamheden te verrichten. Dan slaan ze hier en daar witte linnen tenten op; want ook des nachts blijven de mannen in het hooiland om toch vooral maar geen lijd verloren te laten gaan. Ze slapen in den korten zomernacht enkele uren onder die linnen tenten, ook kruipen ze soms in de reeds gereedstaande hooioppers. Maar al lang voor zonsopgang

Slaat de maaier al weer reede,
Om met zijn zeisen, scherp van snede,
Door ‘t gras te gaan. ‘t welk versch geveld,
Een rozengeur spreidt over ‘t veld.

Zoo’n rozengeur is dat nu eigenlijk nlet, zooals de dichter er van maakt, maar lekker ruikt het pasgemaaide gras toch wel. Maar daar moet men eigenlijk boer voor wezen! Natuurlijk wordt het benoodigde proviand voor al de dagen, die men in die ruime wereld moet doorbrengen, van huis meegenomen: stoet, eieren, pannekoeken en ‘soepenbrij’, het laatste vooral in ruime hoeveelheid omdal het niet zuur wordt, wijl het dit reeds is, en dus veel langer goed blijft dan de pannekoeken. die al gauw een zuur smaakje krijgen, vooral bij warm weder. Duurt hel werk langer dan men verwacht had, dan wordt de eetvoorraad door een afgezant weer aangevuld uit huis.

Indien het weer meewerkt, d.w.z. als de drie factoren warmte, zonneschijn en wind voldoende aanwezig zijn, is de geheele campagne in een 14 dagen afgeloopen. Van heinde en verre komen schippers om het hooi naar. de boerderijen te vervoeren, Daarna blijft de nu kale grasvlakte in treurige eenzaamheid achter, al haar tooi van gras en bloemen is verdwenen. Maar als het regent in den hooitijd, gebeurt er dagen soms niets. Dan zijn de boeren niet best te spreken, dat is gemakkelijk te begrijpen, want meermalen krijgen ze dan het dure hooi half bedorven te huis.”"

Bron: Vredewoldius – Uit Vredewold en omgeving XXX, Nieuwsblad van het Noorden 23 november 1912.

Aantekeningen:

Uit een bericht over de topgrasverkopingen de dato 26 juni 1912 blijkt, dat de madelanden ook dan al steeds meer drooggelegd worden. Daardoor verschuift de hooitijd van juli naar juni. Ook worden gronden dichtbij vaarwater (Peizerdiep, Leekstermeer, Matsloot) vaak voorzien van een laag terpaarde, terwijl meer afgelegen stukken het moeten doen met kunstmest. Op die manier valt de opbrengst aan hooi steeds groter uit en kunnen de boeren meer vee aanhouden.

Een voorbeeld van het kamperen op of bij hooiland tijdens de hooitijd komt uit Zevenhuizen. De boer Lammert Slofstra die zijn bouwland omzette in weiland, maar toen te weinig voer had voor zijn groeiende veestapel, pachtte er “bij Hoogkerk”, op twintig kilometer vanaf zijn boerderij, hooiland bij. “Bij Hoogkerk kampeert het hele gezin in juli dan twee weken in een tent op het land om te hooien. Ze nemen proviand en turf mee, koken in een eenvoudige pot en werken hard. Kinderen herinneren zich dat hooien als een feestelijk gebeuren”, aldus een historisch stukje op een dorpswebsite van Zevenhuizen.


Onlands rondje

Pril groenende bomen rond de verlaten boerenplaats bij de A7:

Prakkizerende ooievaar:

Aan de westkant van het Omgelegde Eelderdiep:

Compositie met boerderij en bijgebouwen:

Bij de boerderij kwam een oude baas in zijn auto aangereden, die me vroeg hoe de stroompjes in het gebied heetten. We raakten aan de praat, hij bleek fabrikant van exclusieve donzen dekbedden geweest te zijn. Het grootste dekbed dat hij ooit maakte was 6 bij 2 meter. Daar sliepen een man en zijn twee vrouwen onder. Hij haastte zich erbij te zeggen dat hij ook wel eens een vrouw en twee mannen als klant gehad had. Maar die hoefden een minder groot dekbed.


De Onlanden voor 1930

“Het is nog niet zoo lange jaren geleden, toen algemeen de opvatting heerschte, dat het geen kwaad kon, zelfs eerder voordeelig was, dat de madelanden ‘s winters een tijdlang onder water stonden. Het water laat steeds vaste stoffen achter en bepaalde soorten natuurgras groeien alleen op een vochtigen bodem en de kwantiteit vergoedde wat de kwaliteit had ingeboet. De maden waren grootendeels in eigendom bij groot-grondbezitters, die het grasgewas verpachtten en de exploitatie bracht geen werk mee, omdat niet gemest werd, zoodat het eene jaar meer, het andere minder, toch als regel nog een behoorlijke rente werd gemaakt van het in die madelanden belegde kapitaal.”

Aldus een bericht in het Nieuwsblad van het Noorden d.d. 20 januari 1932, dat de drooglegging van 3000 hectare Eelder- en Peizermaden en Matslootlanden aankondigde. Ongetwijfeld is die operatie ten koste gegaan van de watervogels en steltlopers die Vredewoldius er in 1912 nog zag. Nu het water ‘s winters weer terugkeert, zal Vogeltjesland ook terugkomen, is de gedachte. En dat zal ook wel, we zien er de eerste bizarre voorbeelden van, maar gaat men de nieuwe madelanden ook na het broedseizoen maaien, zoals vroeger het geval was? Juist dat maaien geeft bepaalde planten waarschijnlijk een kans. Het voorkomt wellicht een monocultuur van pitrus of lange grassoorten waar bepaalde vogels zich niet thuis bij voelen. Maar dat maaien kost ook weer geld, dat er steeds minder is.


Middeleeuwse raaimethodiek

De westgrens van het Groninger stadsterritoir kende vroeger twee stukken die samen een rechte lijn vormden. Deze grensgedeelten liepen over de Wolvedijk (nu het haakse en doodlopende stuk Peizerweg bij het terrein van de voormalige Groninger suikerfabriek) en parallel aan de Campinglaan ‘achter’ het Stadspark.

Als je beide stukken doortrekt, kom je in het zuiden bij de kerk van Eelde uit en in het noorden bij de kerk van Dorkwerd. Deze hebben duidelijk een rol gespeeld als oriëntatiepunten, toen, uiterlijk in de 13e eeuw, een omvangrijke strook riet-, broek- en woldland verdeeld werd tussen enerzijds die van Groningen, en anderzijds die van Eelde en Hoogkerk. Dat de Drenten naderhand een rechthoekig stuk aan de zuidkant van de Drentse Laan afstonden aan die van Groningen, waardoor die lijn onderbroken raakte, doet hier niets aan af.

De kerken van Eelde en Dorkwerd liggen hemelsbreed zo’n dertien kilometer uit elkaar. Jan van den Broek, die het raaien op deze kerken ontdekte, veronderstelt in zijn dissertatie dat de primitieve landmeters die het land verdeelden, op een plaats in het midden van die afstand zijn gaan staan, namelijk op de knik in de Drentse Laan/Peizerweg en dat ze toen hebben gekeken naar beide kerken.

Destijds zal het gezichtsveld inderdaad veel  ruimer geweest zijn dan nu. Maar zo ruim dat je vanaf dat punt beide kerken kon zien liggen? Die kerken waren nog erg klein en hadden waarschijnlijk ook nog geen torens. Bovendien zullen er in deze vochtige streek toch ook wel vochtminnende bomen als elzen, wilgen en essen hebben gestaan. Misschien niet veel, maar dan toch genoeg om het zicht op kerkjes die er op 6 à 7 kilometer afstand stonden, danig te belemmeren, zoniet geheel te ontnemen.

Tijdens een cursus van Jan, waarbij het raaien in ontginningsgebied ter sprake kwam, opperde ik deze bedenking. Maar hij bleek niet voor één gat te vangen en kwam met de suggestie dat het raaien op oriëntatiepunten ook mogelijk was door op die lokaties vuren te ontsteken. Inderdaad kan het best eens zo gegaan zijn. Ik denk dat zulke vuren dan wel aan twee voorwaarden moesten voldoen. Ze moesten a) veel rook geven en konden b) het best ontstoken worden bij windstil weer, zodat die rook, voor een zo secuur mogelijk raairesultaat, recht omhoog ging.

Windstil weer heb je vooral in de zomer, tevens de tijd dat zo’n rietmoeras er relatief droog bij lag. Ik zie nu mensen namens de diverse partijen in de weer met het afzwetten van dat moeras. Heel in de verte stijgt bij Eelde een rookpluim de lucht in, en aan de andere kant heb je precies zo’n pluim bij Dorkwerd. Zo zou het inderdaad wel eens gegaan kunnen zijn. Ik vind het een bevredigend beeld, waar ik meer geloof aan hecht dan aan het raaien op die kerkjes alleen.

Bron: Jan van den Broek – Een stad apart (Groningen 2007) 233, 258, 269-270.


De Onner Vogelweide

Na de Münsterse inval van 1672 lagen de moestuinen van het Burgerweeshuis buiten de zuidwal van de stad Groningen zo’n twee jaar lang braak. “De voorgeschr[even] Tuinlanden door den Vijandt geruïneert zijnde, hebben in ‘t jaar 1673 voor vogelweide gelegen, alsoo van niemandt gebruickt zijn…”, lees je dan in de rekening van het weeshuis.

Volgens het WNT (I, II) staat dat ‘vogelweide’ voor onbebouwd, braakliggend, verwaarloosd en verwilderd land vol onkruid. Ik krijg er persoonlijk warme associaties bij van welig tierende  fladderaars en fluiters, maar voor degenen die de term bezigden hield hij weinig positiefs in. Het land rendeerde immers niet.

Wat ik me afvroeg, is of de term ook nog tot toponiem promoveerde. Het antwoord is ja, want  voor de oorlog bestond er een Vogelweide in Onnen, zoals blijkt uit een stuk of wat advertenties in het Nieuwsblad van het Noorden:

  • Bij een verpachting in 1913 gaat het om weiland bij het Biksland, waar het mee verbonden kan zijn, terwijl het ook los verhuurd kan worden.
  • Bij een veiling 1927 betreft het groenland naast het Biksland, tussen (het meertje) De Biks en de Noorder Zanddijk, waarmee de Noorderhooidijk bedoeld zal zijn. Groot is het niet, slechts 15.70 are.
  • En bij verhuringen in 1929, 1930 en 1936 kwam steeds een mat (perceel) Nijstuk aan de Biks onder de hamer met daaraan verbonden Vogelweide. Samen ging het om 60 are.

De veldnaam Vogelweide werd dus gebezigd ter aanduiding van kleine percelen tussen de Biks en de Noorderhooidijk, die verbonden konden zijn aan andere percelen als een Nijstuk of het Biksland. Door dat verbonden zijn krijg je de indruk dat het gaat om recent op de Biks gewonnen land, waarschijnlijk voormalig rietland. Op de foto hierboven noteerde ik de namen.

Vogelweide kwam ik in Onnen niet eerder als toponiem tegen. Op de veldnamenkaart die G. Smit in 1973 voor Driemaandelijkse Bladen tekende, ontbreekt de naam. Ik vermoed dat die bij het toenmalige veldonderzoek niet naar voren kwam. Waarschijnlijk raakte ze tussen ca. 1940 en ca. 1970 in vergetelheid juist door de verbinding met de stukken land, die eerder op de Biks waren veroverd.

Naschrift 25 april 2012:

De veldnamenonderzoeker Wieringa liet in het Groninger gedeelte van zijn verzameling geen kaart na van dit gebied onder Onnen. Gezien het feit dat Driemaandelijkse Bladen een uitgave was van het Nedersaksisch Instituut, zal Smit in 1973 ook Wieringa geraadpleegd hebben. Wel zit er bij het nagelaten materiaal van Wieringa een alfabetische lijst, waarop Vogelweide als veldnaam staat, met een verwijzing naar Jan Naarding. Die schreef inderdaad een artikel over de veldnamen van Onnen (1953), maar daarin staat nou juist niet de naam Vogelweide. In het andere materiaal van Wieringa schittert de naam Vogelweide onder Onnen door afwezigheid. Kennelijk noteerde Wieringa de naam niet uit de mond van de door hem geraadpleegde lokale zegslui, en viel de naam hem ook niet op in contemporaine vastgoedadvertenties. Mijn conclusie blijft daarom, dat de naam in vegetelheid is geraakt door het in cultuur brengen van het land, waarbij dat werd samengevoegd met stukken die eerder ontgonnen werden.


Vier maal het laantje

(Langmadijk)


Verzamelbeurs Hoogkerk

Met een bon uit de Westerkrant kon je gratis naar de Verzamelbeurs in de sporthal van Hoogkerk. Die staat hier vlakbij, tussen de buien door daar dus even naar toe.

Ik denk dat het aantal aanbieders en het aantal belangstellenden elkaar vrijwel in evenwicht hield:

De ansichtkaart met de olijke matroos die vertelde dat hij niet eerlijk aan zijn dikke sigaar gekomen was, kostte maar liefst 6 euro:

Bak met munten. Ongeveer in het midden een van de DDR, een mooi verzameldomein vanwege de eindigheid en daarmee het compleet kunnen krijgen:

Bij de kramen vooral wat oudere mannen:

Bankbiljet met Tito:

Postzegelalbum:

Op zoek naar die ene munt die nog in de collectie ontbreekt:

Bij een kraam met suikerzakjes sprak ik met een man uit Nieuwe Pekela die er naar eigen zeggen 60.000 heeft. Hij woonde als jongen in de stad Groningen en vertelde dat ze daar bij de Fries-Groningse suikerfabriek een eigen drukkerij hadden, waar de suikerzakjes in lange stroken van een drukpers rolden.  De plaatjes werden verzorgd door tekenaars en grafisch ontwerpers uit de stad, de cliché’s ervan kwamen van de Noord-Nederlandse Clichéfabriek aan de Blekerstraat. Een horeca-bedrijf moest minimaal 1000 zakjes afnemen, speciale vertegenwoordigers gingen ermee de boer op. De Fries-Groningse had vooral klanten ten noorden van de IJssel, maar Van Oordt uit Rotterdam bewerkte het hele land:

Ben thuisgekomen met twee ansichtkaartjes van Havelte die ik nog niet had, waaronder een van voor de oorlog.


‘Moderne gas- en electrische ornamenten’

Enigszins opgekalefaterd Jugendstil briefhoofd uit 1909, bewaard gebleven in een collectie briefhoofden bij het RHC Groninger Archieven. Wat mensen als modern zien is erg tijdgebonden.


Beteuterde tudehoane

Bij de opgang naar de Laan 1940-1945, op de grens van het Stadspark en Laanhuizen, vind je deze graffiti. Er is nog zo’n haan een eindje verderop, bij de spoorwegovergang Peizerweg, maar die bij de snelweg is mooier. Aangezien beide lokaties zich vrij dicht bij elkaar bevinden en voorbeelden uit de rest van de stad ontbreken, zullen de makers vast uit de buurt komen, of er naar school gaan.


Rooie Harm

Van Klaas Haan uit Heiligerlee kreeg ik net een aardig overzichtje van heel verre (aangetrouwde) familieleden van me, voornamelijk woonachtig in ‘t Kloosterholt. Er zitten bijzondere figuren bij:

“Jeltje Perton was getrouwd met “rooie” Harm Bloksma (zoon van de eerste uurwerkmaker bij Van Bergen in Heiligerlee). Hij was een beruchte staker op de steenfabriek en droeg altijd een “lange” geweer, waarmee hij tijdens stakingen op de marechaussee schoot (die beveiligden de stakingsbrekers).”

De huwelijksacte van dit echtpaar.


Kwartetten met CP

Drie maal is scheepsrecht, ik heb het nu ook: het C.P.-kwartetspel.

De eerste keer dat ik het aangeboden kreeg, was in 2008. Iemand uit Amsterdam vond een van mijn logjes over Ranja, en vroeg me of het spel misschien iets voor het Groninger stadsarchief  was. Ze had geen idee wat wat er voor kon vragen. Ooit had ze een oud reclamebordspel verkocht aan Unilever en kreeg daar toen 75 euro voor. Ik schreef terug dat ik niet zoveel betalen kon als Unilever, maar dat ik er wel 20 euro voor over had.  Ze bleek echter in onderhandeling met nog wat andere partijen en uiteindelijk bood het Joods Historisch Museum in Amsterdam 100 euro, wat ze niet kon weigeren, maar waar ik wel begrip voor kon opbrengen. Dat spel kwam goed terecht.

De tweede keer bood iemand uit Rotterdam het mij aan. Dat was vorig jaar augustus, en opnieuw gebeurde dat via Gelkinghe. In een reactie zei de aanbiedster dat ze het net op Marktplaats had gezet en ik bood er 5 euro voor. Tegelijkertijd mailde ik haar dat ik het graag wilde kopen voor de Groninger Archieven, waar het in de collectie ontbrak. Dat echter. maakte voor haar geen verschil, ze ging – “nu het best wel zeldzaam blijkt te zijn” – voor het hoogste bod en wilde dat ik gewoon meebood. Wat haar betreft moesten de Groninger Archieven dat ook maar doen. En aangezien ik slecht tegen schaamteloze inhaligheid kan, deed ik het tegenovergestelde: ik trok mijn bod in. Het kwartet heeft vervolgens nog een maand op Marktplaats gestaan zonder dat iemand iets bood, tot ik een collega inseinde die het alsnog à 5 euro voor de Groninger Archieven bemachtigde. Zo kreeg ik dan toch nog mijn zin.

Onlangs zag ik het kwartet opnieuw op Marktplaats staan. Dit keer bood ik voor mezelf. Mijn bod van 10 euro werd per omgaande geaccpteerd en zodoende komt het dat ik het kwartet nu ook zelf heb.

Het stamt uit de jaren vijftig en is waarschijnlijk ontworpen door Dirk Hart. Het laat niet alleen vanuit verschillende hoeken de fabrieksgebouwen van de fa. C. Polak en Zonen aan de Petrus Campersingel in de stad Groningen zien, maar bevat ook tekeningen van de verschillende afdelingen in de fabriek, de machines die er stonden, de diverse produkten waaronder natuurlijk in de eerste plaats Ranja,  en de plekken waar zulke produkten werden geconsumeerd. Hier een keuze van vier kaartjes uit het spel:



Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 434 other followers