Wachtend op de tram, Tussen beide Markten ca. 1910

blokhuis met trams 1910, 1911

Groningen, Tussen beide Markten. Links een wachthuisje van de tram en het Blokhuis (waarin nu Bakker Bart zit). In het verschiet voorbij het Blokhuis de A-toren. Centraal op de voorgrond een perronnetje waar mannen met petten, snorren en witte boorden op de trem staan te wachten. Rechts van het midden de panden die de toenmalige Waagstraat flankeerden. En dan uiterst rechts nog een glimp van het stadhuis.

Bij nader inzien is de prentbriefkaart, een uitgave van J.H. Schaeffer te Amsterdam, vrij nauwkeurig te dateren. In het Blokhuis zit namelijk nog het bureau van de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij, waar telefonistes de verbindingen legden voor de toen nog slechts 1600 telefoon-abonnees van de stad. Op 1 juli 1911 verhuisde hun bureau naar het nieuwe post- en telegraafkantoor aan de Munnekeholm – de foto moert dus van voor die tijd zijn.

Een begindatum is er ook, want de electrische tram werd zonder veel officiële poespas voor het publiek opengesteld op 1 maart 1910, hetgeen gebeurde met een rit tussen de remise bij het Noorderstation en het Hoofdstation via de Grote Markt. Zoals het openbaar vervoer betaamt, viel daarbij meteen de eerste klacht te horen:

“Een fijne motregen viel neer en toen de tram voor het wachthuisje op de Groote Markt stond, kwamen van achter dit huisje te voorschijn ‘n viertal reizigers die naar ‘t station moesten, die mopperden en die zich de vraag stelden, waarvoor dat huisje eigenlijk diende want het was gesloten. En dat bij zulk weer.”

Men begon met twee lijnen, 16 motorwagens en 4 bijwagens, De motorwagens hadden elk een capaciteit van 16 zitplaatsen en 14 staanplaatsen, dat was dus nogal beperkt. Vrijwel meteen werd er een druk gebruik van de nieuwe voorziening gemaakt, zodanig zelfs dat overtallige passagiers aan de buitenkant van de wagens gingen hangen. Weldra deed zich de eerste ontsporing voor.  Ook de eerste aanrijding liet niet lang op zich wachten.

Het gemopper en de ongelukken namen niet weg dat de officieuze stadsdichter van die dagen,  G.B. Kuitert, met een ode kwam, waarin hij terloops ook inging op de door hem verafschuwde, maar nu eindelijk afgedankte paardentram, de annexatie van Kostverloren en de komst van de waterleiding. Een en ander zou de stad, naar hij vreesde, flink op kosten jagen. Hier het eerste couplet van zijn lofdicht:

“Zoo rusten we eind’lijk dan in ‘t Noorden
Van sukkeldraf en zot geknoei,
En rolt de tram weer in deez’ oorden,
Ontslagen van den paardenboei!
Heur vaart ontsnelt aan de oude toomen,
En ‘t marktvolk. zwaaiend met zijn hoed,
Brengt vader Raad den jubelgroet,
Als kampioen voor grootheidsdroomen,
Die, van ‘t Stadhuis-bordes gedaald,
De bliksemkoets er langs ziet strijken,
Geen vrees voor „’t hinkend paard” doet blijken
En elks belastingssom bepaalt.”

Film van een tramrit in 1916

About these ads

3 reacties on “Wachtend op de tram, Tussen beide Markten ca. 1910”

  1. harmien Torenbeek zegt:

    In die tijd lijkt het nog een bedoening alleen voor mannen.
    O, wacht, zie ik daar in de verte een bekoust been tussen de twee trams?

  2. Dick Bolt zegt:

    mooi artikel en stukje proza


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 582 andere volgers