Wat de doodgraver van Delfzijl verdiende

Is met eenparigheit van stemmen geresolveert, dat Jan Mäser, die door den Kerkenraat tot dootgraver aangestelt is, voor een oud mensche graf in de kerk zal genieten een gulden en 10 st[uivers] en van twee verdiepingen twee guld[en[ 10 st., van een jonge dode half zoveel als van een oude. Op het gevloerde kerkhof een guld. 4 st. en twee verdiepingen eens zo veel. Op het groene 18 st. Voor een jonge dode op ieder plaatse boven gespecificeert de helft. Ook zal de dootgraver gehouden zijn alle jaar precijs het gelt op te halen van het gevloerde kerkhof wegens het onderhout, en hij zal geen graven openen op het groene, of hij zal eerst zes stuiver voor ieder oude dode aan den boekhouder brengen , en van een kind vier stuiver, dog militairen zullen vrij zijn. Voorts zal de dootgraver het gevloerde kerkhof wieden en continueel schoonhouden, en zo daar gaten in vallen, wederom sligt en egaal vloeren. Zullende des dootgravers tractement jaarlijks vijftien gulden zijn.

Er waren anno 1765 dus drie begraafplaatsen voor Delfzijlster hervormden/gereformeerden:

  1. in de kerk,
  2. op het met zerken “gevloerde” kerkhof en
  3. op het groene kerkhof.

Waarschijnlijk lag, zoals je het nu nog in Zuurdijk kunt zien, het gevloerde kerkhof aan de zonnige zuidzijde van de kerk en het groene kerkhof aan de beschaduwde noordkant. Dat groene kerkhof was voor de armsten, het gevloerde voor de middenstand. Alleen ‘rijke stinkerds’ kwamen in de kerk te liggen, maar hun erfgenamen moesten daarvoor ook het meest betalen. Verder gold in elke tariefklasse: kinderen half geld.

Naast het “openen” van graven – waaronder we het graven van grafkuilen moeten verstaan en niet, zoals tegenwoordig, het openen van een reeds bezet graf – moest de doodgraver het onkruid tussen de stenen op het gevloerde kerkhof wieden, terwijl hij dat kerkhof ook moest schoonhouden en “slichten” of vlak maken als er gaten invielen. Hiervoor moesten de erfgenamen hem betalen, tenminste als hij er op tijd bij was – hij diende dat geld jaarlijks bij ze op te halen. Voor de diaconie beurde hij tot slot kleine bedragen die nabestaanden aan dit armenfonds moesten betalen voor een graf op het groene kerkhof.

De doodgraver kreeg dus een vast tractement van 15 gulden, dat hij aanvulde met ‘stukloon’.  Dat laatste is ook wel te becijferen. Getuige het begraafboek van Delfzijl werden er in 1765 in totaal 23 mensen  begraven: 10 volwassenen en 13 kinderen. Uitgaande van het laagste tarief van 18 stuivers voor een volwassene en 9 voor een kind, leverde dat bijna 300 stuivers, of nog eens 15 gulden op.

Maar bij de doden zaten ook ettelijke middenstanders en zelfs de oud-hopman van de Delfzijlster burgerwacht. Een 20 à 25 gulden lijkt me dan een betere schatting van het stukloon in totaal.  Met dit werk verdiende de doodgraver dan al met al 35 à 40 gulden per jaar, waar dan nog het geld voor het wieden, schoonhouden en gelijkmaken van het gevloerde kerkhof bij kwam. Laat het in totaal eens 50 gulden zijn geweest. Eerder becijferde ik hier eens dat de minimale kosten van levensonderhoud destijds  een 128 à 150 gulden bedroegen. Het zal duidelijk zijn dat de Delfzijlster doodgraver alleen van dit werk niet kon bestaan. Het ging om een bijbaan.

Bron van het citaat: Acta consistorii Delfzijl 9 januari 1765.

About these ads

7 reacties on “Wat de doodgraver van Delfzijl verdiende”

  1. Bert Visser zegt:

    In 1765 waren er in Nederland twee kerkgenootschappen; De RK kerk en de NH (staats) kerk.
    Pas in 1834 heeft een grote groep zich o.l.v. Ds. De Cock (Cocksianen) afgescheiden van de NH kerk. Daar ligt het begin van wat later, in 1892, de gereformeerde kerken in Nederland zouden worden.

  2. kor feringa zegt:

    In de 18e eeuw telde de stad Groningen de volgende kerkgenootschappen:
    – de nederduits hervormde gemeente,
    – de waalse gemeente;
    Deze beide ‘gereformeerde’ groeperingen golden als ‘publieke religie’.

    – enkele doopsgezinde groeperingen (Waterlanders en ‘oude’ en ‘jonge’ vlamingen),
    – de evangelisch lutherse gemeente,
    – de joodse gemeente
    – rooms katholieken werden formeel gedoogd; maar hadden wel een aantal staties.
    Samen vormden deze groeperingen de ‘getolereerde kerken’.

    De ‘christelijke afgescheidenen’ van ds De Cock dateren in Stad van 1834. Pas vanaf 1868 gaf de overheid toestemming de benaming ‘christelijke gereformeerden’ worden gebruikt. In Groningen werd – nog tot ver in de 20e eeuw – gesproken van ‘koksen’ of ‘koksioanen’.

  3. harmien Torenbeek zegt:

    Harr, waarom gaat mijn text overtop de regel ‘vul je reactie hier in… ik kan op deze manier niet teruglezen…..

    • groninganus zegt:

      Ik weet het niet. Ik zie een eerdere reactie van je bij me op het dashboard staan en trouwens ook hier in de zijkolom, maar die reactie komt op de een of amndere manier niet door op de pagina zelf.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 567 andere volgers