Heel wat te zien in kerk van Oosterwijtwerd
Geplaatst op: 18 juni 2013 Gearchiveerd onder: Ommelanden 7 Reacties »Van buiten oogt de kerk van Oosterwijtwerd niet zo spectaculair. Op het dak schijnen nog paters en nonnen te liggen en de koorafsluiting bestaat uit een halfronde absis. Dat is het wel zo’n beetje.

Maar binnen, dat is een ander verhaal met ten eerste die herenbank en die kroonluchter.

Fabeldier als schilddrager:

Een afgedankt torenuurwerk uit de zeventiende eeuw:

Wat mij betreft het mooiste van de collectie rouwborden op het koor:

Wapen op het graf van de dorpsrechter Johan Wilhelm Faber (1647), met ooievaar, papaverbollen en een fraaie zeventiende-eeuwse bloempot: .

Om aan geld te komen voor onderhoud, gingen kerkvoogdijen vooral in de negentiende eeuw ertoe over (de voorste) kerkbanken te verhuren. Uiteraard moest voorkomen worden dat een free rider op zo’n plek ging zitten:

Vlak buiten de deur van de kerk een Jugendstil-grafhekje:

Hoe krijgt iemand zoiets voor elkaar?
Geplaatst op: 17 juni 2013 Gearchiveerd onder: De actuele wereld, Ommelanden 7 Reacties »Aan de Stadsweg tussen Garmerwolde en Ten Boer, waar praktisch alleen maar fietsers langskomen, staat dit bordje, dat u vast geen gunstige indruk geeft van de contreien die u daar betreedt. Ik vraag me af: hoe krijgt iemand zoiets voor elkaar? Geschoten is er duidelijk niet, dan zouden er meerdere inslagen te zien zijn in een soort van pokdalig landschap:

Oosterwijtwerd = Ripperda
Geplaatst op: 16 juni 2013 Gearchiveerd onder: Geschiedenis, Kunsten, Ommelanden Laat een reactie achter »Het wapen van de familie Ripperda bestaat uit een houwdegen met dicht vizier op een steigerend paard. Schijnt in goud te moeten op een zwarte achtergrond, maar daar houdt lang niet iedereen zich aan.
Gevelsteen op De Kleine Wereld, huis aan de Dorpsstraat:

Gevelsteen boven het portaal van de kerk:

Boven de 17-eeuwse herenbank in de kerk, spiegelend (ruzie in de familie?):

En detail:

Koor van de kerk – op een rouwbord uit 1686 met mismaakte engeltjes:

Die engeltjes werden op een volgend rouwbord uit 1695 dus maar afgeschaft:

Opnieuw spiegelend, 1719:

Bij de oprijlaan naar de oude borgplaats (ca. 2006):

Hachek, de fakir met heimwee
Geplaatst op: 15 juni 2013 Gearchiveerd onder: Geschiedenis, Kunsten 6 Reacties »
Van de week vertelde Jakob Franken, die Veendammer trouwakten uit 1937 invoert voor Alle Groningers, dat hij erg lang had zitten puzzelen op één zo’n akte. Hij kon maar niet ontcijferen wat voor beroep de bruidegom had. Tot hij het doorkreeg: de man was fakir.
Een fakir uit Veendam, anno 1937. Heel apart! Maar dat gold niet voor diens naam, want hij heette Schaap, wist Jakob nog. Wat me deed denken aan het TV-spelletje ‘Wie van de Drie’: “Mijn naam is Schaap, ik ben fakir”. We lachten, ik was nieuwsgierig naar de details en Jakob liet me de akte zien.
Het betrof het huwelijk van Anne Schaap, 40 jaar, van beroep dus fakir, geboren te Veendam op 3 november 1896 en daar sinds kort weer wonend, maar daarvoor nog in Amsterdam domicilie houdend. Zijn ouders waren Arend Schaap, een sjouwerman, en diens vrouw Maria Dekens. Schaap jr. trouwde in 1937 de geboren Amsterdamse Margje Tang, van beroep “artiste”, 20 jaar oud en dus 20 jaar jonger dan Schaap. Desondanks bleek zij al eens gescheiden. Dat gold trouwens ook voor haar bruidegom. Hij en Tang zouden eveneens nog scheiden, in 1946, zo leerde een marginale notitie op de akte.
Dan kijk je in de krantenbanken of er misschien ook iets te vinden is over de fakir uit Veendam en dat bleek inderdaad het geval. Uit alle stukken samen viel een summiere biografie te destilleren. Bij deze geef ik die.
Al meteen moet gezegd worden dat de fakir zelf vaak de informatie verschafte en dat het aandikken wel een beetje in zijn aard lag, zodat enige scepsis geen kwaad kan. Zo beweerde hij later dat zijn vader in Veendam veldwachter was. Dat is onzin, want bij de aangifte van de kinderen noemde die vader zich, naast sjouwer, fabrieksarbeider, werkman en brugwachter.
Hoe dan ook, de fakir was van eenvoudige komaf. Als jochie van 14, zo vertelde hij eens aan Het Volk, bezocht hij in de stad Groningen een klein circus:
“De circusman vroeg, of iemand uit het publiek enige moeilijke kunstjes kon nadoen. De kleine Schaap trad naar voren en hij slaagde hierin zo voortreffelijk, dat hij onmiddellijk de uitnodiging kreeg met het circus mee te trekken. „Er zit wat in je, jong”, zei de directeur van het circus. Zo begon het avontuurlijke leven van den jongen, die eens fakir zou worden.”
Schaap ging met het circus mee naar Engeland, waar hij al optrad met een spijkerbed en flessen op zijn rug stuk liet slaan, wat hem vooralsnog echter weinig succes bracht. Dat begon pas na het oversteken van de Atlantische Oceaan, in het Amerika van de Drooglegging, begin jaren twintig. Hij nam de naam Le Hachek aan (ook wel mr. Hachek of kortweg Hachek) en bereisde de hele wereld. Zo kwam hij in China, Japan, op de Philippijnen, Java, Celebes, Sumatra en Cuba, met gerenommeerde circussen als Barnum & Bailey, Hagenbeck en Sarassani. Daarbij was hij niet alleen fakir:
“Ik ben dompteur geweest: leeuwen en tijgers. Ik heb ook twee pythons gehad. Eén van vier en een halve meter. Eén van vijf meter. Rotzakken, slangen kun je nooit vertrouwen, die proberen je steeds een loer te draaien. Ik keerde me een om en hup daar hing er alweer een aan mijn arm gif te spuiten. Ik was blij dat ik ze kon ruilen voor een hondennummer.”
Uiteindelijk kwam hij als “de blanke fakir” weer in de Verenigde Staten terecht met engagementen bij “de grootste theaters” en Barnum & Bailey:
“In dit circus vertoonde hij zijn grote fakirkunsten. Daar maakte hij zijn vuurnummer: “Vuureten naturel, mijnheer”. Hij beet het vuur van sigaren en sigaretten af en maakte daar een vuurspuwende berg van. “Ik ben de enige in Europa, die dat kan”, vertelt de Groningse fakir trots. Dan vertoonde hij het „levende aquarium”. Vijf liter water slikt hij naar binnen plus een aantal goudvissen. Daarna rookt hij kalm een sigaretje en als de laatste rookwolk uit zijn mond verdwenen te, komen de vijf liter water en de goudvissen terug en is het aquarium weer compleet. En alles naturel, alles zonder zwendel!”
Na Amerika volgden successen in Europa, met name Frankrijk en België. In het crisisjaar 1933 dook hij echter in Nederland op: werkloos, “evenals vele andere menschen van zijn vak”. Ook de Nederlandsche Artisten-Organlsatie kon hem niet aan een engagement helpen, maar zorgde wel voor een artikel in het socialistische dagblad Het Volk:
“Ziet u, dat is een zonderling gezicht als iemand bij u binnenkomt, zich voorstelt, zijn tong uitsteekt en zoo maar, alsof het een kleine surprise voor u is, een half dozijn naalden in die tong steekt, zoodat ze er bijna heelemaal in verdwijnen. Dat is zonderling en… een beetje pijnlijk ook. Ten minste voor den man, die er naar kijkt, want de man, die het deed, scheen het werkje te verrichten met het allergrootste genoegen. Hij zei, dat-ie naalden kon eten ook en terwijl hij stond te praten, stak-ie zoo hier en daar zijn body, waar wat bloot te zien was, vol met dat scherp-gepunte goedje.”
(…)
”Niet alleen met naalden werkt hij, maar ook met spijkers en glasscherven. Hij gaat met zijn bloote body op een plank liggen, waarin spijkers rechtop staan en waar de glasscherven bij bosjes op gedeponeerd zijn. Zoo uitgestrekt torst hij anderhalve ton! We zagen hem op een foto, zoo liggend; een zware motorfiets met maar even tien personen dragen!”
Deze redactionele reclame hielp, want in oktober 1933 mocht Hachek zijn medewerking verlenen aan de huldiging van de dichter-zanger Dumas in Amsterdam, terwijl hij in november dat jaar met een gezelschap Nederlandse artiesten optrad in sociëteit De Vriendschap te Doetinchem. In de Doetinchemmer aankondiging heette hij “de sensatie van dezen tijd” en zijn optreden kreeg een welwillende bespreking in de Graafschapsbode:
“Met een drietal controleurs — om zijn bewegingen na te gaan — om zich heen, verwerkte hij eenige naalden en wat garen; het geheel kwam, aaneengeregen en geknoopt even later langs denzelfden weg weer terug. Twee naalden gingen door zijn tong en mochten er door iemand uit het publiek uitgetrokken worden. Eerst nadat twee heeren vergeefs hun krachten beproefd hadden, slaagde de derde.
Tenslotte gaf Hachek nog een staaltje van de ongevoeligheid van zijn huid, door met blooten rug, liggend op een spijkerbed een motorrijwiel, beladen met 6 personen te torsen. Wel iets om te smullen voor op sensatie beluste personen.”
Een buitenlands engagement zat er voorlopig niet in, en hij trad nu hier, dan daar in Nederland op. In januari 1935 stond hij bijvoorbeeld een weekend lang in het City Theater te Delfzijl:
“Ongelooflijke proeven van fakirisme – Wondersensatie ! – Men moet het zien om te kunnen gelooven.”

En in september 1936 kon het stad-Groninger publiek hem zien in Hotel Frigge aan het wijde van de Herestraat. Het Nieuwsblad van het Noorden was er best over te spreken:
“Het programma in den Wintertuin Frigge is deze week weer zeer goed verzorgd. (…) De fakir Hachek houdt het publiek eenigen tijd bezig met allerlei geheimzinnigheden. Hij doorpriemt een in een kist opgesloten dame met degens, zonder dat deze er ook maar eenig letsel van ondervindt, hij eet brandende sigaren en cigaretten, spuwt vuur enz. Men staat versteld van zijn kunststukjes en verdiept zich er in, hoe het mogelijk is. Doch dit „hoe” zal voor velen een onopgeloste puzzle blijven.”
Dat najaar was Hachek op toernee in zijn geboortestreek. Wegens groot succes kreeg zijn optreden in hotel De Nieuwe Brug te Hoogezand een reprise –
“Velen heeft hij ook den tweeden avond weer verbaasd doen zijn.” –
terwijl hij begin 1937, vlak voor zijn tweede huwelijk, nog optrad in zaal Staalstra te Harkstede, De Unie in Appingedam en Hotel de Kroon in Uithuizen.

Na de trouwerij in Veendam (20 april) zag men hem echter voorlopig niet weer in het Noorden. In de mobilisatieperiode, najaar 1939, vormden vooral militairen zijn publiek. Volgens de Nieuwe Tilburgsche Courant was daarbij een zaal in Chaam “flink bezet”, terwijl deze krant het variété-programma van Hacheks gezelschap “in alle opzichten geslaagd” noemde. Bij een tweede optreden aldaar, noteerde het blad echter ook een wanklank:
“Het heroptreden van ‘t gezelschap Hachek- Pallieter, maandagavond in het patronaatsgebouw was in één woord af. Alle medewerkenden oogstten een onbedaarlijk applaus. Jammer dat enkele militairen zich te luidruchtig gedroegen. Naar wij vernemen zal voor deze heeren politietoezicht gevraagd worden.”
Toen de Duitsers ons land hadden bezet, deed Het Volk alsof hij nooit eerder over de Groninger fakir schreef, door een kolomlang profiel te plaatsen waarin Hachek eigenschappen werden toegedicht
“…die totdusver alleen aan de echte Indische fakirs worden toegeschreven.”
Hachek vierde op dat moment een jubileum in het Amsterdamse cabaret Van de Vliet. Hij vertelde dat hij in België veel succes had met zijn nieuwe “partnerin”,
“een Amsterdamse jongedame, die niet bang is en in 1931 tot „Miss Cinema België” werd uitgeroepen.”
Je zou dan denken dat dit de vrouw was, met wie hij in Veendam trouwde. Al wekt het bevreemdeing dat ze op haar veertiende aan buitenlandse films meedeed. In elk geval was ze niet bang uitgevallen, aldus een trotse Hachek:
“Een tijdje geleden kwam hij met haar ln een plaats, waar zich een circus bevond. Er was ook een leeuwentemmer, die er twee gevaarlijk uitziende leeuwen op na hield. De temmer waarschuwde haar niet te dicht bij het hok te gaan, maar in plaats van die waarschuwing in acht te nemen, stapte zij het hok binnen en ging rustig op de leeuwen af, die haar kopjes begonnen te geven. “
Hachek had een nieuw Amerikaans nummer met haar. Zijn vrouw stond in een grote kist met 28 gaten, waar hij dan evenzoveel zwaarden doorheen wierp. Ze liep hus wel eens een schrammetje op, maar gaf nooit een kik.
“De Groningse fakir, die de laatste tijd veel succes heeft gehad bij de militairen, heeft doktoren en professoren versteld doen staan door zijn wonderlijke kunsten. De echte fakirs kunnen een lesje bij je nemen, heeft men hem gezegd. “
Natuurlijk hoopte hij “weer door de wijde wereld te kunnen trekken”, maar dat zat er vanwege de oorlog niet in. Daarom trad hij op in plaatsen als Drouwenerveen.
Na de oorlog vinden we hem terug in een Amsterdamse bioscoop, waar hij optrad als pauzenummer bij de vertoning van Het meisje en het monster. Hij was toen weer gescheiden van de durfal. In 1952 met een Afrika Show in Appingedam, vroeg hij via de krant een meisje
“om mee op reis te gaan als assistente, met goede vooruitzichten.”

Onwillekeurig doet de personeelsadvertentie denken aan de film La Strada van Fellini – en aan het begin van Hacheks eigen carrière als artiest. Een hele poos bleef hij uit beeld, tot hij in de jaren zestig meermalen – in elk geval in 1964 en 1969 – op de vaderlandse beeldbuis te zien was. “Alles wat ik doe, is echt”, beweerde hij bij de eerste gelegenheid: “Ik beduvel de mensen niet”. En bij de tweede deed hij als 73-jarige
“nog altijd verbazingwekkende dingen met vissen en horloges”.
Ongeveer tien jaar eerder was Hachek getrouwd met zijn derde vrouw, de christelijke meisjesboeken- en streekromanschrijfster Netty Streef, dochter van een Haagse makelaar. Voor haar werk deed ze veel research, zo was ze ten behoeve van haar roman De Kleine Wereld gaan werken in het circus waar ze Hachek ontmoette, haar derde man, die ze steeds aanduidde als ‘de baas’. Onder de artiestennaam Marouchka Capitanowa was ze zijn assistente geworden en “helemaal met het circus vergroeid geraakt”.
In november 1961 vestigde het paar zich in het Groningse Oosterwijtwerd. Kennelijk had de fakir heimwee naar zijn geboorteprovincie. “Schrijfster en fakir voelen zich in Groninger terpdorp volledig thuis”, kopte het Nieuwsblad drie jaar nadien, om vervolgens alleen de schrijfster aan het woord te laten. Uit het stuk blijkt dat hun huis, eveneens ‘De Kleine Wereld’ geheten, nogal vervallen was toen zij en Hachek het betrokken. Samen knapten ze het op. Hachek deed veel van het timmer- en metselwerk, terwijl zijn vrouw alle binnenmuren beschilderde met “vreemde veelkleurige motieven”.

Haar eerste kennismaking met Groningerland was overigens niet in alle opzichten positief verlopen, want de timmerman die ze hadden ingehuurd, voerde weinig uit, terwijl hij wel gepeperde rekeningen bij “die stadsmensen” indiende. Naderhand trok haar mening over de Groningers bij:
““Ik zou die mensen wel in een gouden lijstje willen zetten”. Ze zei ons dit, nadat ze ons verteld had over de grote behulpzaamheid en de vriendschap die ze in het terpdorp ondervond.”
Oosterwijtwerd en zijn bewoners inspireerden Netty Streef inmiddels tot een roman, die ze de titel Dorpje op de wierde gaf. Ik heb het boek niet gelezen, maar getuige een bespreking ontleende ze elementen uit het leven van haar man:
“Anne Willinga is een Groninger boerenzoon, enig kind, wiens hart niet voor het boerenbedrijf maar voor de muziek klopt. Tot groot verdriet van zijn ouders trekt hij weg met een circusgezelschap. (…) Anne besluit, nadat hij weet, dat zijn vader dood is, naar de boerderij terug te komen.“
Ook vanuit Oosterwijtwerd bleef Anne Schaap als fakir Hachek optreden, zij het vooral in het schnabbelcircuit, dat zelden de krant haalt. Eind 1964 bood hij zich daartoe aan in een advertentie, waarin hij zich “T.V.-Artist” noemde.

In 1967 luisterde hij zo eens een avond voor vrachtwagenchauffeurs in Leeuwarden op, terwijl anderhalf jaar later optrad in een zaal te Leiden. Over dit laatste optreden stond er een uitgebreide, ironische, bijna ontluisterdende reportage in de Leidsche Courant. Marouschka Kapitanowa bleek haar fakir helemaal van Oosterwijtwerd naar Leiden te hebben gereden, wat de verslaggever tot de veronderstelling bracht dat de fakir zich onderweg concentreerde. Hachek ontkende dat ten stelligste:
“Ben je bedonderd”, roept hij. “Niks te concentreren. Dat is allemaal flauwekul. Je gaat gewoon op de spijkers liggen. Pijn doet het toch”
De fakir was ontevreden over de kleedkamers die men hem toewees:
“Je staat je vaak in een stal om te kleden”, zegt hij verbitterd, “niet eens een emmer water om je te wassen. Daarom neem ik alles zelf wel mee.”
Terwijl Kapitanowa alle requisieten zoals goudvissen, spijkerbed en flessen controleerde, trok Hachek een stemmig paars gewaad met wijde mouwen en een ballonbroek aan, kleren, die hem volgens de anonieme verslaggever op een “gelouterde missiebisschop” deden lijken. De journalist nam met de fakir diens programma door. Hacheck over de act met de spelden door zijn tong:
“Het gevoeligste deel van het menselijk lichaam”, zegt hij vermoeid, “maar als je sterk aan vrolijker zaken denkt, merk je het niet eens”
Tijdens zijn optreden zou hij een ouderwets boerenhorloge (of “knol”) inslikken en een toeschouwer op zijn borst naar het tikken laten luisteren. Verder liep Hachek over glasscherven en ging hij vuurspuwen. Het hoofdnummer was duidelijk het spijkerbed, waarbij hij een plank op zijn borst kreeg, waarop zes man uit het publiek staande moesten plaatsnemen. Dat nam nogal wat tijd in beslag. De verslaggever viel intussen een “meeuwwitte borst met veel verdrietig craquelé” op. Achteraf noteerde hij:
“De spijkers hebben een symmetrisch Mondriaans patroon in het weke vlees gestanst.”
Hoogtepunt van diens beschijving vormde evenwel het moment dat de fakir het vele water en de goudvisjes naar binnen had gewerkt:
“Le Hachek glimlacht. Strompelt vervolgens klotsend naar de kom en begint vanuit het middenrif met schrijnende peristaltische bewegingen zijn vissen weer naar boven te werken. Hij zucht, schudt de grijze, verlepte manen, drukt met beide handen krachtig op de buik en krijgt dan plotseling de grauwe uitdrukking van een cruisepassagier, die in de Golf van Biscaje door een acute zeeziekte getroffen wordt. Het volgende moment spuwt hij de visjes als een gouden tand in de kom terug. Op de eerste rij zegt een vrouw tegen haar man: “Wim, ga jij even wat saté halen”.“
Met zo’n optreden verdienden de fakir en zijn assistente 400 gulden, destijds een redelijke gage, zo lijkt het. Soms liep het geld ze ook weer vlug door de vingers heen, dat moet bijvoorbeeld het geval geweest zijn na het brandje dat in 1969 in hun slaapkamer woedde.
In 1973 kwam er nog een keer een verslaggever naar Oosterwijtwerd, om mevrouw Schaap-Streef te interviewen over haar streekromans, waarin volgens hem nogal eens uit het lood geslagen dochters figureerden, die zich vergooiden aan goddeloze artiesten. Netty praatte honderduit over “de baas”, die zichzelf afzijdig hield. Al gauw kwamen er plakboeken op tafel, waar nog ”de geur van applaus” uit opsteeg. Het stel zou in zijn Villa Kakelbont een mooi onderwerp voor een uitzending van Showroom of Paradijsvogels geweest zijn, moet je concluderen, want hun goeiige heemhond Pipo, die ooit een pasgeboren lammetje verzorgde, beschikte ’s ochtends bij zijn vrouwtje in bed bijvoorbeeld over onvermoede zangtalenten.
Overigens bleek Hacheks vrouw ook waarzegster te zijn geweest:
“Ik heb me altijd erg geïnteresseerd voor astrologie en archeologie. Ik deed het wel met een glazen bol en kaarsen maar het was wel een beetje wetenschappelijk hoor. Ik vroeg dan eerst naar het sterrenbeeld waaronder de mensen geboren waren. Als je eens wist hoe gek ze daar op zijn. Ze bleven soms tot vier uur ‘s nachts aan je rokken hangen.”
Misschien was “de baas” ten tijde van dit interview ook wel opgenomen. Op 9 maart 1974 overleed namelijk Anne Schaap, alias de fakir Hachek, op 77-jarige leeftjd. Er kwam geen overlijdensadvertentie in de krant, maar wel een monument op zijn graf.
Hoewel op de lijst van bekende overledenen van dat jaar, werd hij al snel vergeten. Zijn vrouw kwam twintig jaar later uit de tijd in zorgcentrum De Wiemersheerd in Loppersum. “Lid van de vereniging van letterkunde”, staat er in haar overlijdensadvertentie. Die als motto kreeg: “Wij kiezen niet”.

Een vertoning zonder voorbeeld
Geplaatst op: 11 juni 2013 Gearchiveerd onder: Oosterpoort, Stad toen 7 Reacties »
Rond de Oosterpoort, zoals die van 1623 tot 1874 bestond, heeft zich veel afgespeeld. Toch maakte ze in al die jaren van haar bestaan slechts één keer onderdeel uit van festiviteiten.
Dat was in 1808. In de lente van dat jaar beleefde keizer Napoleon de gelukkigste dagen van zijn leven. Hij stond op het toppunt van zijn macht en glorie. Zijn legers hadden achtereenvolgens in de slagen van Austerlitz, Jena en Friedland gezegevierd over de troepen van Oostenrijk, Rusland en Pruisen. Daarmee beheerste hij bijna de gehele kustlijn van Europa. En als de despoot zijn voor dat moment enig overgebleven vijand, Groot Brittannië, niet met militaire middelen op de knieën zou weten te krijgen, dan zou dat wel gebeuren door een totaal handelsembargo: het Continentale Stelsel.
Om dat embargo in onze contreien tot een succes te maken, had Napoleon in juni 1806 zijn broer Louis tot koning van Holland benoemd. Al spoedig na diens aantreden bleek deze eerste Nederlandse monarch zich echter dermate met de Nederlanders te identificeren, dat zijn machtige broer menigmaal in woede uitbarstte. Zo ging ‘de goede Lodewijk’ Nederlands leren, wat volgens beleidsbepalers aan het hof in Parijs maar een ten dode opgeschreven taaltje was.
Bovendien verzette Lodewijk zich tegen de invoering van conscriptie (zeg maar dienstplicht) hier te lande, was hij in de ogen van zijn broer véél te laks in de veldtocht tegen Pruisen (1807) en liet hij oogluikend toe dat er de hand gelicht werd met het embargo van het perfide Albion, dat hier te lande voor grote economische schade zorgde.
Op 27 maart 1808 schreef Napoleon dan ook aan zijn broer, dat er wat hem betreft een eind kwam aan diens koningschap. Het Hollandse klimaat was niet goed voor broerlief – Lodewijk moest maar koning van Spanje worden, een suggestie die Lodewijk overigens niet opvolgde.
Juist in die dagen was het, dat de Groningse Oosterpoort de enige triomfantelijke intocht uit haar bestaan beleefde. De directieven voor die intocht waren begin maart 1808 al uit Den Haag ontvangen, toen des konings ministers van Binnenlandse Zaken en van Oorlog per missive aankondigden dat een gedeelte van de Zijne Majesteits armee uit Noord-Duitsland zou worden teruggetrokken “om in het midden van hunne vrienden en broeders te verblijven”. En aangezien de soldaten dapper gestreden hadden aan de zijde “van onzen grooten Bondgenoot”, daarbij aan grote gevaren bloot hadden gestaan, maar veel roem en voordelen voor het vaderland hadden behaald, gaf dat hun “de rechtmatigste aanspraak op dankbare erkentenis der gehele Natie”. Vooral in garnizoensplaatsen zoals Groningen mocht er derhalve niets worden nagelaten om de troepen een feestelijk onthaal te bezorgen. Welnu, Burgemeester en Wethouderen van Gruno’s veste maakten er met gezwinde spoed werk van: reeds op 14 maart lag er een draaiboek voor de intocht klaar.
Twaalf dagen later wist men precies waar men aan toe was wat betreft het te ontvangen en in te kwartieren legeronderdeel, het aantal manschappen en de datum van aankomst. Eerst kwam er een brief van kolonel Lycklama uit Bremen, die van generaal Dumonceau bevel had gekregen om de 21e maart zijn beide bataljons infanterie af te laten marcheren naar Groningen. En vervolgens arriveerde er een schrijven van de Minister van Oorlog, dat het door deze bataljons te vormen Groninger garnizoen zou bestaan uit 77 officieren en ongeveer 1800 manschappen.
Deze soldaten hadden deel uitgemaakt van de bij de Weser gestationeerde achterhoede van het noordelijke leger in de strijd tegen Pruisen. In naam van de koning hadden ze Ost Friesland bezet. Aangezien het gehele koninklijke leger uit zo’n 20.000 man bestond, ging het om een kleine tiende van alle Hollandse manschappen.
Het eerste bataljon zou op 29 maart de stad binnentrekken en het tweede een dag later. Beide bataljons kwamen langs het Winschoterdiep, over de Bonte Brug en langs de Griffe. Volgens de Provinciale Groningsche Courant, die er van beide plaatselijke kranten nog het meest gedetailleerd verslag van deed, leverden de drie dagen van hun aankomst en onthaal “eene vertoning op, waarvan, tot dus verre, in de jaarboeken onzes Vaderlands geen voorbeeld gevonden werd…”
Nadat men in het stadhuis bericht had kregen dat het zover was, stapten burgemeester Quintus, twee wethouders en de stadssecretaris in twee koetsen, die zich, voorafgegaan door vijf raadsdienaars met ongedekt hoofd, op weg begaven naar de Oosterpoort. Intussen was de hele route van de markt tot buiten de poort afgezet met gewapende burgers.
Bij de Oosterpoort gekomen, stapten de stadsbestuurders uit om te voet de brug over de gracht te passeren. Op de belendende wallen en andere plekken had zich reeds “een ontelbaare menigte van aanschouwers” verzameld. De troepen stonden in slagorde geschaard op het lage land langs de gracht.
Voor hun front hield burgemeester Quintus een toespraak, die meermalen onderbroken werd met de juichkreet “Hoezee, leve de Koning!”. Kolonel Lycklama kreeg vanaf een zilveren presenteerblad een met driekleurige linten doorvlochten lauwerkrans aangeboden, die plechtig op de spits van het vaandel werd gezet.
Even na drieën kon de eigenlijke intocht dan beginnen. Op de Oosterpoortenbrug kregen de manschappen palmtakjes uitgereikt, waarmee ze hun hoeden en mutsen versierden. Ze passeerden de Oosterpoort die door de kunstschilder Wieringa opgetuigd was als triomfboog. Deze Groninger ‘Arc de Triomphe’ zag er zo uit:
“De gewelfde ingang met bloemfestonnen behangen – de met laurieren omgeven inscriptie boven dezelve: Voor de te huis komende Overwinnaars, Blijde inkomst, gul onthaal en vreedzaam verblijf – de twee pylasters van rood marmer – de beide witte krijgstrofeën in witte nissen nevens dezelve – de grauwe borstwering met schilden verzierd, van pallemtakjes omgeven, met de woorden: Krijgsbeleid en Dapperheid, Roem en Eer – de witte kroonlijst, en op dezelve de prachtige balustrade met het Koninklijk Wapen in het midden…”
Achter die balustrade zaten de stadsmuzikanten te spelen. Terwijl de militairen met hun bereden staf voorop, met vliegend vaandel, slaande trom en “onder een keurig muziek” langs de van turfwagens gezuiverde en aangeveegde en opgeruimde Rademarkt en Oosterstraat marcheerden, tussen de rijen gewapende burgers door, waarachter het eveneens “als met Volk bezaaid” was, luidden de klokken van de Martinitoren, waarvan ook een aantal nationale vlaggen wapperde. Aangekomen op de markt volgde nog een parade, voordat het bevel ingerukt mars gegeven werd en de manschappen hun verschillende kwartieren konden gaan opzoeken.
Op woensdag 30 maart herhaalden deze taferelen zich na aankomst van het tweede bataljon. ‘s Nachts waren de verschillende burger- en militaire wachten geïllumineerd. Op donderdag de 31e kregen de troepen bovendien een maaltijd aangeboden. Het voetvolk mocht zich in de Martinikerk te goed doen aan rundvleessoep, ham, witbrood, ruim bier en een halve fles wijn de man. Geen wonder dat de soldaten hierna “met gepaste vreugde in de stad omwandelden”. Van het bier lieten ze nota bene nog drie oxhoofden (ca. 700 liter) onaangeroerd staan, die het stadsbestuur verdeelde onder de diverse arm- en weeshuizen.
De onderofficieren werden onthaald in de Korenbeurs en de hoofdofficieren kregen een diner van 42 couverts in logement De Doelen, waarbij 94 flessen wijn soldaat werden gemaakt. Ook allerlei Groninger hoogwaardigheidsbekleders zaten hierbij aan. Maar liefst vijftien toasts werden uitgebracht: op de koning, de koningin, de prins, de keizer, de minister, het leger, de landdrost, de commandant, B&W enz.
Wat betreft keizer Napoleon, pas vierde in de rij, klonken de glazen na deze inzet:
“Hij is boven alle lof verheven. Na alle helden overtroffen en zich met alle Militaire eer overdekt te hebben, zal hij ons een eervolle Vrede bezorgen, het geluk der gehele Waereld!”
Vijf jaar later zou alles anders zijn. De Oosterpoorter ‘Arc de Triomphe’ was in het najaar van 1808 al afgebroken. Het stadsbestuur kon het hout goed gebruiken. Want hout was duur ten tijde van het Continentale Stelsel – Brittannia heerste immers buitengaats.
—
Dit verhaal is eerder in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter.
Ommetje Schelfhorst
Geplaatst op: 9 juni 2013 Gearchiveerd onder: Drenthe 5 Reacties »De zon kwam er na vieren nog even door. Dus snel op de fiets om nog wat beweging te krijgen.
Arcadia bij de Bruilweering:

Vervallen bruggetje over het Omgelegde Eelderdiepje:

Hooimijt op de Schelfhorst:

Stil weggezette ouwe giertank, eveneens op de Schelfhorst:

Westpoort kleurt lila
Geplaatst op: 9 juni 2013 Gearchiveerd onder: Hoogkerk 2 Reacties »Niet alleen op de Onlanden heb je hele plukken echte koekoeksbloemen:

Ze zijn niet eenkennig, en tieren ook welig op bedrijventerrein Westpoort, tussen Vierverlaten en de Poffert:

Vooral op een drassige strook parallel aan het Hoendiep zitten er veel:

Voor het contrast dit weiland een eindje verder en aan de andere kant aan het Hoendiep, tussen de Poffert en Lagemeeden:

Titanic meert aan in Groningen
Geplaatst op: 9 juni 2013 Gearchiveerd onder: Stad nu Laat een reactie achter »Dat wil zeggen die andere Titanic:

En wel aan de Sluiskade, die vroeger dè afmeerplek van sleepboten was.

Gebouwd in 1906 te Papendrecht als bunschip, dat achtereenvolgens vanuit de thuishavens Woerden, Leiden, Maastricht, Maasbracht en Amsterdam voer onder de namen Hendrikus, Piema, Limburgia, Adwil, Crescendo, nog eens Adwil en Macuse, voordat het in 1988 onder de huidige eigenaar G. Hendriksma uit Velsen Titanic werd.
Hajo Spandaw – De nieuwe Haring (1817)
Geplaatst op: 8 juni 2013 Gearchiveerd onder: Geschiedenis, Kunsten Laat een reactie achter »
“Vaderlandsch gezang ten gevolge van het programma van eenige vrienden en beoefenaars der toonkunst binnen Groningen in muzijk gebragt door J. van Boom te Utrecht…”
Triomf! de vreugde stijgt in top:
Hijs, Holland, vlag en wimpels op,
En doe den jubeltoon nu dav’ren langs uw strand!
Daar komt de kiel, met goud belaân,
Zij brengt ons d’eersten haring aan!
‘t Is feest in Nederland.’t Is feest! een eigen Hollandsch feest!
’t Is heilig! ’t brengt ons voor den geest
Den tijd van onzen roem, den tijd van onze schand!
Triomf! de nacht van schande zonk;
Triomf! de dag van glorie blonk
Voor ’t vrije vaderland.Verhef u, wakk’re zeevaardij !
U, Pronk van Hollands maatschappij !
U, koningin van ’t feest, u biên we d’ eerewijn;
Sprei’, handel, Hollands gullen disch !
Nu zal de vaderlandsche visch
Weèr de eerste schotel zijn.Bataafsche maagden, rept u wat’!
Plukt bloemen voor den kostb’ren schat,
En tooit den lekk’ren visch met vaderlandschen zwier !
Kwam hij niet met Oranje weêr ?
Dat hem dan, even als weleer,
De gouden goudsbloem sier’ !Wie in dit kost’lijk zeebanket’
Voor ’t eerst de grage tanden zet,
De volle flesch ontkurkt, tot vreugd van zin en geest,
Met fonkelende glazen klinkt,
Ze op Neêrlands welzijn ledig drinkt,
Die houdt een heerlijk feest.Ja, ieder maakt dan goede sier;
Waar wijn ontbreekt, daar neemt men bier:
Die vaderlandsche drank smaakt ook in Neêrland zoet.
Men drinkt ook Beukelszoon ter eer,
En na den maaltijd nog eens weêr,
Daar ’t vischje zwemmen moet.
Bron.
Toelichting: In de Bataafs-Franse tijd, tijdens de oorlogen van 1804 tot en met 1813, konden Nederlandse haringvlissers niet uitvaren, omdat de Britten buitengaats heersten en alle schepen onder Nederlandse en Franse vlag innamen. Na de terugkeer van Oranje, zoals bekend het eerst in Scheveningen, was de haringvangst weer vrij. Daarop doelt Hajo Albert Spandaw (Vries 1777-Groningen 1856), een dichter die in zijn tijd een Bekende Nederlander was. Diens loflied op de haring èn de vrijheid verscheen het eerst in 1817 in een bundel Vaderlandsche poëzij en liederen (bij Oomkens te Groningen). Nog hetzelfde jaar werd er een prijsvraag uitgeschreven om het lied op muziek te zetten. Deze werd door ene J. van Boom uit Utrecht gewonnen. Men zong dit chauvinistische lied in de negentiende eeuw graag en veel en zo kwam het ook in liedboekjes voor scholen terecht. Kornels ter Laan bijoorbeeld, heeft het omstreeks 1880 nog op de lagere school in Slochteren moeten leren.
Tweewielervaart in rood geel en blauw
Geplaatst op: 6 juni 2013 Gearchiveerd onder: Kunsten 5 Reacties »



Fré Meis en de Hongaarse Opstand
Geplaatst op: 5 juni 2013 Gearchiveerd onder: Stad toen 4 Reacties »
Het neerslaan van de Hongaarse Opstand door de Sovjets deed de gemoederen op 4 en 5 november 1956 hoog oplopen. Naast stille tochten en vreedzame demonstraties door de meer bezadigde geesten, waren er alom in de Nederlandse steden ook erupties van geweld waarbij de veelal wat jeugdiger heethoofden zich lieten gelden. In Amsterdam viel een menigte van een paar duizend jongeren aan op Felix Meritis, het gebouw waar de partijleiding van de CPN zat, dat ook onderdak bood aan De Waarheid, de communistische partijkrant. Er bleef geen ruit van het gebouw heel, en een voorhoede stak aan de achterkant van het gebouw zelfs nog bijna de drukkerij in de fik.
Ook in andere steden trokken relschoppers af op CPN-burelen. In Groningen vormden het partijkantoor, tevens Waarheid-agentschap aan de Tweede Willemstraat het primaire doelwit van een groep stenengooiers, terwijl de politie soortgelijke groepen nog net op tijd wist te verdrijven aan de Westersingel, waar de Eenheidsvakcentrale of E.V.C. zat, de communistische vakbondskoepel.
In de zwaar gebarricadeerde communistische bolwerken zaten gestaalde kaders klaar met knuppels, boksbeugels en ploertendoders om ongewenste binnentreders op te vangen en subiet weer naar buiten te werken. Aan de Tweede Willemstraat schitterde één persoon echter door afwezigheid. Dat was het boegbeeld, de fractieleider van de CPN in de Groninger gemeenteraad, tevens lid van het landelijke dagelijks partijbestuur: Fré Meis. Er stonden ’s avonds veel mensen voor zijn woning in de Violenstraat, hij en zijn vrouw waren bang voor een aanval, en kozen het hazepad. Ze klommen aan de achterkant van hun huis over een plat dak naar de christelijke buren en zochten vervolgens hun toevlucht bij een tante, waar ze overnachtten.
Soms zijn de felste agitatoren niet de grootste helden. Naderhand namen zijn kameraden het Meis danig kwalijk dat hij zo onder was gedoken. Ze voelden zich in de steek gelaten en klaagden bij het partijbestuur. Dat gaf Meis na onderzoek een standje. Voor straf werd Meis bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1958 geen Gronings lijsttrekker meer. Hij kwam op plaats 3 en verdween zo voor een paar jaar uit de raad.
—
Bron: Lejo Siepe en Gerrit Voerman, Fré Meis (1921-1992).: handelsreiziger in revoluties (Zutphen 2002) pag. 41-44.
Nederlandse krant zeikt Charley Chaplin af
Geplaatst op: 4 juni 2013 Gearchiveerd onder: Geschiedenis, Kunsten 2 Reacties »Terwijl andere Nederlandse kranten op die 13e september 1921 uitgebreid berichtten over de triomftocht van Charley Chaplin in Londen, produceerde Het Centrum een stukje proza waar de azijndamp van afvloog:
WIE IS CHARLEY CHAPLIN?
Wie is de man, die thans door duizenden gehuldigd wordt en wiens portret door tienduizenden krantenlezers wordt aangestaard, nadat honderdduizenden zijn grappigheden in de bioscoop hebben bewonderd. We bedoelen niet, hoe oud hij is en waar hij werd geboren. Dit laatste schijnt in Londen te zijn geschied, maar Charley weet weinig meer van zijn jeugd, zelfs niet, waar hij eigenlijk school heeft gegaan.
Maar wat is zijn beteekenis. waaraan ontleent hij de sympathie van zoovelen?
Vermoedelijk in de eerste plaats, om het feit, dat zoovelen hem telkens weer zien. Laat men in alle bioscopen ter wereld avond aan avond steeds weer hetzelfde portret van een willekeurig onbeduidend persoon vertoonen en na eenige jaren is de man absoluut beroemd.
Daar komt nog bij, dat Charlev steeds opvalt door een hoed, een jas, handschoenen enz., welke hem niet passen of staan, dat hij zijn voeten raar neerzet en een gezicht kan trekken van: niet lachen hoor, hetgeen natuurlijk ten gevolge heeft, dat men lacht, zooals men iemand, aan ‘t gapen kan brengen door hem te verbieden, dat te doen.
Reporters hadden den gevierden man gevraagd, of hij nu niet eens ernstiger werk zou gaan spelen voor de bioscoop, waarop hij antwoordde. dat iedereen Hamlet spelen kan, maar niet iedereen het publiek aan het lachen maken.
In dit geval heeft Charley ongelijk, want hij kan zeer goed Hamlet spelen en toch het publiek doen lachen. Daarvoor hoeft hij slechts zijn gewone trucjes toe te passen van kleeren die niet bij den man en gebaren die niet bij de situatie passen.
Maar dit is toch nog geen humor; het zou pas humor worden, wanneer daardoor een werkelijk aanwezige dwaasheid duidelijker in ‘t licht werd gesteld, zooals elke kunst iets doet zien en opmerken, waar[aan] de doorsneemensch voorbijloopt.
Charley is een clown en dankt zijn succes enkel aan het feit, dat men nu eenmaal eens wil lachen en nog eens lachen, al is ‘t ook om niets.
Niet meer gekruide spijs, doch enkel de kruiderij wordt verlangd.”
Dat Chaplin allerlei dwaasheden in het licht stelde, het stukje gaat er finaal aan voorbij. Ook negeert het, van wat voor onbetaalbaar talent het aan het lachen kunnen maken van zoveel mensen uit zoveel verschillende culturen getuigt. Maar enfin, de anonieme beroepszuurpruim die het stukje schreef, is zelf nu waarschijnlijk totaal vergeten, evenals zijn krant, en dat strekt dan maar tot troost.
Op excursie naar de pikken van Melle
Geplaatst op: 3 juni 2013 Gearchiveerd onder: autobio, Kunsten 2 Reacties »De foto’s moet ik hebben gemaakt tussen 5 februari en 19 maart 1972. Want we waren met ons kunstgeschiedenis-klasje naar de overzichtstentoonstelling van Melle , die tijdens deze periode in het Stedelijk werd gehouden.
Natuurlijk moesten we even op de Dam zitten:

Uiterst links Wim Huisman, uiterst rechts Ineke de Lang, op wie ik jarenlang in stilte verliefd was. Net als – voor zover ik weet – drie andere jongens uit de klas. Het meisje linksbinnen moet Ida Andreae zijn, van het andere ben ik de naam kwijt (het geheugen is wreed).
Hare Krishna’s, die had je in Meppel niet:

Groep scholieren poseert op brug:

En maakt gekkigheid:

Melle bleek een schilder die zijn werk met pikken doorspekte, en die daarom voor een jongere generatie even in was, als voor een oudere obsceen. Onze leraar tekenen en kunstgeschiedenis, Rikus van der Meer, destijds 24 en nèt afgestudeerd van Minerva, maakte zelf ook nog surrealistisch werk. Hij zal een soort van verwantschap met Melle hebben gevoeld. Tegenwoordig maakt hij ander werk.
Mij deed de Melle-expositie vrij weinig, zeker op den duur. In mijn toch vrij omvangrijke digitale kunstcollectie blijkt helemaal niets van Melle te vinden. Buiten deze vier foto’s en een ansichtkaartje van het museum liet de tentoonstelling geen blijvende sporen achter.
Tante Jurriena
Geplaatst op: 2 juni 2013 Gearchiveerd onder: Familie 1 Reactie »
Mijn oud-tante Jurriena Perton (1900-1986) was de op een na jongste en ook de monterste zuster van mijn opa.
Op haar 28-ste trouwde ze met de tien jaar oudere Harm Sprang, het hoofd van de openbare lagere school te Meerland, onder Oostwold, gemeente Midwolda. Eerder was ze zijn huishoudster geweest en ze heeft me wel eens verteld over het aardappelkrabben op een stuk rodoorngrond dat bij de schoolmeesterswoning hoorde.
Kinderen kregen ze niet, en hij stierf onverwacht in 1936. Van zijn begrafenis stond er nog een verslagje in het Nieuwsblad:
MIDWOLDA, 12 Dec. Heden had alhier de teraardebestelling plaats van het stoffelijk overschot van den heer H. Sprong (moet zijn Sprang, HP), in leven hoofd der O.L. School te Meerland. Onder de stoet merkten we op vele collega’s op het onderwijsgebied, verder net dagelijksch bestuur dezer gemeente en vele vrienden en bekenden. Aan het graf werd gesproken door den burgemeester den heer P. Dijkhuis Jr., die de overledene dankte voor het vele dat hij gedaan had betreffende het onderwijs, en hem schetste als een plichtsgetrouw man, hopende dat de weduwe en familie hierin troost mogen vinden. Nadat nog een 2-tal vrienden van den gestorvene een treffend afscheidswoord gesproken hadden, dankte de heer Perton te Emmen, zwager van den overledene, namens de familie voor de betoonde belangstelling. Een zestal kransen dekte de baar.
Die Perton was niet de zwager, maar de schoonvader van Sprang - mijn overgrootvader was dat jaar net gekapt met zijn schoenmakerij en in komen wonen bij zijn dochter in Emmen. Van de gemeente Midwolde kreeg mijn oud-tante Jurriena nog een brief met rouwbeklag. Of haar mans dood haar erg aangreep, weet ik niet. In elk geval genoot ze sindsdien een vrij ruim weduwenpensioen en heeft dat bijna vijftig jaar volgehouden, want ze is nooit hertrouwd.
Voor zover ik me herinner woonde ze aan de Parklaan in Winschoten, en verhuisde ze enige jaren voor haar dood naar de serviceflat Hoogwatum aan de Kustweg in Delfzijl. Op beide adressen heb ik haar wel eens bezocht. Van haar komen veel van de familieverhalen die ik hier noteerde.
Ze had een erg zonnig karakter, was een naieve optimiste. Maar terwijl in alle overlijdensadvertenties van haar broers en zussen staat dat de Here ze tot Zich nam, ontbrak zo’n frase bij haar. Volgens mij was ze ook niet zo gelovig. Ze had het er nooit over.
Struinen bij Peize
Geplaatst op: 31 mei 2013 Gearchiveerd onder: Drenthe 5 Reacties »Ter Hansouwe op de Peizerhorst vanaf de Helmerdijk:

Tussen de Helmerdijk en de Drentsedijk ligt een fietspad dat ik nog niet kende. Achter een boerderij van Natuurmonumenten bleken deze runderen een en al oor.

Want de muziek kwam dichterbij, van een repeterende rockfanfare in wording (jongens uit Eelde en Hoogeveen):

Ook vee aan de andere kant luisterde met rooie oortjes naar de Beatlescovers:

Een passerende oudere vrouw sprak echter schande van het concert. Want de koeien gaven minder melk. Toen ik zei dat het vleesvee was, zei ze dat die kalvertjes hadden en dat zij van een boerderij kwam (en het dus veel beter wist).
Het Eelderdiepje ter plaatse gezien naar het zuiden:

Het Eelderdiepje ter plaatse naar het noorden:

Klein eindje verder (dankzij de wind zijn de klanken van de rockfanfare al nauwelijks meer te horen):

Terwijl de leeuweriken zich er duidelijk niet door van de wijs laten brengen.

Opmerkelijk , hoe belendende percelen kunnen verschillen in boterbloemdichtheid:

Een ouderwetse blauwe wipkar bij het Achterstewold. Volgens de boer werd hij niet alleen voor het verver van mest, maar ook voor aardappels gebruikt.

Paadje bij oude Peizerdiepmeander aan het uiteind van de Stenhorstdijk. Vroeger lag hier de ‘haven’ van Peize:

Een paar jaar geleden was ik hier ook, toen bleek alles dichtgegroeid en er geen doorkomen aan. Nu is het wandelpaadje door het bosje naar de dijk van het Peizerdiep hersteld:


Recente reacties