Barve en kluin, utigst en nabertering

Voordat de negentiende eeuw met meer afstandelijke regelingen kwam, waren buren nog verantwoordelijk voor verbazend veel zaken. In en om de stad Groningen was dat niet anders. Zo droegen buurtbewoners hier net als op het platteland gezamenlijk zorg voor de wegen (als dat tenminste geen ‘algemene passages of heirwegen’ waren), de paden, de goten, greppels en sloten, de wallen en de dijken en vooral niet te vergeten de collectieve drinkwaterputten.

Naast het beheer van substantiële delen van de openbare ruimte hadden buren buiten de poorten van de stad een politionele taak, vooral ’s nachts. Als men daar tijdens de uren dat de poorten dicht waren een onverlaat in de kraag vatte, stelden buren hem of haar in verzekerde bewaring, tot de poorten weer opengingen en ze hulp uit de stad konden halen. Deze aanvullende politionele taak van buren kon zich ook uitstrekken tot preventie. Zo werd er ca. 1807 buiten ’t Kleinpoortje, door de bewoners van de huizen langs het Winschoterdiep, een nachtwacht opgericht, nadat enkele inbraken er grote opschudding teweeg brachten.

Ook boden buren eerste hulp bij armoe en dienden ze bij brand in actie te komen. Maar het meest tot onze verbeelding spreken toch de taken die buren onderling te verrichten hadden bij geboorte (kraamhulp,een vrouwenzaak), ziekte en gekte (verzorging en oppassen door buren van dezelfde sexe) en, bovenal, de dood.

Nadat het leed bij de huizen in de omgeving van een overledene aangezegd was, dienden de buren zich naar het sterfhuis te begeven. Buren van hetzelfde geslacht als de gestorvene legden het stoffelijk overschot af. Als er geen ‘heneklaid’ (heen­kleed, doodskleed) klaarlag, maakten buurvrouwen er een van linnen of uit een groot beddelaken. Ook haalden buurmannen de kist, als een timmerman of kuiper die niet kwam brengen. Mannelijke overledenen werden in de kist gelegd door hun buurmannen, vrouwen en kinderen door buurvrouwen. De buurvrouwen drapeerden eveneens een zwart laken over de kist, dat ze van de diakonie (het gereformeerde armenfonds) huurden. Op de dag van de begrafenis haalden de buurmannen dan de ‘barve‘ (draagbaar) op uit de kerk, waarmee zij de dode naar het kerkhof droegen. Bovendien luidden zij nog de doodsklok, voordat zij rond het middaguur de kist in het graf lieten zakken.

Tegenover al dit dienstbetoon stond een beloning, waarmee de bevoorrechte gereformeerde kerk en in haar voetspoor de overheden in de zeventiende eeuw weinig op hadden: de ‘utigst‘, een eet- en vooral drinkgelag. Toen draconische, maar steeds herhaalde verboden niets uithaalden, omdat nabestaanden nou eenmaal niet voor gierig wilden doorgaan, kwam het stadsbestuur vanaf 1668 met reglementen die voorzagen in een beperkte erkenning van dit aloude gebruik. Zo stelde zij een maximum vast voor de hoeveelheid buren die mocht meehelpen na een sterfgeval en die dus recht had op deelname aan de utigst. Ook mochten deze buren niet bij de nabestaanden aandringen op het geven van een utigst. Er moest beslist sprake zijn van een vrijwillige ‘verering’. Bovendien limiteerde het stadsbestuur de kosten van de utigst. Zo mochten nabestaanden van een volwassen dode vanaf 1687 voor maximaal tien gulden aan de buren wegschenken. Voor een onvolwassen dode, waar immers veel minder hulp bij nodig was, halveerde het stadsbestuur dit bedrag.

Nou werd er bij een utigst traditioneel kluin geschonken, het roemruchte Groninger bier, gebrouwen uit veel gerst, een weinig haver en een dot hop. Voor de maximum-gift die vanaf 1687 voor een volwassen dode gold, konden buren iets minder dan anderhalve Groninger ton van dat goedje kopen, ruim 200 liter. Kijken we naar de praktijk van de utigsten, dan lijken de bepalingen goed te zijn nageleefd. Want in de grote winkelstraten van de stad vereerden de nabestaanden doorgaans een hele ton (à 155 liter) kluin aan ‘noabers’ die een handje meehielpen na het overlijden van een volwassene, terwijl in de minder aanzienlijke straten van de stad en in de buurtjes buiten de poorten en te Helpman zelfs de nog geringere standaardgift gold van een halve ton kluin (77,5 liter).

Enige tientallen personen, hooguit veertig, deelden in zulke hoeveelheden. Dat maakt de minimale kluingift per persoon twee liter. Schraalhans was geen keukenmeester. Op de laffe pilsener van tegenwoordig leek de kluin namelijk allerminst. Het goedje bevatte maar liefst negen procent alcohol. Deze gegevens, gevoegd bij dat van de gemiddeld veel slechtere lichamelijke conditie in die tijd, voeren onontkoombaar tot de conclusie dat de kennelijke staat op zo’n beperkte utigst nog lang niet uitgesloten was. Ondergetekende kan de lezer tenminste uit eigen ervaring verzekeren dat je zelfs van een litertje kluin al behoorlijk op je kop kunt staan (je moet het dan ook niet drinken als pils).

De bierschenking aan de naburen die hadden meegeholpen na een sterfgeval kon ook worden omgezet in een som gelds aan de de collectieve nabuurschap, het bredere verband dat ongeveer twintig dragende mannen en hun huishoudens omvatte. In een enkele grote winkelstraat van de stad, zoals de Herestraat, was tegen het eind van de achttiende eeuw deze omzetting of afkoop zelfs al verplicht.

Maar het afkoopgeld voor utigsten was lang niet het enige geld dat in de kas van een collectieve nabuurschap kwam. Getuige verschillende ‘willekeuren’ (onderling overeengekomen reglementen), had zo’n nabuurschap ook inkomsten uit allerlei kleine ‘breuken’ (boetes), te betalen door buren die plichten niet nagekomen waren. De kas voor deze breuken werd beheerd door twee ‘breukmeesters’ of ‘volmachten’, een boekhouder en een assistent, die in voorkomende gevallen tevens als woordvoerders van de buurt optraden.

Deze volmachten moesten ook goed bijhouden wie er allemaal in hun buurt kwam wonen, want van een nieuw huishouden werd een stevig entreegeld verwacht. Een keer per jaar dienden de volmachten verantwoording van hun inkomsten en uitgaven af te leggen in een buurtsamenkomst. Daarin ging het er democratisch aan toe: de besluitvorming geschiedde bij meerderheid van stemmen. Alle hoofdbewoners van de woningen in de nabuurschap werden bij deze vergadering verwacht en wie zonder geldig excuus – zoals ziekte of afwezigheid uit de stad – niet kwam opdagen, betaalde weer een breuk.

Maar dat het quorum van tweederde der buren op dit soort bijeenkomsten vaak gehaald zal zijn, lag niet alleen aan die boete. Want de agenda bevatte na de kascontrole en de verkiezing van een nieuwe volmacht in plaats van de afgetreden boekhouder nog een uiterst aantrekkelijk punt: het potverteren. Per slot van rekening moest al dat geld toch ergens heen. En wel naar de ‘nabertering‘, een buurtfeest.

Tot 1668 waren deze “gasterijen of rotten van ganse nabuyrschappen” domweg verboden. Dat jaar gaf het stadsbestuur impliciet toe dat het ook in dit opzicht, net als bij de utigsten, tegen de bierkaai vocht. Het besloot voortaan alleen nog te waken tegen excessen. Tussen twee opeenvolgende naberteringen moest drie jaar zitten, ze mochten alleen toegankelijk zijn voor nabers en hoogstens gehouden worden gedurende twee opeenvolgende dagen, waarna de derde dag de afrekening moest plaatsvinden. Het dansen, inhuren van muzikanten en houden van maskeraden bleef uit den boze en men mocht een nabertering ook niet houden in tijden van rampspoed en oorlog, daar zulks Gods rechtmatige toorn uitlokte.

Wilde een buurt een nabuurtering houden, dan diende ze voortaan permissie te vragen aan de President-Burgemeester. Helaas werden diens vergunningen niet ten stadhuize geregistreerd of is de registratie niet bewaard gebleven. We zouden dus weinig te weten kunnen komen over gehouden ‘nabuurteringen’, ware het niet dat het stadsbestuur drie jaar later, in 1671, bepaalde dat ‘de gemene armen’ voortaan recht hadden op ‘een pond groot’ (zes gulden) voor iedere nabertering.

Van 1671 tot 1796, toen er aan de regeling een einde kwam door de scheiding van kerk en staat, staan er zo meer dan vijfhonderd ontvangsten wegens naberteringen geboekt in de diaconierekeningen van de bevoorrechte gereformeerde gemeente. Ik nam die rekeningen door op nabuurteringen van de nabuurschappen buiten de Oosterpoort en buiten Kleinpoortje, maar trof er geen enkele melding van aan. Toch vonden dergelijke buurtfeesten wel degelijk in deze omgeving plaats. In 1682 hielden “de gesamentlycke naebuiren buiten d’Oosterpoorte, sijnde moesschers en lieden van geringe conditie” immers een nabertering in herberg de Cuba. Dat feest kwam ook ter kennis van het stadsbestuur, hetgeen evenwel niet tot een betaling aan de diakonie leidde.

Natuurlijk kan dat ook aan onbekendheid met de regeling gelegen hebben. Zo zeiden de buren buiten de Steentilpoort er anno 1777 niets van te weten. Maar die onkunde leidde iniet tot kwijtschelding van hun breuk. Ook is het moeilijk voorstelbaar dat men elders naberteringen wel geheim kon houden.

Het ontbreken van meldingen in de diaconierekeningen over naberteringen buiten de Oosterpoort ligt dan ook aan iets anders: de hoeveelheid geconsumeerde kluin was er onder de maat. Bij het geval van 1682 bestond de vertering slechts uit één ton van dit vocht, terwijl uit een zaakje van 1708 blijkt, dat zelfs een nabertering van bijna vijf vaten (775 liter) kluin nog niet in aanmerking kwam voor een breuk aan de diakonie. Een echte nabertering was dus nog groter. Zo staat een buurtfeest anno 1709 in de Oude Ebbbingestraat, waar de buren in totaal acht tonnen (1240 liter) kluin verorberden, wèl vermeld in de diaconierekening. Een nabertering aan de Ossemarkt anno 1759, die twee dagen duurde, tref je er ook in aan, terwijl je vergeefs zult zoeken naar die van 1761, waar de deftige naburen van de Ossemarkt voor ‘slechts’ 27 gulden aan wijn opdronken.

Bij nader inzien betreffen de posten wegens naberteringen in de diakonierekeningen ook bijna alleen de grotere winkelstraten in de stad. Niet alleen gaven de erfgenamen hier dubbel zoveel kluin aan buren (een hele ton in plaats van een halve na het overlijden van een volwassene), ook waren de buren die hier bij een sterfgeval geholpen hadden, of hun dienstboden lieten helpen, veel minder geneigd om die kluin op een utigst te consumeren. Wellicht ook door de drukte in deze straten zoutten de bewoners hier de consumptie langer op, zodat de algemene buurtkassen hier ook veel meer met afkoopsommen werden gespekt en er op termijn dus veel grotere feesten mogelijk waren.

Andersom moet in de buurten die niet in de diaconierekeningen voorkomen, zoals die buiten de Oosterpoort, nog het traditionele beeld hebben bestaan. Hier verorberden de nabers de kluin meestal nog op een utigst. Als er buiten de Oosterpoort en ’t Kleinpoortje al eens een nabertering gehouden werd, dan was dat maar een kleintje.

Harry Perton

 


4 reacties on “Barve en kluin, utigst en nabertering”

  1. Sicco schreef:

    Van de Utigsten had ik nog nooit gehoord. In het Oosten van het land verzorgen de buren nog vaak de gehele begrafenis. Dat begint met “d’n noasten noaber” met doodaanzeggen aan de andere buren. De familie hoeft weinig te doen. Wat jouw artikel betreft: gemiste kans van Stad en Lande is mijn ongevraagde mening.

  2. Otto S. Knottnerus schreef:

    quote:Ondergetekende kan de lezer tenminste uit eigen ervaring verzekeren dat je zelfs van een litertje kluin al behoorlijk op je kop kunt staan
    Hoe oud moet jij wel niet zijn dat je nog kluin gedronken hebt, Ghelkinge?
    In de plattelandsbeschrijvingen uit de negentiende eeuw lees je vaak over het zelfgebrouwen bier: een troebel goedje dat niet meer dan een paar procent alcohol zou bevatten. Dit lezende, vraag ik me wel af of dat laatste niet een misvatting is.
    En het dure Hamburger bier, waaraan men de voorkeur gaf. Was dat nog sterker dan kluin?
    Het Groninger kluin was inderdaad vermaard; het werd ook naar Friesland uitgevoerd. Rond 1800 was dit echter al verleden tijd. Al in 1785 schrijven de auteurs van de Tegenwoordige Staat van Friesland:
    quote:Bier, vooral het zwaare Bier, waarin eene dronkenmaakende kracht steekt, is nu niet meer dagelyksch gebruik. Op begraafenissen en by andere plegtige gelegenheden wordt hetzelve, zo by den boerenstand als by stedelingen van geen groot vermogen, maar inzonderheid, doch alleen versch gebrouwen en dus min krachtig, gebruikt. De Thee en de Koffie hebben het bier byna geheel verdrongen, en deszelfs plaats zodanig ingenomen, dat men het misbruik daarvan met reden als eene zeer verderflyke tyd- en geldspilling te beschouwen heeft … Ondertusschen kan het wel zyn, dat daar door, volgens sommiger gedachten, het onmaatig gebruik van sterke dranken, en de daar door te wege gebragte vechteryen en pleitgedingen, merkelyk hebben afgenomen. Het is althans zeker, dat de dronkenschap, oudtyds zo gemeen, by de Friezen van onze tyd veel minder vernomen wordt. Fatsoenlyke lieden, van wat stand zy ook mogen zyn, zouden het zich tot oneere rekenen, dronken in het openbaar te verschynen. Zelfs heeft de haatelyke gewoonte van zyne gasten, by plegtige gelegenheden, op allerlei wyze tot drinken te persen, en met een bezoopen lichaam naar huis te zenden, by onzen leeftyd dermaate afgenomen, dat daarvan maar zelden gehoord wordt.
    De Groningers liepen daarbij een beetje achter, getuige ook de reisbeschrijvingen uit die tijd, die vaststelden dat er bij het passeren van de grens bij Strobosch toch een wat minder beschaafd stuk Nederland begon.

  3. Gelkinghe schreef:

    Mooi citaat Otto.
    Wat betreft die kluin: halverwege de jaren negentig werd die weer naar oud recept gebrouwen, hier in de stad. De Kroeg van Klaas verkocht het spul via de tap. Maar lang heeft dat niet geduurd, want volgens Fokke, de eigenaar van de KvK, bedierf het spul nogal gauw. Het was niet echt een stabiel biertje, mogelijke ontbrak er nog wat aan dat oude recept.

  4. Otto schreef:

    Ik denk dat het niet bedoerf (rotte eieren), maar zuur werd. Ook dan blijfft er in eerste instantie genoeg alcohol over om bezopen te worden. Wij zijn dat alleen niet meer gewend.
    Zo was het in de negentiende eeuw bij het slechtste soort herenboeren in Noord-Duitsland gebruikelijk om oude karnemelk en ranzige bloedworst aan hun personeel te voederen. Je kreeg er diarrhee van, maar voeden deed het wel. Franz Rehbein schrijft erover in zijn prachtige autobiografie uit 1911.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.