Her schootsveld na de aftocht van Bommen Berend

Geplaatst op 28 augustus 2006

Groningen Constant, ’t behoud van het land. Toen op zaterdag de 28-ste augustus 1672 hier ontdekt werd dat de troepen van Münster en Keulen met stille trom hun stellingen tussen de Hereweg en de Meeuwerd hadden ontruimd, stroomden ’s middags de stadjers hun behouden veste uit om de aanvalslinies van de vijand eens te bezien. Volgens dominee Eldercampius van Lutjegast, die erbij was, zag men “overal verlaten batterijen, loopgravens, onderaardse galderijen ende mijnen”. Hier en daar lagen in de zompige modder, temidden van de rijsbossen, pionierschoppen, houwelen, musket- en kanonskogels nog soldatenlijken ook, waaronder twaalf die “naakt uitgeschud” waren bij een Keulse stelling even ten oosten van de Oosterweg.

Was een kwart van de stad min of meer in puin geschoten, de verdedigers lieten zich niet onbetuigd. Ze beschikten over nagenoeg dezelfde projectielen als Bommen Berend – stinkpotten en brandbommen, schroot en vlinten, naast de gebruikelijke munitie – en hun beste geschut reikte tot de grens met Helpman. Het vuur vanuit de stad was zelfs moorddadiger geweest dan dat van Bommen Berend, want terwijl er in de stad een kleine honderd doden vielen, vooral burgers, zouden er onder de Münstersen, de Keulers en hun Franse adviseurs enige duizenden gesneuveld zijn.

Het gebied dat nu begrensd wordt door de Hereweg en de Meeuwerderweg en dat toen de achilleshiel van de stad vormde, omdat een uitloper van de Hondsrug zich nu eenmaal niet onder water liet zetten, was één omgeploegde, pokdalige woestenij. Al bij de aantocht van de bisschoppen had men hier de huizen en andere opstallen verbrand en neergehaald, de bomen, struiken en heggen gekapt en de sloten en wallen tussen wegen, hoven en tuinen geslecht, om “den viandt van verschuyl en nestelen alle gelegentheydt af te snijden”.

Hoe kwam er op dit schootsveld weer cultuur. Hoe raakte deze verschroeide aarde weer bewoond?

Voor het beleg kenmerkte het aangegeven gebied zich qua bebouwing door hoven (omheinde siertuinen met onbewoonde zomerhuisjes), een stuk of wat herbergen, en – vooral ten zuiden van de huidige Sophiastraat en Warmoesstraat – moeskerijen (tuinbouwbedrijfjes, waarop ook vee gehouden werd). Na het beleg zou de bevolking, die voornamelijk uit moeskers bestond, er terugkeren. Volgens Gerard Offerman gebeurde dat pas na 1700. Die voorstelling van zaken staat hier te bezien.

Laat me het inzaaien, het verhuren en het bewonen van de grond even scheiden. Tijdens het beleg, als het schieten een poosje ophield, zag men vijandelijke soldaten wortels en kruiden zoeken in wat er van de moestuinen over was. De mensen in de stad kregen uiteraard geen producten meer van deze grond. Zo zegt de rekening van het Anthoniegasthuis over 1672:

“Alsoo de Moestuinen buiten Ooster en Heerpoorte zijn verdestineert is int Gasthuis geen moes gespijsiget”.

Onmiddellijk na het ontzet nam het stadsbestuur een ‘secrete resolutie’ aan, waarbij het onder andere de agrarische bebouwing aan een vergunning bond. Eind januari 1673 verkregen de gezamenlijke moeskers, “gewoond hebbende de Heere en de Oosterpoort” reeds de toestemming om weer groente te telen, zij het dat een commissie uit het stadsbestuur nog wel even op zoek ging naar een betere plaats voor hun tuinen. In afwachting van dat onderzoek werd sommige grond buiten de Oosterpoort opnieuw bebouwd, andere niet. Zo stond er in 1673 weer groente op het menu van het Anthoniegasthuis; kennelijk kwam hier de aanvoer vanuit het zuiden weer op gang. De moeskerstuin van het Burgerweeshuis daarentegen, de zesde aan de westkant van de Oosterweg, lag dat jaar nog braak:

“De voorgeschr[even] Tuinlanden door den Vijandt geruïneert zijnde, hebben in ’t jaar 1673 voor vogelweide gelegen, alsoo van niemandt gebruickt zijn…”

Een alternatieve plek voor de moeskerstuinen buiten de Ooster- en de Herepoort was er domweg niet en het is dan ook geen wonder dat we niets meer van het onderzoek vernemen. Schold het stadbestuur de grondpachten voor tuinen die in eigendom waren van de gast- en weeshuizen over 1672 en 1673 nog kwijt, vanaf 1674 konden deze filantropische instellingen weer geld van hun huurders beuren. Ging het hierbij vooral om tuinen tussen de Here- en de Oosterweg, begin dat jaar kreeg ook de particuliere verhuurder van de acht eerste moeskerijen ten oosten van de Oosterweg, luitenant Popko Everards de Embda, vergunning om zijn tuinlanden weer te verpachten, zij het “bij provisie” (voorlopig) en “op sijn pericul” (op eigen risico). Net zomin als elders mochten er huizen op zijn grond worden gebouwd, “noch bomen en hegen gepotet” en zou “de wijke” (een geplande extra verdedigingslinie) door deze tuinen komen, dan moest De Embda zich vooral niet komen beklagen op het stadhuis.

Tegelijkertijd met hun toestemming aan de militair namen Burgemeesteren en Raad het besluit om de tuinen te laten opmeten door een landmeter, die de rooilijnen ook in kaart zou brengen. Dit werk – de kaart ging helaas verloren – voerde hij in het voorjaar van 1674 uit, na overleg met Gedeputeerde Staten van Stad en Lande, de instantie die in zaken van defensie het laatste woord had. Bij de onderhandelingen over de pachten van de tuinen die in bezit van filantropische instellingen waren, kregen de desbetreffende moeskers dat jaar een kwart tot een halve stuiver de roe huurvermindering, “om dat gegraven gront waer”. In plaats van 1,75 stuiver de roe betaalden de meesten voorlopig 1,5 stuiver de roe; zuidwaarts kon de korting nog wat oplopen, wellicht omdat de schade die de moeskers daar moesten herstellen wat groter was.

Vanaf 1674 waren dus alle tuinlanden weer verhuurd en wel in gebruik. Maar het agrarisch benutten van de grond hoefde natuurlijk nog niet te betekenen dat die grond ook bewoond werd. Wat dat aangaat is de hierboven al genoemde ‘secrete resolutie’ die het stadsbestuur vier dagen na het ontzet nam, op zich duidelijk genoeg. Burgemeesteren en Raad voorzagen dat deze of gene bij het voortduren van de prille vrede zou verzoeken om herbouw van zijn woning, hetgeen bij een volgend beleg dan opnieuw tot afbraak en schade zou leiden. Daarom mocht er in dit gebied niet getimmerd worden, als op vergunning van het stadsbestuur. Het stond de moeskers “tot bewaeringe haerer vruchten ende schuil bij quaedt weder” vrij “een clein huttien van houdt” te maken, maar hun “principale woningen ende koemelckers gebruick” dienden zij binnen de wallen van de stad te hebben en te houden.

Nu dwong een geheim besluit zonder verdere ruchtbaarheid geen naleving af. Hernieuwde vestiging van moeskers buiten de poorten zal voorlopig zonder ophef zijn verhinderd, maar kan op termijn even geruisloos weer op gang gekomen zijn. Met de toestemming om hun tuinland weer te bebouwen, begin 1673, kregen de groentetelers vergunning om “tenten” op dat land te zetten. Die ‘tenten’ waren net als voornoemde hutjes van hout, en de moeskers konden er hun gereedschap in kwijt, hun koeien in stallen en hun oogst in schoonmaken. Het ligt voor de hand dat de moeskers er, om hun spullen tegen dieven te beschermen, tijdens het seizoen regelmatig de nacht hebben doorgebracht.

Op de eerste moeskerstuin aan de westkant van de Oosterweg, die van het Anthoniegasthuis, stond in 1685 alweer een bewoond huisje, al bracht dat nog geen 65 gulden op. Van deze verkoop is geen acte opgemaakt; het bedrag was niet de moeite van een gang naar een zegelaar waard. Kijken we naar de schaarse wèl aanwezige koopacten, dan zien we dat er uit de jaren 1666-1668 een drietal stamt van buiten de Oosterpoort gelegen moeskerijen, met een gemiddelde prijs van 820 gulden, terwijl er daarna pas weer zulke stukken opduiken in het eerste decennium van de achttiende eeuw, eveneens een drietal, met een gemiddelde prijs van 354 gulden. Afgaande op deze acten lijkt Offerman inderdaad gelijk te hebben met zijn stelling dat de herbevolking pas in de achttiende eeuw op gang kwam.

Echter, tien jaar na het beleg, anno 1682, speelde er een kwestie die beter dan de ietwat elitaire koopacten licht werpt op de herbebouwing en herbevolking. De stadsfiscaal (aanklager) eiste dat jaar een boete van 150 gulden tegen degenen die de inning van de bieraccijns van de stad pachtten, omdat ze het op een accoordje hadden gegooid met Harmen Arends, de tapper van herberg de Cuba buiten de Oosterpoort. Deze Arends hoefde van de bierpachters slechts accijns te betalen over één halve ton bier, terwijl hij er twee ingeslagen had. De bierpachters gaven hun overtreding volmondig toe, maar verzochten de magistraat om clementie,

“ontkennende dat sij sulcks aen Harmen Arends als weerdt hadden gep[er]mitteert, maer dat de gesamentlijcke naebuiren buiten d’Oosterpoorte, sijnde moesschers en lieden van geringe conditie, t’selve van hem hadden versocht, om in dier voegen sich ten huyse van Harmen Arendts wat te vermaecken, en enig bier te mogen verteren, sijnde andersints in derselver woningen geen bequame gelegentheijt”.

Dat er al wel weer een bevolking buiten de Oosterpoort was, stond bij deze kwestie buiten kijf, evenals de aanwezigheid van woningen. De moeskers en kleine luiden beschikten echter over geen enkele ruimte die groot genoeg was om hun ‘nabertering’ in te houden. Een dergelijk buurtfeest had ook plaats kunnen vinden in een achterhuis of schuur, maar die waren er blijkbaar nog niet, zoals dat in de achttiende eeuw wel het geval zou zijn, en daarom zochten de nabers hun toevlucht tot herberg de Cuba. De buiten de Oosterpoort aanwezige woningen zagen er, kortom, nog zeer primitief uit. Waarschijnlijk ging het om niet veel meer dan de tien jaar eerder toegestane houten hutten of tenten, die men in weerwil van het toen genomen geheime besluit bewoonde, zonder dat daar woorden aan vuil zijn gemaakt.

Over herbergen gesproken, zowel de Brandenburg als de Cuba keerde terug na het beleg van 1672. Van de Emmaus en de Hulzebosch, twee andere uitspanningen die zich voor het beleg in het gebied buiten de Oosterpoort bevonden, hoort men niet meer. Ook voor de herbergen geldt dat de herbouw aarzelend op gang kwam en verre van compleet was.

Tot slot nog een bron die beter dan de genoemde laat zien in welk tempo de buiten-Oosterpoorter herbevolking na het Gronings Ontzet haar beslag kreeg: de doopregisters van de Gereformeerde, later Hervormd genoemde gemeente, de geloofsgemeenschap die het gros van de ingezetenen omvatte. Deze registers geven ook de adressen van de kinderen, die, anders dan tegenwoordig, bijna allemaal werden gedoopt, als ze tenminste de eerste weken overleefden. Welnu, in de kwarteeuw voor 1665 neemt het jaarlijkse aantal gereformeerde dopelingen van buiten de Oosterpoort toe van gemiddeld 5 tot een 8 à  9 per jaar, met een piek van 11 in 1663. Na de eerste inval van Bommen Berend (1665) daalt dit aantal reeds fors, tot gemiddeld 3 in de jaren 1665-1671. In de jaren 1672, 1673 en 1674 is er zelfs geen enkel van buiten de Oosterpoort afkomstig kind dat in de Martini-, A-, of Noorderkerk met doopwater besprenkeld wordt. Nadien, in de tweede helft van de jaren 1670, dopen de gereformeerde predikanten gemiddeld slechts 1 buiten-Oosterpoortertje per jaar, maar in de eerste helft van de jaren 1680 blijken dat er al weer 4.

Getuige ook de boven aangehaalde bierpachterskwestie moet in die laatste periode de herbevolking op gang gekomen zijn. Het getal dopelingen van buiten de Oosterpoort, hoewel trendmatig toenemend, blijft echter nog tot diep in de achttiende eeuw achter bij de vruchtbare periode onmiddellijk voor de eerste Münsterse inval. Pas in 1724 wordt het dopelingenrecord van 1663 gebroken en pas na 1755 overtreffen de vijfjaarlijkse gemiddelden die van de eerste helft der jaren 1660.

De conclusie luidt dat het gebied buiten de Oosterpoort, in tegenstelling tot wat Gerard Offerman meent, niet pas in de achttiende eeuw, maar enige jaren na het Gronings ontzet al weer bevolkt raakte. De bewoners huisden voorlopig in uiterst schamele hutten of tenten van hout. Anders dan de secrete resolutie van vlak na het Ontzet wilde, kwam er aan de hervestiging geen vergunning te pas. Ze geschiedde sluipenderwijs. Het stadsbestuur kon niet voorkomen dat de moeskers voor de bescherming van hun bezit eerst zelf in hun primitieve onderkomens gingen slapen, om er vervolgens gezelschap te krijgen van hun families.

Advertisements

Plaats een reactie on “Her schootsveld na de aftocht van Bommen Berend”

  1. JP zegt:

    Zo, daar kan Offerman weer een puntje aan zuigen 🙂
    Goed werk, en mooi om te lezen …


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s