‘Ie bint nog maar een snotneuze!’

Geplaatst op 18 februari 2007

Bij het doornemen van oude jaargangen Nieuwsblad van het Noorden stuitte ik jaren geleden bij toeval eens op een stukje misdaadverslaggeving uit Drenthe. Het bericht had ‘De doodslag in Uffelte’ als kop en stond op 18 februari 1922 in het Nieuwsblad, dat als bron de Meppeler Courant had. Ik heb die lokale krant, die helaas niet gedigitaliseerd is, er niet op nageslagen, maar de ervaring leert dat kranten zulke berichten letterlijk van elkaar overnamen, zodat ik me vergenoeg met het stuk zoals dat in het Nieuwsblad stond. Hierna wordt dat in zijn geheel geciteerd, gevolgd door wat commentaar en aanvullende gegevens over de rechtszaak, die ik naderhand vond via de Historische Krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek.1

Het bericht:

De doodslag in Uffelte

“In het café Schenkel te Uffelte hedden de bewoners reeds geruimen tijd veel last van ratten. Toen de wed. Demmink dit hoorde, zeide zij tot den café-houder, dat haar zoon Roelof er den slag van had om dat ongedierte te vangen. Er werd afgesproken dat de 22-jarige Roelof eens zou komen met een rattestap. Dit geschiedde donderdagavond. De jongeling ging op de vangst en in een weinig tijds had hij al een vijftal ratten gevangen. Inmiddels had de vrouw van den kastelein koffie gezet en toen zij nog bezig was met het bakken van nieuwjaarskoeken, werd Roelof binnen genoodigd.

Nauwelijks was hij gezeten, of daar kwam ook de 62-jarige varkenskoopman Albert Been binnen. Mede aanwezig was de brugwachter Jan Hoogeveen Kzn. Been kwam van de markt te Meppel en had onderweg al eens ‘opgestoken’. In nuchteren toestand was hij een goedige kerel, maar als de man ‘n borrel op had, was hij van een driftige en opvliegende natuur. In dien toestand mocht hij gaarne iemand sarren, zegt de ‘Mepp. Crt’. Dat geschiedde ook nu.

Toen Roelof nog een kleine jongen was, had hij eens een stok gestoken in het rijwiel, waarop Been reed. Deze was gevallen, had Roelof gegrepen en hem een aframmeling gegeven. Aan dat voorval herinnerde Been Roelof, er aan toevoegende, dat hij zich ook nu nog wel in staat voelde, hem van hetzelfde laken een pak te geven.

Plotseling vroeg Been aan Roelof: ”Ie wordt veldwachter, heur ik?”

”Dat wee’k nog niet”, antwoordde Roelof.

 ”Now”, dreigde B. daarop, ”ik hebbe sch… an oe. Ie bint ‘t in alle geval nog niet en ak oe ‘n klap geve, ku’j nog gien verbaal opmaken. En zoo gauw as ie veldwachter bint, dan bin ik streuper en ak oe dan in ‘t veld zie, schiet ik oe dood.”

Op die manier ging B. voort en de kastelein en diens vrouw en ook Hoogeveen trachtten tevergeefs den opgewonden koopman te kalmeeren. Toen ging Roelof opstaan, om buiten even een kleine, hoogst noodige boodschap te verrichten.

”Hoe laat is ‘t?”, vroeg Been toen.

”Al negen ure”, zei de kastelein, ofschoon het nauwelijks half negen was. Maar men wilde gaarne sluiten.

Been, in de meening verkeerende, dat het inderdaad reeds over negen was, en zich herinnerende, dat den volgenden dag een verkooping voor hem zou worden gehouden, ging nu heen. Maar enkele minuten later kwam hij doodsbleek de herberg weer binnen en riep: ”O, wat bin ik doar estöken.” Het bloed stroomde uit zijn kleeren.

Eerst dacht men dat er geen levensgevaar mee gemoeid was, en men besloot hem naar huis te brengen. Doch men was nog maar ongeveer 50 meter van de herberg, of daar zakte Been neer. Hij kon niet verder, uitroepende: ”Ik sterve, ik kan niet meer!” Nu namen de mannen hem op en droegen hem naar zijn woning, vanwaar ze ook nog ca. 50 meter verwijderd waren. Hij werd te bed gelegd.

Inmiddels was Roelof naar den veldwachter Van den Berg gegaan; hij deelde dezen mede, dat het er bij Schenkel geducht toeging en dat Been danig er van langs kreeg. De veldwachter maakte zich gereed om dadelijk mee te gaan. Maar toen hij Roelof aankeek, zag hij hoe deze bloed aan het gezicht en de handen had. ”Wat zit ie vol bloed”, riep hij verbaasd. ”O”, zeide Roelof, ”ik bin zoo even mit de kop tegen ‘n mure eloopen.” En meteen waschte hij zich schoon.

Roelof vroeg den veldwachter om een stok. ”Waarom?”, vroeg deze. “Wel”, zei Roelof, ”je kunt nooit weten wat Been wil.” Zoo gewapend gingen beiden naar ‘t café Schenkel. Daar hoorden ze van den kastelein, wat er gebeurd was, terwijl deze het vermoeden uitsprak dat Been wel al overleden zou zijn. Veldwachter Van den Berg ging daarop direct naar het huis van den verslagene, en toen hij daar aankwam, bleek Been inderdaad reeds gestorven te zijn.

Nu werd de politie van Havelte gewaarschuwd. En toen veldwachter Vierhoven ter plaatse was gekomen, zeide hem v. d. Berg dat, hoewel Roelof Demmink een goed vriend van hem was, hij toch niet mocht verzwijgen, dat deze bloedvlekken op zich had, toen hij bij hem was om aangifte van de ruzie te doen.

Daarop werd Roelof gearresteerd en naar het arrestantenlokaaltje naast het brandspuitenhuisje gebracht. Eerst ontkende hij alle schuld. Hij werd daarop geleid naar het lijk van Been. Ook hier toonde hij zich uiterst kalm. Hij vatte het lijk bij den pols en zei: ”Ja, hij is dood”.

Maar toen hij weer in het arrestantenlokaal was gebracht, duurde het niet heel lang, of hij legde aan de beide politiemannen een volledige bekentenis af. Hij vertelde dat, toen hij buiten het café was, Been naar hem toe was gekomen, hem bij den arm gegrepen had en hem gedreigd had een klap te zullen geven, waarbij hij riep: ”Ie bint nog maar een snotneuze!” Toen sloeg Been er met zijn stok er maar op los en Roelof lag aldra op den grond. Al worstelende wist hij toen zijn mes uit den zak te krijgen, en terwijl Been hem met den stok bewerkte, stak hij zijn aanvaller in het been, zoolang tot hij uit zijn benarde positie bevrijd was.

Been had vijf steken gekregen, waarvan één, in de rechterdij, doodelijk was. Het mes van Roelof werd later in het kippenhok van den veldwachter teruggevonden. De jongen had het daar verstopt.

Zooals wij reeds zeiden, stond B. als hij sterken drank had gebruikt, bekend als een opvliegend en driftig man, waardoor ook de huiselijke vrede dikwijls verstoord werd. Hij moet enige weken geleden zelfs gedreigd hebben zijn zoon te zullen doodschieten.”

Tot zover het relaas in het Nieuwsblad. Merkwaardig is dat de naam van de dader geen enkele keer met initialen aangeduid wordt en dat de naam van het slachtoffer in de loop van het artikel juist van Been tot B. is afgekort. Dat lijkt een gevolg van ‘s mans kwaaie dronk. Van slachtoffer wordt hij bijna dader in het artikel, dat duidelijk sympathiseert met de echte dader.

Het negatieve oordeel over Been staat niet op zichzelf, want het sloot aan bij een algemeen gevoelen in de kranten. Zo plaatste De Telegraaf op 19 februari een achtergrondverhaaltje, afkomstig van een plaatselijke correspondent. Volgens dit bericht stond Been “ongunstig bekend”:

“Hij maakte, vooral op marktdagen, die hij.als varkenskoopman trouw bezocht, veel misbruik van sterken drank en was dan buitengewoon lastig, zoo zelfs, dat zijn vrouw menigmaal voor zijn thuiskomst vreesde, daar het meermalen gebeurde dat hij, dreigende met zijn mes, alles van de tafel sloeg. Doch niet alleen thuis, ook op andere plaatsen nam bij vaak een tartende en uitdagende houding aan.”

Wat verder nog aan de berichten opvalt, is het onhandige thuisbrengen van de varkenskoopman door de kastelein en de brugwachter. Met een beetje meer kennis van EHBO zou Been het geval wellicht hebben overleefd.

En dan is er nog die zwijgzaamheid. Been noemde niet de naam van Roelof en Roelof liep naar de veldwachter met het verhaal dat Been belaagd werd, alsof hij er zelf niets mee te maken had.

Het is juist dat afschermen en onder elkaar willen houden waardoor soortgelijke, minder fataal aflopende gevallen van messentrekkerij – een delict waar Zuidwest-Drenthe indertijd om bekend stond – menigmaal onbestraft zullen zijn gebleven.

De rechtszaak

Hoewel bijna alle kranten in den lande over het geval in Uffelte berichtten en sommige net als het Nieuwsblad van het Noorden het uitgebreidere stuk van de Meppeler Courant overnamen, was er opvallend weinig aandacht voor de rechtszaak. De dan “smidsknecht” genoemde Roelof Demmink stond op 1 mei 1922 terecht voor de rechtbank in Assen. Hem werd geen moord, en ook ook geen doodslag ten laste gelegd, maar slechts een mishandeling die de dood ten gevolge had. Roelof bekende “al snikkende” dit delict, maar beriep zich op noodweer. Been zou hem hebben aangevallen en met een stok in het gezicht hebben geslagen, hij had Been uit zelfverdediging één keer met zijn mes geraakt. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie echter, had  Roelof veel te snel zijn mes getrokken:

“Hij heeft volgens Drentsche gewoonte maar met het mes rondgeslagen en thans blijkt het dat één uur van onbedachtzaamheid maakt, dat men langen tijd schreit.”

De officier woog verzachtende omstandigheden mee en eiste daarom slechts anderhalf jaar gevangenisstraf. De advocaat van Roelof, die “een zeer gunstigen brief” voorlas van Roelofs ouwe baas, drong aan op een nog lichtere straf. Maar daarin ging de rechter niet mee – die veroordeelde op 15 mei 1922 Roelof Demmink conform de eis tot anderhalf jaar cel.3

Overigens was Roelof Demmink in 1899 geboren als zoon van Frederik Demmink, een rijksveldwachter en jachtopziener, die drie jaar eerder van Haule naar Uffelte verhuisde. Roelofs vader overleed een half jaar voor dit geval. De familie Demmink kwam dus uit de Stellingwerven, en daar ging Roelof ook heen na het uitzitten van zijn straf. Toen hij in 1926 trouwde, woonde hij in Ter Idzard. In 1962 overleed hij te Wolvega.4

Harry Perton

NOTEN:

1) http://kranten.kb.nl/

2) Telegraaf 19 febr 1922, naderhand geciteerd door De Tijd van en Het Volk van 20 februari 1922

3) Nieuwsblad van het Noorden 1, 2 en 15 mei 1922; Drenlias; Het Nieuws van de Dag 6 mei 1896; Telegraaf 19 februari 1922; Hepkema’s Courant 2 februari 1926; Friese Koerier 5 en 9 juni 1962.

Dit verhaal is eind oktober 2013 herzien en vervolgens gepubliceerd in het blad Onsen Spieker van de Historische Vereniging Havelte.

Advertisements

Plaats een reactie on “‘Ie bint nog maar een snotneuze!’”

  1. Jan K. schreef:

    Dit verhaal zou zich voor mijn gevoel ook zomaar in de Friese Wouden hebben kunnen afspelen …

  2. Gelkinghe schreef:

    @Jan,
    Zuidwest-Drenthe was berucht om de messentrekkerijen, tweede helft negentiende en eerste decennia twintigste eeuw. Er is zeker een overeenkomst met de Friese streek van Houtigehage, Zwaagwesteinde, Jubbega etc.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s