Overspel bij het wasvat

Geplaatst op 22 februari 2007  a

Jan Remmerts was begin twintig en Geertruid Hindriks ongeveer vijftig jaar oud, toen ze in november 1737 in de Martinikerk trouwden. Bracht Jan zijn mankracht en misschien wat soldatenspaargeld in, Geertruid had, naast haar twee kinderen, een huisje met een bleek buiten Klein Poortje (nu omgeving Cultuurcentrum), welk vastgoed 240 gulden waard was.

De ex-soldaat en de blekersweduwe trouwden in gemeenschap van goederen. Ondanks het ook voor die tijd grote leeftijdsverschil, dat het krijgen van kinderen uiteraard in de weg stond, bleef hun huwelijk de eerste tien jaar probleemloos. Wel had het echtpaar voortdurend ruzie met de enige buurman, de scheepstimmerman en hellingbaas Anthonie Jans, die hun het recht van overpad over zijn terrein naar de Bonte Brug ontzegde, en die door het afgraven van een diepswal wateroverlast op de bleek veroorzaakte, kwesties waarin Anthonie overigens aan het kortste eind trok.

In november 1746 kwam er een nieuwe dienstmeid bij de blekerij inwonen, de ruim twintig jaar oude karremennersdochter Hindrikje Zweises, in de wandeling Hinne. Na verloop van tijd zou Hinne aanleiding geven tot grote spanningen in het huwelijk van haar baas en bazin. De knechten van Anthonies’ scheepstimmerwerf zagen Jan Remmerts en Hinne vaak samen en ook kwam de bleker wel eens op bezoek in de Herepoortenwacht, de woning van Hinne’s ouders.

Hoewel Jans’ vrouw de arbeidsovereenkomst van de dienstmeid op Allerheiligen (1/11) 1748 verlengde, kwam er enige dagen later bericht uit de Herepoortenwacht dat Hinne na haar meidenvakantie niet weer op de bleek zou komen werken. Hinne was namelijk zwanger.

Begin maart 1749 bracht ze een zoon ter wereld. Tegen de oude vroedvrouw, Hinkende Jantje van de Nieuwstad, die ambtshalve verplicht om een ongehuwde moeder tijdens het kramen uit te horen over de verwekker van haar kind, verklaarde Hinne dat een mennist (doopsgezinde) van buiten de Oosterpoort de vader was. Tegen haar moeder hield Hinne echter vol, dat een schoenmakersgezel haar bezwangerd had, een dermate luie vent dat ze er niet mee wilde trouwen. Hinnes moeder kreeg de naam van deze man nooit te horen en foeterde maar niet, “uit vreze voor groter kwaat” dan deze ene “misval” van haar dochter.

Intussen gingen er praatjes rond dat Jan Remmerts de verwekker van Hinnes kind was. De bleker deed niets om deze geruchten te ontzenuwen, integendeel, want enige weken na de bevalling drong hij er bij zijn vrouw op aan om Hinne weer in dienst te nemen. Geertruid weigerde – “Wat zal die canalje op de bleke doen?” – maar haalde bakzeil toen Jan anderhalve week lang geen stom woord meer tegen wie dan ook sprak. Hinne keerde echter niet terug als interne dienstbode, maar als externe wasvrouw, die dagelijks voor haar werk zou worden betaald. De ochtend dat ze tot zichtbaar genoegen van Jan weer op de bleek verscheen, luidde Geertruid’s welkom: “Nu zals doe hoere met myn kerel huishouding doen”.

Hinne betaalde haar moeder achttien stuivers kostgeld in de week voor het kind, wat mogelijk was doordat ze op de bleek relatief goed verdiende en daar bovendien te eten kreeg. Maar ze kon dan ook schrijven, een kunst die Jan en zijn vrouw niet beheersten. Toch zou het ruime kostgeld tot het nieuwe gerucht leiden, als zou Jan de bleker het kind van Hinne de wasvrouw onderhouden.

Jan werkte ook deze speculatie weer zelf in de hand, door nog vaker dan voorheen en soms wel twee maal daags op visite te gaan in de Herepoortenwacht. Hij tracteerde de moeder van Hinne, haar stiefvader – “een out uitgeleeft man, die daar ook niet gerekent wordt en die geen erg heeft” – en de wel degelijk oplettende kostganger dan op een borrel en trok zich af en toe met Hinne terug in de donkere turfhoek, achter een gordijn. In de woonkeuken knuffelde hij het onechte kind wel eens, hij speelde ermee en praatte er tegen. Een enkele keer, als de poort al dicht was en Jan de stad niet meer uitkon, bleef hij zelfs in de Herepoortenwacht overnachten.

De buren van de Herepoortenwacht, aan wie de frequente bezoeken niet ontgingen, riepen Jan wel na: “Daar gaat de pal weer” (pal of pol = beschermer, souteneur). Maar de bleker trok zich daar niets van aan en bleef komen. Ook dichterbij huis werd Jan wel eens gekapitteld. Door de knechten van zijn vermaledijde buurman Anthonie bijvoorbeeld, maar ook door Hindrik Heres, een koemelker (veehouder) aan de overkant van het Winschoterdiep.

Jans vrouw troonde deze Heres vlak na Hinnes terugkomst op de bleek eens mee om een koe te bekijken, waarna ze in diens bijzijn haar man confronterend voorhield: “Ik weet wel dat het kind van u is, laat haar tog van de bleke”. Jan reageerde niet verbaal, maar werd lijkbleek en zocht steun tegen een staander. Alleen gelaten met de koemelker, gaf Jan geen sjoege op diens vermaan, dat hij zijn oude vrouw zoveel verdiet niet mocht aandoen en dat hij Hinne met wat geld van de bleek moest sturen.

Begin 1750 kregen Jan en zijn buurman Anthonie, de scheepstimmerbaas, andermaal ruzie, nu over een dakgoot die Anthonie bezig was aan te leggen, en die uitwaterde op grond van de bleker. Jan wilde de verdere aanleg verhinderen, waarop Anthonie tegen hem zei dat hij naar zijn hoer moest lopen. Hinne, bij het geval aanwezig, gaf Anthonie lik op stuk: “Hij kan alleen beter een hoere onderholden als jé seven”. Toen Anthonie de bleker sloeg, wilde Hinne de hellingbaas te lijf gaan met een hooivork, hetgeen omstanders ternauwernood wisten te voorkomen.

In de winter van 1750 op 1751 kwam er steeds een soldaat naar de bleek, die naar Hinnes hand dong. Jan verbood de man nog langer te komen, “om reden dat hij dat geloop niet wilde hebben”, en gaf smalend op hem af tegen Hinne. De soldaat kwam op een middag in kennelijke staat terug om met een mes verhaal te halen. Jan werd door zijn stiefzoon ontzet. De soldaat hield zich voortaan verre van Hinne.

Binnenshuis werd Jan steeds driester. Voor de beide dienstmeiden, die veel korter dan Hinne op de bleek werkten, was het al spoedig duidelijk dat hun baas “seer gestijvert” was op Hinne. Hij haalde haar dikwijls aan als ze bij het wasvat stond, ze stoeiden nogal eens en hij zoende haar ook, al was hij daar wat voorzichtiger mee. Hinne zelf had bij dit alles een meer passieve rol: ze onderging het, maar zonder spoor van verzet. Aan tafel, in bijzijn van Jans’ vrouw, keken Jan en Hinne elkaar steeds in de ogen en soms zei hij hardop: “Hinne wat hebbe ik die lief.”

Hoewel Hinne als wasvrouw bij daghuur werkte en ze met haar kind bij haar moeder en stiefvader in de Herepoortenwacht woonde, bleef ze, als er veel werk was, ook wel eens ’s nachts op de bleek. De dienstmeiden haalden dan haar zoontje op uit de Herepoortenwacht. Die maakten zo eens mee dat een boze Hinne de peuter, die op haar schoot zat, een tik verkocht, waarop Jan zei: “Fooi, wat biste lelik tegen het kint Hinne, als doe mij de jonge slagste, ik wil die mijn leven geen jonge weer maken”. Hinne had haar hoofd geschud: “Meester ben je niet wijzer? Wat praat is dat, waarom houje u niet stille?”.

Bij het koffiedrinken en bij het eten hoorden de dienstmeiden Jan zijn vaderschap van Hinne’s kind meer dan eens bevestigen. Als het kind wat verdrietig was, nam hij het van haar over en zei dan: “Kom geef dyn vaar een bekje”.

De houding van Geertruid, de vrouw van Jan, was bij dit alles ambivalent. Als Jan de nacht elders door had gebracht, was dat erg tegen haar zere been. Dan schold ze hem uit: “Doe schelm, doe houwste met andere vrouwluy toe”. De tafelmanieren van Jan en Hinne verdrietten haar tot schreiens toe. Tegen de dienstmeiden klaagde Geertruid dat Jan zoveel liefde voor Hinne had “dat zij er niet konde aan doen”. En over sommige uitlatingen van Jan zei ze: “De baas vlapt maar uit al wat hij weet en niet weet”. Maar ze liet zich ook eens bij een gezamenlijk toertje door de sneeuw op een slee rondschuiven door Jan en Hinne. Wat aantoont dat ze zich af en toe ook met de situatie verzoende, en dat ze er in dit stadium zeker geen belang bij had, dat de affaire uit zou komen.

Geplaatst op 22 februari 2007  b

Dan, in het voorjaar van 1751, veranderen in korte tijd het gezicht en de gelaatskleur van Hinne. Op vrijdag 30 april van dat jaar is Jan opeens verdwenen, onder medeneming van bijna zevenhonderd gulden.

Hij had zijn vertrek goed voorbereid. Eerst bezocht hij Lucas, de tolmeester van de Oude Rodehaan, die hem vierhonderd gulden leende op het plausibele voorwendsel dat Geertruids zoon geld nodig had om zijn ‘snikke’ (trekschuit) af te betalen. Daarnaast ging Jan er vandoor met bijna driehonderd gulden spaargeld. Van het totale bedrag kon iemand minstens drie jaar voort.

Na Jans verdwijning zetten Hindrik Heres de koemelker en Geertruids zoon een kortstondige zoekactie op touw, maar tevergeefs. Heres, die zich al eerder als haar huisvriend en vertrouweling manifesteerde, raadde Geertruid aan om Hinne en haar kind op de bleek te laten blijven, dan zou Jan wel gauw terugkomen. Tegen Hinne sprak de koemelker diezelfde vrijdagavond nog zijn vermoedens uit: “Ik wed met die om een ducaton dats doe weetste waar jan bleeker gebleven is”; “Hinne, doe solste hem wel agter na gaan.” Hinne schreidde. Ze wist niet waar Jan was, zei ze.

Dat een overspelige echtgenoot er met geld vandoor ging om in den vreemde kwartier te maken voor zijn lief kwam wel vaker voor – ook bij anderen leefde de veronderstelling dat Hinne Jan volgen zou. Zo kwam de kostganger van de Herepoortenwacht ’s zaterdagsavonds thuis van een reis naar Drente. Hinnes moeder lichtte hem in: “Zal ik u wat niews zeggen, de bleker is er met gelt van zijn vrou afgelopen”. Maar de kostganger had onderweg al iets opgevangen, want met een schuins oog op Hinne, die stilletjes in een hoekje zat te naaien, zei hij: “Ze hebben ook gezegt dat uw dogter met is”. Hinnes moeder reageerde verbolgen op ’t praatje: “Dat moeste wel een canalje van een vroumensch wezen die zo een kerel agter na trok”.

De vermoedens kwamen uit. Hinne ging er eveneens vandoor, met haar kind. Die maandag de derde mei zag men haar voor het laatst. Jan en Hinne hadden kennelijk toch wat afgesproken. Nu kwam het in deze tijd redelijk vaak voor dat een echtgenoot of echtgenote uit zicht verdween. Meestal kraaide daar geen haan naar en hernam het leven zijn loop. Jan had echter de euvele moed om weer op te duiken. En dat binnen een maand.

De bewuste zaterdag de 22-ste mei 1751 beleefde het buurtje aan het begin van het Winschoterdiep een gedenkwaardige avond en nacht. Toen Jan zich weer in de blekerij aandiende, met enkel nog wat reisgeld, beet zijn vrouw Geertruid hem toe: “Doe schelm, doe hoerejager, wat doestoe hier weer”. Jan antwoordde dat hij zijn spullen kwam ophalen en dat hij van tafel en bed wenste te scheiden, als dat juridisch mogelijk was. Geertruid stuurde prompt een knecht langs de huizen in de omgeving, om buurmannen op te halen. Die kregen te horen dat ze bang was dat Jan weer weg wilde lopen. Ze moesten Jan bewaken tot de sterke arm hem overnam. Vier kerels, waaronder huisvriend Hindrik Heres en erfvijand Anthonie Jans kweten zich van deze taak.

Geertruid trakteerde de mannen op jenever en nam zelf ook een stevige borrel. Haar zoon, eveneens van de partij, knoopte een gesprek met de zondaar aan. Hij vroeg waar Jan die 700 gulden had gelaten. Antwoord: “Wij waren zijn paap niet en hij ongebonden om daarover te biegten”.

Waarom Jan met geld van zijn vrouw was weggelopen, wilde Hindrik Heres weten. Jan ging er niet op in. Een furieuze Geertruid, op zoek naar een doorbraak: “Waar heb je de sevenhondert Gl. gelaten daarje mede bent doorgegaan”. Jans’ repliek: “Ik hebbe maar 400 Gl. gehadt”. Blijkbaar beschouwde hij het spaargeld als iets van zichzelf alleen.

Geertruid stapte af van het financiële thema en verweet Jan dat Hinne hem was nagetrokken naar Friesland. Zwijgen was haar deel. Ze gooide er een schepje bovenop en vertelde het gezelschap dat Hinne een kind van Jan had. Dat het geld weg was wilde ze door de vingers zien, maar op één voorwaarde: “Doe afstant van het vroumensch daar je het hoerkint bij hebt en blijf bij mij, het kint zullen wij onderhouden, maar laat de hoere van de bleke af”.

Jan verzocht slechts andermaal om zijn spullen en Geertruid speelde haar laatste troefkaart uit. Ze verkondigde dat Hinne weer in verwachting was, door toedoen van Jan. Voor 24 weken stonden Jan en Hinne innig verstrengeld tegen een pilaar in de stal, dat was de “vleeschelijke gemeenschap” geweest waardoor Hinne weer zwanger raakte. “Praat wat aan”, lachte Jan, die tegen de gasten opmerkte “dat zijn vrouw geen meer verstand hadde als Got haar hadde gegeven”. Alle verwijten die Geertruid verder nog uitte, deed hij schertsend af.

Toen het gezelschap honger kreeg en er eten klaargemaakt werd vroeg hij eerst pannekoeken met spek, om vervolgens deze menukeuze quasi te betreuren: “Geef mij maar een worst, ik mogte anders te geyl worden”.

De volgende ochtend, die van zondag de 23-ste mei, bracht Geertruid haar aanklacht in bij de president-Burgemeester, die de schulte en zijn drie dienaren beval om Jan over te brengen naar de Poelepoort. De kosten van Jans’ “civil arrest” aldaar kwamen voor rekening van Geertruid.

Op woensdag 26 mei onderzocht de stadsfiscaal (publieke aanklager) de gegrondheid van haar aanklacht door de buurmannen en haar zoon te verhoren. Dit gerechtelijke vooronderzoek leverde dermate veel gegevens op over de “slegte conduite” van Jan Remmerts, dat Burgemeesteren en Raad op zaterdag 29 mei besloten de bleker te laten overbrengen naar een ander cachot, de ‘stadsgeweldige’ in de Pontjesstraat, waar de ‘gijzelkamer’ Jans’ nieuwe onderkomen werd. De tien stuivers die deze detentie per dag kostte, betaalden de heren, die nu een strafrechtelijke procedure instelden. Kortom, Jan raakte van de regen in de drup.

In juni en juli verhoorde de fiscaal meermalen aanklaagster, zo’n dertien getuigen en Jan zelf. Merkwaardig genoeg hield Geertruid zich aanvankelijk op de vlakte. Nu de zaak deze vorm aannam, deinsde ze terug voor de consequenties. Ze weigerde nog langer de beschuldigende vinger uit te steken. Dat Hinne na haar bevalling op de bleek terugkeerde, daar was ze bijvoorbeeld helemaal niet op tegen geweest, “wijl dat mensch seer wel lesen en schrijven kon en wel arbeidde”. Ook had ze niet geklaagd tegen een of andere “naberman” en als die dat beweerde, moest hij het maar eens onder ede bevestigen. De avond dat Jan terugkeerde was ze “zeer driftig geweest en kan het niet waar maken”. De fiscaal werd er wanhopig van, zo wanhopig dat hij haar voorhield: “als zij dan niets kwaats van hem wiste, waarom zij dan eerst zo veel gedruis over zijn wangedrag heeft gemaakt”. Geertruid verklaarde zich nader: Jan had weliswaar het geld meegenomen en wilde ook scheiden, “maar hij hadde haar verzogt om vergiffenis en weer bij haar te mogen wezen”, “verzoekende deposante voor hem genade en geen regt en het mogte tog zo hoog niet lopen”.

Van Jan zelf werd de fiscaal evenmin wijzer. Hij was inderdaad met het geld van Lucas de tolmeester vertrokken, over Harlingen naar Holland. Bij zijn terugkeer in de blekerij had hij maar vijftien of zestien gulden over, de rest was uit zijn handen gevlogen in Den Haag, op de kermis, en nog in andere plaatsen waarvan hij de naam niet wist. Dat Hinne zich bij hem had gevoegd en dat hij haar het geld voor de opvoeding van het kind gegeven had, ontkende hij met klem. Het kind was niet door hem onderhouden. Jan loochende zelfs “enige bezondere liefde” voor Hinne en haar zoontje. “Eindelijk hem voorhoudende of hij genade pretendeerde dan of men met rigeur van regte tegen hem zoude procederen, verzogte gratie, zonder verder enige fout te willen belijden.”

Na de aanklaagster en de verdachte verhoorde de fiscaal de dienstmeiden van de blekerij, die hem wel belastend materiaal verschaften. Zij zagen het stoeien van de bleker en de wasvrouw, het aanhalen en het zoenen. Uit Jans eigen mond hoorden ze de liefdesbetuigingen en dat hij vader van Hinnes kind was.

Geconfronteerd met hun getuigenissen ging Geertruid door de bocht. Ze verklaarde nu openhartig “wel te weten wis en seker dat haar kerel met Hinderkje Zweis in overspel hadde geleeft”, gaf enige bijzonderheden en verwees de fiscaal naar de kostganger van de Herepoortenwacht. Deze vertelde over Jans bezoekjes, waarbij Jan en Hinne zich terugtrokken in het turfhok, achter het gordijn. De kostganger vond het erg jammer dat hij zelf zijn borrels moest betalen, sinds Jan vastzat.

Intussen ging er naar Friesland een opsporingsverzoek met een signalement van Hinne: “Zij is ongeveer 24 jaren ouwt en heeft een kint bij zich van ruim 2 jaren dat niet vrie is (gelijk men zegt) van de Engelsche ziekte; middelmaetig van postuir, langwerpig en bleek van wezen”. In Leeuwarden deed de stadsschout huiszoeking bij een koopman tegenover de aanlegsteiger van de Dokkumer snikke en bij een jeneverstoker die er op de Nieuwstad woonde, tussen De Zon en De Maan. Ook lieten de Friese autoriteiten nasporingen doen op verschillende bleken, zowel in Leeuwarden als in Sneek en Harlingen, maar zonder succes, want de “schuilevink” vonden ze niet.

Na nog een laatste verhoor van Jan, die hardnekkig bleef ontkennen, vonden de heren de tijd rijp voor een uitspraak. Jan kreeg dit vonnis op woensdag 11 augustus 1751 voorgelezen in zijn cel.

De heren achtten bewezen dat hij “een schandelijke en vervoeylijke conversatie” met Hinne had; er waren “de allersterkste en den reghte genoegsame indiciën van gepleegt overspel”. Dergelijke ontucht kon men niet tolereren en Jan werd daarom eerloos verklaard, met een boete van twee maal driehonderd daalder, voor zichzelf en zijn medeplichtige. Deze boete diende hij evenals de proceskosten binnen acht dagen te voldoen. Kon hij niet betalen, dan zou hij aan de kaak komen te staan om te worden gegeseld, waarna men hem uit Stad en Lande zou verbannen. Bij een eventuele terugkomst wachtte hem dan een nog zwaardere lijfstraf.

Vlak nadat het vonnis uitgesproken was, kreeg Jan bezoek van zijn vrouw en zijn stiefzoon. Ze vroegen of hij de zevenhonderd gulden nog had, zo ja, dan wilden ze er tweehonderd bijleggen zodat hij de boete zou kunnen voldoen. Jan weigerde, hij bezat het geld niet meer en hij wilde ook niet dat hij op deze manier loskwam, “dewijl hij een pyq had die er dog uit moest”. Hij was dus gepikeerd over het vonnis en zon op een manier om er onderuit te komen.

Hoe dat zou moeten, werd al spoedig duidelijk. Een neef van Jan, die er belang bij had “dat sijn familie so veel mogelijk niet bevlekt worde”, verzocht eerst de stadssecretaris en vervolgens Burgemeesteren en Raad “op het onderdanigste” om een afschrift van het vonnis, waarover hij een rechtsgeleerde wilde raadplegen. In beide gevallen ving de man bot. Ook kwam er nul op een rekest dat melding maakte van Jans “elendigen staat” en waarin de heren “gratieuselijk” om toestemming werd gevraagd voor een gesprek van Jan met een advocaat van de Hoge Justitiekamer.

De Hoge Justitiekamer (HJK), gevestigd aan de Oude Boteringestraat, was zojuist door prins Willem IV ingesteld als hoger beroepsinstantie van alle rechtbanken in Stad en Lande. Volgens haar kersverse criminele procesreglement moesten die rechtbanken alle vonnissen en achterliggende stukken voor de uitspraak overhandigen aan de Procureur-Generaal van de HJK, opdat deze ze zou kunnen onderzoeken. In het geval van Jan Remmerts, de eerste die van de nieuwe beroepsprocedure gebruik wilde maken, had het stadsbestuur dit verzuimd. Maar omdat de door de familie gewaarschuwde advocaten de nodige bellen deden rinkelen, ging de Hoge Justitiekamer er zelf achteraan. Burgemeesteren en Raad bleken in hun buitengewone vergadering van 19 augustus 1751 – de dag dat Jan de boete had moeten betalen – nog wel bereid de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten, maar weigerden de HJK inzage in de stukken te geven, omdat ze het criminele procesreglement anders interpreteerden dan de HJK.

Bij dit soort competentiegeschillen tussen twee onderdelen van de Groninger staat was de prins de aangewezen scheidsrechter. Beide partijen, de HJK en de stad, zouden zich wenden tot het stadhouderlijke hof in Den Haag. Zolang de patstelling bleef bestaan, liet men Jan zitten waar hij zat.

Na anderhalve maand, op 9 oktober, beklaagde de HJK zich tegen Burgemeesteren en Raad dat ze nog steeds “geene het minste antwoort” had gekregen. Dit zou toch “ten eerste” worden gegeven, zo was beloofd. “Alsodane trainissementen” mochten geen “impediment” aan justitie veroorzaken. De HJK verzocht het stadsbestuur dan ook niet verder te “dilayeren” en “determinatyff” bescheid te geven. Dat deden Burgemeesteren en Raad ook nu weer niet. Het wachten was op de terugkomst van enkele heren die in Den Haag verbleven. Het stadsbestuur hoopte dat de HJK zich niet zou “impatiënteren”. Dezelfde dag nog echter stuurde de HJK een brief naar de prins, waarin ze klaagde over de obstructie van stadswege.

Het wachten was dus op een uitspraak van prins Willem IV. Maar Jan had pech, want er brak “een funeste epoque” aan: de prins kwam te overlijden. Vanwege het organiseren der rouwplechtigheden en het arrangeren der opvolging had men in Den Haag voorlopig geen tijd voor andere beslommeringen. Het stadsbestuur van Groningen weigerde ook in volgende gevallen de Procureur-Generaal inzage in haar processtukken.

Hangende het geschil deden de heren van de stad nog een halfslachtige poging om Jan tot een de facto bekentenis te verleiden. Zijn vrouw Geertruid werd medio februari 1752 ontboden bij fiscaal (aanklager) Ter Borg, die haar een aanbod deed. Als zij voor Jan een rekest bij Burgemeesteren en Raad indiende, met het verzoek om kwijtschelding van de halve boete, dan zou Jan weer op vrije voeten komen. Geertruid wilde dat wel, maar dan moest Jan afstand doen van zijn rechten op hun gemeenschappelijke bezit.

Met dit voorstel ging Geertruid naar de stadsgeweldige, waar ze haar man in bijzijn van de hoofdbewaarder, kapitein Lieftinck, door het luikje in zijn celdeur sprak. Ook Lieftinck oefende aandrang uit: “Dat machste wel doen Jan, en het moet voort geschieden”. Jan stemde toe en de volgende dag kwam Lieftick bij hem met een drieregelige tekst, die Jan “met syn gewone merk, sijnde een kruis” ondertekende. De kapitein huppelde van blijdschap toen hij Jans cel verliet. Dat kwam zo vreemd over dat de twee andere gevangenen tegen de bleker vroegen: “Jan Jan wat hestu gedaan, hestu daar getekent en die niet laten voorlesen?”

Het rekest is bewaard gebleven. De voor Jan opgestelde tekst vroeg “op het ootmoedigste” en “tot voorkominge van ruïne” om halvering van de boete. Maar de heren van de stad weigerden toen puntje bij paaltje kwam op het verzoekschrift in te gaan, omdat er eerst bericht uit Den Haag moest komen.

Jan werd nu van de gijzelkamer naar een andere ruimte in de stadsgeweldige gebracht, waar de kost nog zeven stuivers per dag bedroeg in plaats van tien. Het logies was er nog wat kariger.

Nog diezelfde maand maart bleek de commissie onder leiding van Burgemeester van Iddekinge, de luitenant-stadhouder en sterke man van de stad, klaar te zijn met een rapport over de “differenten en dissententen” met de HJK. Burgemeesteren en Raad, in hun breedst mogelijke samenstelling bijeen, droegen de commissie op om de zaak “soodanig te concipiëren en materneren” dat ze aan Hare Koninklijke Hoogheid, de prinses-gouvernante Anna kon worden voorgelegd.

Eveneens in het geheim besloten Burgemeesteren en Raad, de Brede Raad alsmede Taalmannen en Gezworen Meente om een afvaardiging naar Den Haag te sturen, die uit een Burgemeester, drie Raadsheren, een Taalman en een Gezworene zou bestaan. Deze brede bezending ontving een instructie, die behalve veel plichtplegingen en een opening van de zaak Jan Remmerts ook het punt waar het om ging bevatte: dat de stad geen pottekijkers in haar criminele procedures duldde.

Ook van de HJK ging er een delegatie naar Den Haag. Die van de stad vertrok op 14 juni en kwam op 22 juli terug; die van de HJK zal eenzelfde periode uit geweest zijn. Daar in Den Haag liepen de Groninger heren de drempel van Huis ten Bosch plat. Ondanks hun aandrang deed de Gouvernante tijdens hun verblijf nog geen uitspraak, die zou ze per brief sturen en ze wees slechts een Friese Gedeputeerde en de Procureur-Generaal van Holland aan om haar van advies te dienen.

Vlak voor kerst kreeg Jan in de stadsgeweldige een nieuwe “rok” (overjas) van acht gulden aangemeten op kosten van het stadsbestuur. De oude was kennelijk versleten en kon de kou niet meer aan.

Eind januari van het nieuwe jaar 1753 kwam het verlossende woord. De Prinses-Gouvernante bevestigde dat de Procureur-Generaal van de HJK de stad-Groninger processtukken mocht inzien. Burgemeesteren en Raad, de Brede Raad alsmede Taalmannen en Gezworen Meente berustten in de uitspraak. De HJK betoonde Hare Koninklijke Hoogheid een “sensibel genoegen over de gunstige reflectie”.

Eindelijk raakte Jans zaak in een stroomversnelling. De HJK willigde zijn verzoek om appel in. Jan kreeg nu na de Poelepoort en de stadsgeweldige de derde bajes van binnen te zien, want hij werd overgebracht naar het cachot van de HJK, ook wel ’s Hoves Gevangenis of het Geweldigen Hof geheten.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De cellen van de Hoge Justitiekamer, Oude Boteringestraat.

Drie heren van de HJK onderwierpen hem daar op 7 maart aan een uitgebreid verhoor. Opnieuw ontkende Jan zijn affectie voor Hinne. Hij had bijvoorbeeld nooit met haar gestoeid, “sijnde eens op den 1 January 1751 door sijn vrouw van de stoel op de vloer getrocken om met de meyden en arbeiders mede te danssen, maar had sulks egter niet gedaan”.

Afstandelijk en onkreukbaar, zo diende de ware pater familias tegenover het personeel te zijn. Jan was wel eens bij Hinne thuis geweest onder de Herepoort, maar enkel en alleen met zijn vrouw. Ze dronken er dan koffie of een borrel en hij had er ook wel eens “een brukje” (boterham) gegeten. ’s Nachts was hij er nooit geweest, laat staan in het turfhok.

Het vaderschap van Hinnes kind had hij nooit geclaimd en voor het kind koesterde hij geen bijzondere affectie. “Dogh dat het eens op een sondagh was gebeurt, dat sij rijstenbrij hebbende gegeten en Hindrikje met haar kindt daar mede hebbende gegeten, hij an sijn stiefsoons kinderen wat suiker over de brij gegeven had, en teffens ook aan het kindt van Hindrikje medegedeelt.” Was dat dan verboden?

Hij ging van zijn vrouw weg omdat zij wilde dat hij haar zou inkopen in een gasthuis, terwijl het geld juist bedoeld was voor haar zoon zijn snikke. Op zijn reis had hij Hinne ontmoet, noch gezien. Hij deed inderdaad Amsterdam aan, zowel heen als terug, maar hij had in die stad geen kind langs de straten gedragen.

Bijna alle getuigen die in eerste instantie door Burgemeesteren en Raad waren gehoord, moesten opnieuw komen opdraven in de Hoge Justitiekamer. Jans vrouw Geertruid zei geen echte reden te hebben voor haar verdenkingen en “hadde hun ook niet te saemen op het bedde gesien, nog ook in de stal of op andere plaetsen”, al had ze wel haar vermoedens en verdriet gehad. Buurman en huisvriend, de koemelker Hindrik Heres zag de bleker zijn wasvrouw nooit met een vinger aanraken. Hij hoorde alleen de verwijten van Geertruid. Buurman en erfvijand, scheepstimmerbaas Anthonie Jans, verklaarde nooit veel bij de blekerij over de vloer geweest te zijn, omdat er altijd ruzie was geweest tussen hem en het blekersechtpaar. Hij kende het overspel ook alleen maar van horen zeggen. Anthonie probeerde de HJK nog wel op het spoor te zetten van een voormalige knecht, die gehoord zou hebben dat Jan eens aan de borsten van Hinne zou hebben gezogen, maar dat verhaal vond de HJK al te ongeloofwaardig om er werk van te maken.

Van meer belang waren de getuigen die in eerste instantie doorslaggevende verklaringen hadden afgelegd. De kostganger van Hinnes ouders in de Herepoortenwacht maakte Jan er weliswaar twee nachten mee, maar geen onvertogen woord meer daarover. Jan en Hinne stonden alleen maar in het turfhok te praten. De HJK liet wel enige nasporingen verrichten naar de dienstmeiden van de bleek, maar die waren niet meer te vinden, zei men in het buurtje even buiten Klein Poortje, aan het begin van het Winschoterdiep.

Een curieuze verklaring kwam van Hinnes moeder. Volgens haar was Hinne naar familie in Leeuwarden vertrokken en bleven brieven uit, “konnende Hindrikje niet schrijven en maar weinigh lesen”. Maar Jans zuster, een meisje uit het Groene Weeshuis, was nog bij wel even bij Hinne in Leeuwarden op bezoek geweest en naderhand had moederlief “van een Wije gehoort, die op Drenth ging te bidden, dat Hindrikje doot sou sijn.” Dwaalsporen? De bewering dat Hinne praktisch analfabeet zou zijn was in flagrante tegenspraak met een opmerking van Jans’ vrouw, die men in dit opzicht niet van partijdigheid kan betichten.

Medio april besloot de HJK dat de verhoren onvoldoende bewijs opleverden om het vonnis van Burgemeesteren en Raad te bekrachtigen. Jan kreeg afschriften van de getuigeverklaringen en toestemming om twee advocaten te spreken, die van ’s ochtend half negen tot ’s middags twee uur bij hem in de cel bleven praten. Daar Burgemeesteren en Raad hun vonnis niet verdedigden, moest de Procureur-Generaal bekijken of er nog grond voor vervolging was, want misdadigers mochten hun straf natuurlijk ook weer niet ontlopen.

De Procureur rapporteerde op 20 juni dat er “niets meer tot beswaar van den gecondemneerde is bevonden, maar wel dat sommige getuigen die bij Burgemeesteren en Raad tegens Jan Remmers hadden gedeponeert, (…) hunne getuigenissen hebben geretracteert, en geene beschuldinge tegens denselven ingebragt”. De functionaris van het gerechtshof concludeerde dat het stadsbestuur “op een gansch slordige manier” was omgegaan met Jan en hem op onvoldoende bewijs “in een akelige gevangenisse” had doen opsluiten.

De HJK besloot Jan Remmerts vrij te laten “mits onder handtastinge belovende van ten allen tijden des vermaant sijnde, sigh wederom te sullen sisteren, onder poenaliteit dat bij uitblijvinge gehouden sal worden de misdaat, waar over beschuldigt is geworden, te hebben bekent”. Jan kwam kortom vrij met het op de bijbel bezweren van zijn onschuld, na ruim twee jaar gevangenschap. Hij moest zich wel beschikbaar houden. Mochten er nieuwe bewijzen zijn en hij niet komen opdagen, dan werd hij alsnog wegens overspel veroordeeld.

Nadat Jan op vrije voeten kwam, vervoegde hij zich weer bij zijn bejaarde vrouw in de blekerij. Voortdurend had hij daar ruzie met zijn buurman Anthonie Jans. Ook met koemelker Hindrik Heres, vroeger de steun en toeverlaat van Geertruid, verkeerde hij in onmin. Geertruid had in de zomer van 1753 twee koeien laten weiden in land van Hindrik en deze moest daar eind 1754 nog steeds ‘weidegeld’ voor beuren. Jan weigerde te betalen, omdat hij de overeenkomst niet gesloten had. Voor het Nedergericht werd hij in het gelijk gesteld, maar Hindrik ging met succes in beroep. Daardoor liepen de proceskosten, waarvoor Jan in 1766 werd aangesproken, op tot bijna 640 gulden. Wie procedeert om een koe, geeft er een toe, zo luidt een spreekwoord.

Het verlies van het weidegeldproces vormde een doodsteek voor Jans’ bedrijf. In januari 1768 gingen hij en Geertruid failliet. De behuizing, de bleek, de schuur en de turfschuur, de wagen en het blekersgereedschap met het koperen wasvat kwamen onder de hamer. Geertruids zoon, de grootste schuldeiser, nam de zaak over voor 1540 gulden. Mogelijk bleven Jan en Geertruid tot hun dood inwonen in diens blekerij.

Advertenties

Plaats een reactie on “Overspel bij het wasvat”

  1. Corina schreef:

    Vind het erg leuk om veranderende principes zo mee te krijgen, ongetwijfeld was er toen ook genoeg diefstal en moord maar juist hier steken ze zo veel tijd en geld in.. Dat zelfs het staatshoofd tijd maakt om zich over iets dergelijks te buigen, ongelofelijk!

  2. Jaartal schreef:

    wat een enorm verhaal, mooi!

  3. wilma Heeres schreef:

    Hallo, geweldig zo’n verhaal.Die Hindrik Heres die erin voorkomt is toevallig onze voorouder. Waar komt dit verhaal uit?
    Oftewel waar kan ik het terugvinden?

    groetjes, Wilma Heeres

  4. Gelkinghe schreef:

    @Wilma,
    Het grootste deel van dit verhaal komt uit dit dossier:
    Groninger Archieven
    Archief 136 – Hoge Justitiekamer
    Inventarisnummer 2172 Jan Remmers, bleker, wegens overspel
    Datering 1751-1755
    Omvang 1 pak


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s