Jacob Eduard de Witte, banneling en literator (1763 – 1853)

Geplaatst op 2 oktober 2007

Begin 1797 kreeg Jacob Eduard de Witte van Haemstede een aanstelling als magazijnmeester en opzichter van het Franse militaire hospitaal in het voormalige Prinsenhof te Groningen. Hij beurde er het bepaald niet slechte tractement van bijna 50 gulden per maand, met vrije inwoning, turf en kaarsen, en iedere vier dagen vlees en brood toe. Weldra kwam ook zijn gezin naar Groningen over.

Nog geen drie maanden later zat De Witte gevangen op de A-Poort. Hij had voor eigen gewin goederen van het hospitaal verkocht. Ook bracht hij veel meer daglonen in rekening voor los personeel – zoals was- en naaivrouwen – dan dit dagen had gewerkt. Een beschermer in Den Haag trok zijn handen van hem af. Uiteindelijk werd De Witte medio 1798 veroordeeld tot tien jaar verbanning uit Stad en Lande, waar hij ook nooit meer een ambtelijke functie zou mogen bekleden.

Het was niet de eerste veroordeling van deze militair en oplichter, en zeker ook niet de laatste.

Hij was geboren in Den Bosch, als zoon en kleinzoon van generaals der genie, die ten onrechte meenden dat hun famille van graaf Floris V afstamde. In 1772 werd zijn vader directeur van de stadswerken en stadsgebouwen in Amsterdam. Ondanks het riante inkomen van ruim 5000 gulden per jaar, nam hij steekpenningen aan van aannemers, wat in 1777 uitkwam, zodat de familie de stad moest ruimen, om zich in Amersfoort te vestigen. In die stad werd Jacob Eduard junior in 1780, op zijn zeventiende, zelf vaandrig. Twee jaar later moest hij naar het Zeeuwse Schouwen, frontgebied in de Vierde Engelse oorlog, en daar was het dat hij uit geldnood militaire gegevens verkocht, wat hem op een aanklacht wegens landverraad en een doodvonnis kwam te staan.

Dankzij allerlei geharrewar kwam hij er uiteindelijk met zes jaar gevangenisstraf zeer genadig vanaf. Die tijd bracht hij door op de Gevangenpoort in Den Haag, waar hij zich ontwikkelde tot literator en broodschrijver van sentimenteel zwijmelwerk. Opmerkelijk is dat hij er maar liefst voor 22 stuivers per dag verteerde (exclusief bewassing, turf, kaarsen en alcoholica), wat twee, drie maal zoveel was als een gewone gevangene in Groningen in die tijd. Ook kreeg hij er, vanaf 1787, regelmatig bezoek van een bewonderaarster, de dichteres Maria van Zuylekom, met wie hij een brievenroman schreef. Nog voor zijn vrijlating zou hij haar twee maal bezwangeren.

Na zijn vrijlating trouwden ze, en omdat De Witte bij hetzelfde vonnis uit 1784 dat hem bevrijdde van de doodsstraf, voor eeuwig verbannen was uit de Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht, vestigden hij en de zijnen zich alternerend in Brabant en Gelderland. Na de Bataafse Revolutie (1795) leek de kust in Amsterdam weer veilig voor hem. Hij werd er benoemd tot schrijver van de stadscourant, maar na negen maanden alweer ontslagen. Den Haag bleek minder veilig – daar pakte men hem in mei 1796 op wegens overtreding van zijn bannissement. Opnieuw de gevangenis in hoefde hij niet, maar hij moest wel weer Holland uit, en belandde toen in Groningen.

Van Groningen vertrok hij naar Zwolle waar hij even meetkundelessen heeft gegeven. Hij mocht er niet blijven wonen, probeerde per schip naar Rusland te gaan, waar zijn vader sinds 1784 weer generaal was, maar betaalde de schipper niet en moest van boord. Vanuit Breda probeerde hij van zijn levenslange verbanning uit 1784 af te komen. begaf zich tegen die verbanning in weer naar Den Haag (1801), waar ze dit keer niet meer coulant waren en hem voor twee jaar opsloten. In 1803/1804 verbleef hij in Antwerpen, een stad die hij ruimde onder achterlating van allerlei schulden. Vervolgens werd hij gearresteerd in Alkmaar, waar zijn vrouw en kinderen woonden. De straf was dit keer drie jaar brommen in Gouda, waar hij “ongepermitteerde liaisons” aanknoopte met de binnenmoeder van het Tuchthuis. Ook in 1807 overtrad hij zijn verbanning en zat hij weer een poos op de Haagse Gevangenpoort, maar kwam toen dankzij een uitvlucht met de schrik vrij.

Tussen 1807 en 1845, als hij in Den Haag opduikt, is zijn woon- en verblijfplaats onbekend. Af en toe publiceerde hij nog wel wat werk, maar veel minder dan vroeger. De autobiografische tekst die hij in 1825 schreef bleef in elk geval onuitgegeven. Die ‘Fragmenten uit de Roman van mijn Leeven’ heeft de DBNL nu echter op het web gezet.


Plaats een reactie on “Jacob Eduard de Witte, banneling en literator (1763 – 1853)”

  1. catthy schreef:

    zo zie je maar dat fraudeurs van alle tijden zijn

  2. Wieneke schreef:

    Een typisch Rupsje Nooitgenoeg, die meneer De Witte. Er werd toch niet erg goed opgelet door zijn bewakers als hij Maria tweemaal bezwangerde toen hij gevangen zat. Volgens mij leidde hij een spannend bestaan. 😉

  3. fialas schreef:

    wat een schitterende schurk, ik weet zeker dat ik voor hem gevallen zou zijn, heb je geen portret kunnen vinden?

  4. Gelkinghe schreef:

    @Fialas,
    Als je even op de link drukt en naar de cover van dat boek kijkt…

    Mijn type is het niet.

  5. Aragog schreef:

    hhmmmm, zulke mannen vind je heden ten dage helaas niet meer in onze contreien… *zwijmel*

  6. Gelkinghe schreef:

    Wat is dat toch met die vrouwen?


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.