Berend Bymholt en de Havelter hutjes

4

Uffelte had rond 1900 een opmerkelijke onderwijzer. Hij was anarchist en geheelonthouder en schreef voor allerlei bladen. In De Amsterdammer besprak hij ook wel zijn eigen omgeving, Via dat periodiek zette hij ook de eerste openbare bibliotheek in Uffelte op, het begin van een wijdvertakt netwerk. Het blad hielp hem zelfs met individuele armenzorg.

“Uffelte en Havelte bieden tal van schilderachtige kijkjes. Uffelte valt vooral op door den vreemden bouw van vele zijner boerenwoningen, door den slingerenden dorpsweg, die bij iedere bocht weer verrast door een nieuw kijkje, altijd mooi.
Havelte wordt in den laatsten tijd, dank zij de fiets, meer en meer bezocht. Ook hier treffen we aan aardig gelegen boerenhoeven, leuke en eenvoudige huisjes, vaak als weggestopt in boschjes, prachtige slingerende wegen.”

Deze wat reisgids-achtige informatie stond in het weekblad De Amsterdammer van 11 oktober 1903, en ze kwam van Berend Bymholt, die op dat moment onderwijzer in Uffelte was. Meester Bymholt verstrekte zijn inlichtingen uit lichte ergernis, want terwijl Het Gooi, Gelderland en Limburg allang populaire vakantiebestemmingen waren voor het opkomende fietstoerisme, bleef Drenthe nog zo goed als onbekend. En dat vond Bymholt jammer.

Natuurlijk moest hij toegeven dat er wel eens landschapsschilders van elders in Drenthe werkten, maar die bezochten veelal “slechts enkele dorpen, die een goeden naam hebben, vooral die in het oosten van de provincie”. Zo werden er in de zomer van 1903 weer eens dergelijke kunstenaars gesignaleerd in Exloo en Rolde. Maar op zijn vele fiets- en wandeltochten zag Bymholt ze nooit in Zuidwest-Drenthe. En ook daar had je toch pittoreske dorpen. Dàt feit wilde hij met zijn bijdrage aan De Amsterdammer eens onder de aandacht brengen.

Het gehucht Eursinge rekende hij tot de mooiste dorpjes, die hij in Nederland kende. Waar hij over Eursinge begon, werd hij zelfs lyrisch:

“Eursinge is eigenlijk een boschje, waarin enkele boerenhoeven en huisjes staan. Ik ben er doorgewandeld op zomer-zondagochtenden, als de stammen der boomen nonchalant neergeworpen zonneplekken toonen, en mijn voetstap alleen verbreekt de volkomen landelijke stilte; op achternamiddagen, als huizen en boomen, wegen en menschen, alles overstrooid is met lichtsprankels; op maanlichtsavonden als het dorpske gansch ingeslapen is en droomend neerligt in het zilverige licht, van daar boven vloeiende.”

Ook deed meester Bymholt in dit artikel voor De Amsterdammer Busselte aan, dat toen nog aan de rand van een kaal heidelandschap lag:

“Ik was er verleden zaterdag en maakte een potloodschets van een vriendelijk huisje. Zoo’n huisje is al heel primitief. Een voorgevel, bestaande uit eenige vergrijsde planken, een dak van stro, en terzij ook nog eenige planken, een deur en een paar raampjes en klaar is het woningske. Maar wat kwam dat eenvoudig huisje mooi uit tegen den paarsch-bruinen heide-achtergrond met heel aan de horizonverte de Bisschopsberg en in de laagte wegduikende woningen van Darp…”

Helaas ging Bymholt aan Darp voorbij, ook al zou hij er, naar hij schreef, heel wat over kunnen vertellen. In de rest van zijn verhaal bezong de Uffelter onderwijzer meer in het algemeen de bekoorlijkheden van Zuidwest-Drenthe, waarbij hij zijn politieke overtuiging niet onder stoelen of banken stak:

“Vooral nu de herfst nog soms zulke mooie dagen geeft en de najaarstinten in een ijle dunne lucht alle dingen rondom in een teerder subtieler licht zetten, nu is het heerlijk te dwalen langs de her en der slingerende wegen en weggetjes. Bij het denken aan die aardige witte paadjes, kronkelend door de heidevelden, komen in me op de mooie, zoo juist gevoelde versregels van Henriëtte Roland Holst:
Kleine paden slingeren over de heide
en komen aan op de hutten der armen
zij zijn de eenigen die zich erbarmen
over ’t verlatene van wie hier lijden.”

“O, wie oog heeft voor het sobere schoon van dit eenvoudig Drente”, aldus Bymholt,

“hij zal als ik gaarne dolen door zijne boschjes en over zijne velden, maar hij moet wel, ziende al die hutten, gevoelen dat mooi Drente helaas ook is arm Drente. Maar gelovende in het komen van een betere sociale ordening, die de armoede zal bannen van deze mooie aarde, dring ik de gedachte aan arm Drente voor een wijl op den achtergrond, om alleen ruimte te geven aan mooi Drente.
Mooi Drente is mooi.
Geloof me, lezer, of anders, kijk zelf.”

TROPENJAREN

Berend Bymholt was in 1896 aangenomen als onderwijzer op de lagere school in Uffelte. Bij zijn komst hier liet hij in het bevolkingsregister aantekenen dat hij “zonder godsdienst” was. Dat gold als iets heel bijzonders in die tijd, vooral in Drenthe, want veel mensen meden dan wel de hervormde kerk, maar bleven er nominaal nog lid van. Naast atheïst was Bymholt geheelonthouder en anarchist of, met wat minder beladen termen, vrij socialist. In feite had hij al ruim tien tropenjaren achter de rug op een heel ander propagandavlak dan het toeristische, namelijk dat voor het algemeen stemrecht en betere sociale omstandigheden. En in dat kader had hij ook al heel wat uithoeken van Nederland gezien.

Hij werd geboren in 1864, als zoon van een hervormde werkman te Veendam. Hoewel afkomstig uit een arbeidersmilieu, mocht hij doorleren voor onderwijzer, toen nog het hoogst haalbare beroep voor bollebozen onder de arbeiderskinderen. Voor zijn periode in Uffelte deed Bymholt echter maar weinig werkervaring op als leerkracht. Als zodanig had hij alleen een zeer kortstondige betrekking in Rotterdam, in 1885. Op de kweekschool was hij vermoedelijk al betrokken geraakt bij de sociale strijd, en na zijn terugkeer in Veendam, datzelfde jaar, ontpopte hij zich als een ijverig medewerker en redacteur van een hele ris radicale bladen, zoals De Vrijheid, Het Groninger Weekblad en Multatuli. Van 1887 tot 1889 werkte hij als corrector bij de Veendammer Courant en in die periode stond hij ook aan de wieg van de Veendammer afdeling van de Sociaal Democratische Bond (SDB), de eerste socialistische partij in ons land. Bovendien schreef hij in Veendam brochures voor het algemeen kies- en stemrecht, dat nog steeds bevochten moest worden, en over de werkloosheid onder onderwijzers, waarvan hij zelf een slachtoffer was.

In 1889 vertrok Bymholt opnieuw naar Rotterdam, waar hij zich inschreef als journalist, een nog vrij zeldzaam beroep. Voor Recht voor Allen, de eerste landelijk gelezen socialistische krant, versloeg hij er onder meer een grote havenstaking. Een jaar later zat hij in Nijmegen, waar hij de kost verdiende in een uitgeverij die op naam van zijn vrouw stond, terwijl hij tegelijkertijd socialistische propagandastukken voor allerlei periodieken bleef schrijven. Ook gaf hij er blijk van literaire aspiraties met een bundel gedichten, schetsen en novellen. Maar de allerbelangrijkste publicatie van deze veelschrijver, het werk waardoor hij ook nog zeer lang bekend bleef, was zijn Geschiedenis der arbeidersbeweging in Nederland, een boek dat 736 pagina’s telde en dat in 1893/4 eerst in afleveringen en uiteindelijk in één band verscheen. Bymholt raadpleegde er tal van radicale en socialistische bladen en brochures voor, maar maakte ook gebruik van informatie die tegenstanders van het socialisme hem leverden. Zijn thema behandelde hij zakelijk, onpartijdig en precies, en nog steeds geldt deze kroniek van hem als een “unieke en onmisbare bron” voor mensen die wat willen weten over de eerste jaren van het socialisme in ons land.

Intussen was Bymholts’ partij, de SDB, onder leiding van Domela Nieuwenhuis steeds meer in anarchistisch vaarwater geraakt en verklaarde zij zich zelfs tegen deelname aan de verkiezingen. Wat zeer tegen de zin van een partijminderheid was, die daarom in 1894 de SDAP oprichtte, de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (voorgangster van de PvdA). Met deze ‘scheurmakers’ ging Bymholt niet mee. Integendeel, ook hij zag al een poos niets meer in parlementair werk, hij was in 1895 zelfs nog even hoofdredacteur van het blad Anarchist en schreef een brochure tegen de vakverenigingen, waarvan veel socialisten, met name SDAP-ers, juist veel heil verwachtten. In Bymholts ogen waren vakverenigingen slechts “pleistertjes … op de kankerende wonden dezer ellendige maatschappij”. “Om het werk te staken”, bromde hij,

“is er geene vakvereeniging noodig, alleen flinke kerels (…). Laat ons zorgen, zooveel wij kunnen het bestaande, de bourgeoismaatschappij, af te breken. Afbreken de oude, verroeste ideeën in de hersenen van het volk, afbreken en nogmaals afbreken! Wek de menschen op tot denken, zelf-denken en ge hebt meer gedaan dan door een vakvereenigingetje op te richten.”

De scheiding der socialistische geesten ging intussen niet in zijn kouwe kleren zitten. Met felle persoonlijke aanvallen op SDAP-ers had Bymholt weinig op, in zijn eigen harrewarrende partij voelde hij zich allengs minder thuis, en dat was de reden dat hij zich in 1896 als propagandist terugtrok en op die baan als onderwijzer in Uffelte solliciteerde. Maar ook in Drenthe bleef de publicistiek aan Bymholt trekken en schreef hij af en toe voor verschillende bladen, onder meer dus het links-liberale De Amsterdammer .

Getuige zijn stukken in dat blad, de voorganger van onze huidige Groene Amsterdammer, bleef de geschiedenis van het vroege socialisme Bymholt bezig houden in zijn Uffelter periode. Zo blikte hij in 1900 met enige nostalgie terug op de ‘oude beweging’: “Het was een tijd van jonge, warme geestdrift. Allen waren het met elkander eens”. Wat hem op een kritische ingezonden brief kwam te staan van een veteraan die het allemaal meegemaakt had en die vertelde dat die ouwe socialisten heus wel met elkaar overhoop lagen, zij het dat ze hun onderlinge conflicten nog binnenskamers plachten te houden.

Ook haakte de Uffelter onderwijzer voor De Amsterdammer in op de actualiteit. Anno 1897 gaf hij nog eens zijn visie op de vakverenigingen, die volgens hem alleen maar konden leiden tot hokjesgeest, leiderverering, verstarring en conservatisme:

“Ze kunnen opgericht worden als de arbeiders ze noodig achten, dat is in de dagen dat men een of andere concessie van de patroons tracht af te dwingen. Is dat doel bereikt, dan kan de vereniging weer verdwijnen.”

Even weinig had Bymholt op met het plan van de idealistische literator Frederik van Eeden om landbouwcoöperaties voor arbeiders te stichten, waarmee ze dan de grond op het kapitaal zouden veroveren. Bymholt vergeleek dit voornemen met de Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid in onder meer Frederiksoord. Na tachtig jaar vormden die nog steeds kasplantjes waar collectegeld bij moest. Van Eeden, vond Bymholt, hield te weinig rekening met het geld, benodigd voor grondaankoop, woningen, landbouwwerktuigen en zaai- en pootgoed. Weliswaar was sommige grond goedkoop te krijgen, zo had de Oranje Bond van Orde onlangs vlakbij Uffelte heuvelachtige zandgrond gekocht voor 7 gulden per hectare. “Dat is niet veel”, constateerde Bymholt, “maar ik geloof dat de arbeiders hier dezen grond nog niet gratis in eigendom zouden willen hebben”. De landarbeiders in Uffelte verdienden veertig cent per dag, of dertig cent met de kost toe, Amsterdamse arbeiders kregen veel meer betaald en zouden dus niet met Van Eeden in zee willen gaan. Bovendien kenden zij het agrarische bedrijf niet eens: “Als nu onze kleine landbouwers alleen met de uiterste moeite het hoofd, en ook nog maar even boven water kunnen houden (…), wat zullen dan de arbeiders uit de steden beginnen op het land, waar hun de handen verkeerd staan!” Nee, het plan van Van Eeden was zeer onpraktisch, en Bymholt voorzag dan ook een “fiasco”. Zijn moraal:

“Wie iets voor de menschen wil doen knutsele geen plannetjes ineen, maar trachtte de menschen te leeren vrij, gezagsloos te denken. Als ze dat allen kunnen, dan kunnen ze de ‘plannen’ van anderen ontberen en zal elk individu zijn leven opbouwen naar zijn eigen ‘plan’.”

Inderdaad kreeg Bymholt naderhand groot gelijk wat betreft de landbouwkolonie Walden die Van Eeden bij Bussum had gesticht. Deze werd een grandioos débacle. Enig realisme kon men Bymholt nou ook weer niet niet ontzeggen. Dat blijkt eveneens uit een boekbespreking die hij op 1 mei 1904 voor De Amsterdammer schreef over het pas verschenen ‘Boek van den alcohol’ van Don en Van der Woude. “Ik ben geheel-onthouder, sedert jaren”, verklaarde Bymholt en hij stond dan ook positief tegenover dit boek, dat een overzicht gaf van de toentertijd zeer bloeiende anti-drankbeweging. Toch had hij ook kritiek op het boek, want de schrijvers gingen voorbij aan de godsdienst en volgens Bymholt, die inmiddels dus geen atheïst meer was, kon er van religie wel degelijk een positieve invloed uitgaan op mensen die hun lijf ‘vergiftigden’ met dat “walgelijke vocht”. Dat had Bymholt gezien in Veendam, waar een evangelist veel nuttig werk deed op dit vlak. Bovendien was de Uffelter onderwijzer het met de schrijvers oneens dat het alcoholprobleem in àlle onderwijsvakken ter sprake moest komen. Bymholt bepleitte om dat probleem alleen af en toe in de lessen aan te stippen, als het zo te pas kwam, en er zeker niet voortdurend op te hameren. “Men kan ook van het goede te veel krijgen”, schreef hij. “Ik vrees dat het wel eens een tegenovergestelde uitwerking kan hebben.”

EXPONENT

Naast zijn onderwijs, zijn zwerftochten door de natuur en zijn schrijfactiviteiten was Bymholt in Uffelte bezig met het opzetten van een openbare bibliotheek, de eerste algemene, voor iedereen toegankelijke bieb in de wijde omtrek. Daarbij speelde De Amsterdammer een cruciale rol. Begin 1903 brak H.C. Müller, een exponent van de Openbare Leeszaalbeweging die toen opgang maakte, in dat blad een lans voor het stichten van ‘public libraries’, te beginnen in Amsterdam, en daarna in andere steden, “vooral in het flinke en energieke Noorden”. Bymholt stond zeer sympathiek tegenover dit streven, maar vond de behoefte aan lectuur bij het volk op het platteland groter dan in de steden:

“Herhaaldelijk vraagt men mij – ik ben onderwijzer in een klein Drentsch dorp – naar boeken. De schoolkinderen komen vragen of de meester niet een mooi boek voor vader had. Soms houden de menschen me op den weg staande: als de meester nog eens wat voor mij te lezen had, ik wil er wel wat voor betalen…”

Nog onlangs deelde Bymholt een gratis werkje over dierenbescherming aan zijn leerlingen uit en veel ouders bleken het ook te hebben gelezen. In tal van opzichten vond Bymholt het platteland, in vergelijking tot de steden, “stiefmoederlijk bedeeld”:

“De stedeling ziet allerlei nieuws op straat, voor de winkelramen, hij leest zijn krant, gaat een enkele keer, als het er af kan, naar de schouwburg. De plattelander, die minder verdient, leest niet altijd een krant, en dan in de regel nog geen dagblad, een schouwburg kent hij niet, vaak niet eens bij naam, op straat ziet hij alleen koeien, mestwagens enz.”

Interessant bij deze passage is een noot, waarin Bymholt aangeeft dat in zijn omgeving weliswaar twee maal per week de Meppeler Courant uitkwam, maar dat die vaak slechts één keer per week afgenomen werd (“Velen abonneeren zich echter alleen op het Zaterdag-nommer om de goedkoopte”). Wat meester mede daarom graag zag verschijnen, was een bibliotheek in de stad, die tegelijkertijd als boekendepot voor de omliggende dorpen kon fungeren. In elk dorp moest er dan een agent zijn, die de catalogus verspreidde, de bestellingen noteerde, en zorg droeg voor het aanvragen, distribueren, ophalen en terugzenden van de boeken.

Dat er op het platteland behoefte was aan lectuur, stond voor Bymholt buiten kijf. Hij verwees naar het succes van colportage-romans, die in afleveringen uitkwamen en die de afnemers voor een paar cent per week van colporteurs betrokken. Al had Bymholt forse kritiek op de kwaliteit van dat leesvoer: “De voddigste boeken – vaak op ouderwetse wijze vol moorden en allerlei andere gruwelen – worden zoo aan de man gebracht. En die dingen kunnen heel wat kwaad doen”, dacht Bymholt onder verwijzing naar een beruchte roofmoordenaar die op zijn snode idee gekomen zou zijn door het lezen van een colportage-roman. Gelukkig maar, schreef de Uffelter onderwijzer, dat er de laatste jaren de klad in die handel zat. Dat wist hij van een oud-colporteur. In elk geval waren de liefhebbers van een kwalitatief betere lectuur schaars: “Ze moeten gekweekt worden”. En dat was dan vooral de taak van die op te richten volksbibliotheken, die hun boeken zorgvuldig, maar nou ook weer niet angstvallig uit moesten kiezen, en zich daarbij neutraal moesten opstellen, want: “Uit partij-oogpunt mag natuurlijk niets geweerd worden”.

Als reactie op dit artikel ontving Bymholt nog in februari 1903 een “flinke collectie boeken” van mevrouw Crommelin te Arnhem, waarmee hij in Uffelte meteen al “een aardig bibliotheekje” kon beginnen. Er zaten vele jongens- en meisjesboeken bij, een “buitenkansje” voor de leerlingen van zijn school, “aan wie ik ze geregeld ter lezing geef. Aan volwassenen leen ik de voor hen geschikte werken uit.” Toch kon hij nou ook weer “niet voldoen aan alle aanvragen om lectuur zonder uitbreiding van mijn boekenschat”. Als andere gulle gevers het goede voorbeeld van mevrouw Crommelin zouden willen volgen, dan zou dat dus zeer welkom zijn.

En inderdaad had deze oproep in De Amsterdammer succes, getuige weer een stuk van Bymholt in maart 1904, toen hij schreef:

“Mijne bibliotheek heeft zich in den loop van het afgelopen jaar aanmerkelijk uitgebreid (vooral door verschillende boekenzendingen van den Heer W. Juchter te Amsterdam), zoodat ik in staat was ze te splitsen en een deel er van naar de school te Havelte te verplaatsen. Ook het naburige dorp Wapserveen heeft zijn bibliotheek gekregen, zoodat we op ’t oogenblik hier in een drietal dorpen de bewoners van lectuur voorzien. (…) Zijn de boeken doorgelezen, dan ruilen we ze tegen elkaar.”

Kortom, dankzij meester Bymholt en De Amsterdammer kregen de drie grootste dorpen van de gemeente Havelte een netwerk van openbare bibliotheekjes, nu ruim honderd jaar geleden. Op het moment dat hij dit stuk schreef, overlegde Bymholt ook al met genoemde heer Juchter uit Amsterdam om dat netwerk nog verder uit te bouwen. Op meerdere plaatsen bestond interesse, zodat men in de zomer van 1904 gezamenlijk over kon gaan tot de oprichting van een vereniging ‘Reizende Volksbibliotheek’, die een centraal depot in Amsterdam kreeg, en, naast de drie afdelingen in de gemeente Havelte, van meet af aan vestigingen in Midlaren, Drachtster Compagnie, Hoorn, Middelie, Nooddorp, Oud-Beierland en Elspeet omvatte. Tegen deze uitbreiding naar in totaal tien afdelingen, zo bleek op 18 september dat jaar in Havelte, was de voorraad boeken echter niet bestand. Daarom hengelde Bymholt in De Amsterdammer andermaal naar boeken. “Dat er op het platteland”, zo zei hij, “vraag naar boeken is, bewijst wel het feit dat er in het leesseizoen 1903/04 te Uffelte aan 115, te Havelte aan 83 lezers boeken zijn uitgereikt. Dat zijn voor kleine dorpen al heel mooie cijfers.” Vooral bij winterdag, als er weinig werk was, bestond er volgens Bymholt bij de plattelandsbewoners behoefte aan iets om zich nuttig en aangenaam bezig te houden:

“Schouwburgen ontbreken op onze dorpen, vergaderingen worden zeer weinig gehouden; een of twee maal een uitvoering van een rederijkerskamer, dat is alles en men begrijpt het licht, dat is niet genoeg. Des zomers gaat het wel, de plattelander kan fietsen en maakt er hoe langer hoe meer gebruik van. De fiets maakt het mogelijk dat menschen van verschillende plaatsen meer dan vroeger met elkander in aanraking komen. De fiets is een uitkomst voor het platteland. Maar ’s winters hebben we wat anders noodig. En wat zou er beter zijn dan lectuur?”

Opnieuw: het moest gedegen spul zijn:

“Boeken waarin oorlogs- en andere gruwelen worden verheerlijkt, roof-, moord- en verraad-romans, folterpaal-geschiedenissen (Aimard) zijn ongeschikt voor onze lezers, ja, voor alle lezers. Boeken waarvan het heet: ‘onttrekken aan het oog van vrouwen en dochters’ wenschen we evenmin. Men bedenke, dat er gezinnen zijn, waar ook de voor volwassenen bestemde boeken door kinderen gelezen of althans wel eens ingekeken worden.”

De ‘Reizende Volksbibliotheek’ van Bymholt en Juchter kende een werkwijze zoals Bymholt begin 1903 al min of meer had voorzien. Het Centrale Bureau in Amsterdam kocht de boeken, bond ze in, kaftte ze en voorzag ze van nummers, om er vervolgens bibliotheekjes van 100 boeken elk uit te vormen. In september of oktober kreeg iedere afdeling zo’n bibliotheekje in een kist toegestuurd met een catalogus, een reglement en een uitleenregister dat op 30 leesweken berekend was. Vaak werd er al reikhalzend naar uitgekeken.

Elke afdeling kende een beheerder, meestal een onderwijzer of predikant, die als vrijwilliger de boeken uitleende en de administratie bijhield. Voor boeken en administratie had die beheerder of bibliothecaris een speciaal houten boekenkastje in bruikleen van de ‘Reizende Bibliotheek’. Het hele winterseizoen bleef dezelfde collectie boeken in één plaats. Als in het voorjaar het werk op het land weer toenam, kwam er een eind aan het leesseizoen, en gingen de kisten met de boeken en de administratie weer terug naar het Centraal Bureau, dat de boeken restaureerde – vooral de meest gewilde waren nogal verfomfaaid – zodat ze nog weer een cyclus meekonden. In het volgende seizoen kreeg een afdeling dan een kist met andere boeken, zodat er elke winter wat anders te lezen viel.

De ‘Reizende Volksbibliotheek’ vroeg van haar gewone leden een jaarlijkse contributie van 50 cent per leesseizoen. Verder moesten de leden jaarlijks een leeskaart en een catalogus afnemen, tesamen 7,5 cent, terwijl het lenen ze 1 cent per boek per week kostte, het gebruikelijke tarief bij volksbibliotheken. In de winter van 1904/1905 bedienden de uiteindelijk twaalf plaatselijke afdelingen ongeveer 600 lezers, die samen ongeveer 6000 maal een boek leenden. Gemiddeld nam een lid dus tien boeken per leesseizoen af.

Van meet af aan kwamen die lezers uit alle lagen van de bevolking, van dagloner tot dominee leende boeken van de ‘Reizende Volksbibliotheek’. Het ging vooral om volwassen mannen, maar waarschijnlijk lazen veel vrouwen mee op de lidmaatschapskaart van een heer des huizes. Ook moeten er nogal opgeschoten jongens en meisjes lid geweest zijn. Bymholt vond in 1905 het effect van zijn instelling tenminste groter, dan dat van het herhalingsonderwijs, dat slechts door 12 à 15 leerlingen gevolgd werd in dorpen waar het reguliere lagere onderwijs 150 à 200 leerlingen telde. Jongens en meisjes die thuis bij het werk niet gemist konden worden, en dus niet naar dat vervolgonderwijs konden, mochten of wilden, hadden op een winteravond altijd nog wel een uurtje de tijd over om te lezen, aldus Bymholt.

In de winter van 1904/1905 beschikte de ‘Reizende Volksbibliotheek’ in totaal over ongeveer 1500 boeken. Ruim eenderde bestond uit fictie voor volwassenen (romans, novellen en verhalen), eenderde uit jeugdboeken, en slechts eenzesde uit non- fictie, vooral populaire wetenschap. De verdeelsleutel voor de boekenkisten was grosso modo dezelfde. Naar die populaire wetenschap bestond de eerste seizoenen echter maar bitter weinig vraag. Vooral historische romans waren gewild, terwijl ook ingebonden jaargangen van tijdschriften als Eigen Haard, De Aarde en hare Volken en Voor ’t Jonge Volkje gretig aftrek vonden. Dat laatste blad, en de boeken met verhalen voor jongeren, lazen ouderen ook wel graag. “De dikste boeken werden slechts met moeite doorworsteld, daar het meerendeel onzer lezers niet vlug leest”, berichtte een jaarverslag. Al met al genoot “aangename ontspannende lectuur” de voorkeur.

Met haar twaalf afdelingen zat de ‘Reizende Volksbibliotheek’ aan haar grens qua geld en menskracht. In 1907 viel het besluit dat de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen de hele vereniging zou overnemen, omdat het Nut er jaarlijks 2000 gulden bij ging leggen en er de organisatie voor had om het bibliotheeknetwerk landelijk uit te bouwen. Qua werkwijze met die kisten en kosten voor de lezer veranderde er niets. Wel wijzigde het Nut de naam van ‘Reizende Volksbibliotheek’ in ‘Reizende Bibliotheken’ en kwamen er vanaf najaar 1909 meer romans en meer jeugdwerken in de kist, zodat die twee categorieën samen driekwart van de leesaanbod gingen uitmaken. Bovendien voerde het Nut de nieuwigheid in, dat leden ook vaklitteratuur voor beroepsexamens konden bestellen, die het Centraal Bureau apart per post verstuurde.

Bij de jaarwisseling 1909/1910 had de ‘Reizende Bibliotheken’ 23 lezers in Wapserveen, en 46 lezers in Havelte (het getal voor Uffelte is niet bekend). Vergeleken bij de 83 Havelter lezers die anno 1903/04 boeken betrokken bij Bymholts filiaal valt dat getal van 1909/1910 nogal tegen. Kennelijk was het nieuwtje er van af. Wat betreft Havelte is ook bekend wat men daar in het najaar van 1909 leende. Bij de 303 uitleningen ging het in meer dan de helft van de gevallen om romans, ruim eenderde betrof werken voor de jeugd, en er kwam zegge en schrijve één enkel vakboek over uit het Centraal Bureau.

Najaar 1909 had ‘Reizende Bibliotheken’ 102 aanvragen voor bibliotheekjes binnengekregen, terwijl de Nutsclub over 45 kisten met 100 boeken beschikte. Ze moest dus nogal wat dorpen teleurstellen. Maar ze deed er toch wel alles aan om aan de behoefte tegemoet te komen. Het netwerk breidde zich razendsnel uit. Waren er in 1908 nog 25 afdelingen met gemiddeld 33 leden, in 1920 ging het al om 135 afdelingen met gemiddeld 49 leden. Nog steeds lazen die leden ongeveer tien boeken per winter. Omdat het Nut er dat laatste jaar 9000 gulden bij moest leggen, in plaats van de begrote 6000, wilde men een rijkssubsidie gaan aanvragen. Dat kon echter alleen als de organisatie onder de vleugels van het Nut vandaan kwam, en daarom werd ‘Reizende Bibliotheken’ dat jaar verzelfstandigd onder een nieuwe naam, de ‘Centrale Vereeniging voor Reizende Bibliotheken’.

Bymholt kon in 1922 uiterst tevreden terugkijken op de furore die zijn geesteskind had gemaakt. Het platteland was er rijp voor geweest:

“Een gelegenheid om voor een paar centen een boek ter lezing te kunnen krijgen moet daar wel als zeer welkom worden beschouwd. Zoo’n heelen langen winteravond over koetjes en kalfjes (in letterlijken zin vaak) te praten, gaat toch ook niet best. Gelukkig als er dan een boek bij de hand is.”

In zijn terugblik besteedde Bymholt lovende woorden aan de gemeente, waar het allemaal begon:

“Was het de gemeente Havelte waar de stoot is gegeven tot oprichting der R.B., nu ook schijnt men zich daar nogal voor deze zaak te interesseeren. Er zijn niet minder dan vier dorpen in deze gemeente (n.l. Havelte, Uffelte, Darp en Wapserveen) waar eene afdeeling van de R.B. is gevestigd, terwijl het gemeentebestuur eene subsidie geeft van ƒ 40 per jaar. Zeker een navolgenswaardig voorbeeld.”

VERTELLINKJES

Op dat moment was Bymholt allang uit Uffelte vertrokken, maar dankzij de boekenzendingen was hij daar wel een expert op het gebied van kinderlectuur geworden. In 1904, nog wel in Uffelte woonachtig, leverde hij een kritische beschouwing over dat onderwerp aan De Amsterdammer. Hij had zich altijd groen en geel geel geërgerd, schreef hij, aan bepaalde schoolboekjes en dan met name die met versjes en vertellinkjes over eenvoudige, maar o zo eerlijke armen, die gelukkig en weltevree in hun hutje op de hei woonden. “Hoe beklagenswaardig daarbij het lot van die ongelukkige villa bewoners”, schamperde Bymholt. “Maar als je van die arme hutten-kindertjes voor je op de schoolbanken hebt zitten en zoo’n tevredenheidspreekje in een schoolboek tegenkomt, dan gevoel je veel lust den auteur van het preekje eens ter verantwoording te roepen en duidelijk te onder het oog te brengen het stuitend onware van zijn geschrijf.” De auteurs van dat soort werk gingen er zijns inziens altijd voetstoots van uit dat hun lezertjes van gegoede komaf waren: “Ze schrijven wel over de arme kinderen, maar voor de rijkere. En toch, de meeste lezers zijn kinderen van armen, daar ze de meerderheid vormen”. Aldus Bymholt, die als goed anti-militarist ook nog even afgaf op sommige wel erg nationalistische en bloeddorstige geschiedenisboekjes, zoals De Bloemruiker, een bundel versjes die onder meer deze strofe over de slag bij Waterloo bevatte:

“Gesneuveld, gesneuveld
Besmeurd met bloed en slijk
Maar roepende Victorie
Geleund op vijands lijk”

Bymholt wilde dat soort poëmen graag vervangen zien door “enkel gedichten waaruit spreekt edel en rein gevoel”. Gelukkig wist hij ook enkele goede voorbeelden van kinderlectuur, zoals Oude en nieuwe kennissen van C. van der Hucht. “Ik heb uit dezen bundel heel wat aan de leerlingen mijner klasse verteld”, aldus de Uffelter onderwijzer, “deze vertellingen vielen bij de kinderen zeer in de smaak”. Ook Een levenslustig Troepje van mevrouw E. de Pressensé kon zijn goedkeuring wegdragen: “De hoge zedelijke strekking van dit heerlijke kinderboek doet het toch niet vervelend worden. Integendeel, het is zoo boeiend geschreven, dat kinderen en volwassenen het met genot zullen lezen.” Het werk van de feministe Nellie van Kol daarentegen, waardeerde hij wat minder. Sommige van haar verhalen in Ons Blaadje, een wekelijks uitkomend periodiek, bevielen hem, maar Nellie meende via haar kinderlectuur ook haar standpunten over de vrouwenemancipatie uit te moeten dragen, en dat pruimde hij niet.

4a

Was Berend Bymholt, getuige zijn inzameling van boeken, een succesvol werver voor collectieve fondsen, ook de individuele filantropie schuwde hij niet. Zo kuierde hij op een mooie septemberzondag in 1905 weer eens met zijn vrouw in de omgeving van Uffelte. “Te bewandelen de slangewegen van deze schilderachtige streek is op zichzelf reeds een genot”, rapporteerde hij in De Amsterdammer, “te meer op zoo’n heerlijke najaarsdag, nu de natuur allerlei herfsttinten heeft aangenomen. Telkens weer wezen we elkander op een leuk wegje hier, een aardige inkijk daar, op tal van mooi gelegen huisjes.” Doel van de wandeling was uiteindelijk het huisje van de 75 jaar oude weduwe B., een onderkomen dat sterk doet denken aan het Busselter stulpje dat Bymholt twee jaar eerder beschreef:

“De voorgevel bestaat uit enkele oude grijze planken, waarin twee kleine raampjes bevat. De achtergevel is er vrijwel aan gelijk. Alleen zijn hier geene raampjes te vinden, maar wel de deur. Voor we binnentreden slaan we nog een blik op het strooien dak. De beide dakhelften loopen tot den grond door, zijgevels zijn er niet.
Binnengetreden merken we, dat het hutje uit twee gedeelten bestaat: achter een ruimte voor de geit, de voor de plattelander onmisbare geit en voor brandstoffen en dergelijke; voor het hokje waar de oude vrouw woont. Terwijl zij ons het een en ander vertelt van haar armelijke leven, zien we eens rond. En nu ontdekken we zijwanden, al ontbreken ook zijgevels. Het hutje is in den grond gegraven, het is eigenlijk een met een dak bedekte kuil, de zijwanden worden gevormd door de wanden van den kuil, bestaan dus uit aarde.”

Onwillekeurig zat de Uffelter onderwijzer almaar naar die bruine aarden wandjes te staren. Aan de inboedel van de weduwe B. viel dan ook niet veel kijkplezier te ontlenen. Een paar stoelen, een tafeltje, een kastje, een kacheltje en wat potjes en pannetjes op een plank, “alles oud en verleefd”, daarmee was het wel opgesomd. Terwijl het oude besje over armoe, ziekte en ellende vertelde, stond haar geit voor de raampjes te grazen. “Een eigenaardig gezicht door die kleine ruitjes”, vond Bymholt, “je zoo op gelijke hoogte te zien met den grasbodem”. Die geit, vertelde de gastvrouw, moest ze jammer genoeg eerdaags verkopen, omdat ze geen geld meer voor winterhooi had. Ook ontbrak het haar aan geld om het lekkende dak te laten repareren. Hoewel ze die middag van haar zeven aardappels maar de helft opat, en maar liefst veertien dagen over een pond schapevet deed, kwam ze toch niet rond van haar uitkerinkje, verstrekt door het Havelter armbestuur. Tenminste niet als ze ook nog die wintervoorraad hooi en een dicht dak wilde. Om een lang verhaal kort te maken, meester Bymholt klom weer eens in de pen voor een oproep in De Amsterdammer:

“Mochten er vriendelijke lezers zijn die een kleinigheid willen geven voor de oude vrouw, dan worden ze verzocht het aan mijn adres op te zenden. Slechts eenige guldens zijn er noodig en de geit hoeft niet verkocht en het hutje kan gedekt worden”.

Deze oproep verscheen op 29 oktober 1905 in de ingezonden brievenrubriek van De Amsterdammer. Tien dagen later had Bymholt al meer dan 400 gulden binnen. Zelfs kinderspaarpotten waren er voor geleegd. “Mijn verzoek om steun voor het oude vrouwtje”, constateerde Bymholt tevreden, “is niet vergeefs geweest.” Er was veel meer binnengekomen dan waarop hij gehoopt had. Naast een wintervoorraad hooi voor de geit en een nieuw dak voor het hutje, ging Bymholt nu zorgen voor wat kleren, een paar dekens en brandstof, en dan resteerde nog steeds een flink bedrag om het besje “eenigen tijd wekelijks een kleine ondersteuning te verstrekken, tot vergrooting van het bedragje dat zij van het armbestuur ontvangt”. Voor het fondsbeheer en het weekgeld wilde Bymholt een steuncommissie en de Havelters G. Timmer en J. de Jonge had hij al benaderd om die met hem te vormen.

Niet iedereen applaudiseerde trouwens voor deze bedelactie, want De Amsterdammer plaatste ook een ingezonden brief van ene Perio, die sneerde:

“Aangenaam is de indruk, die men krijgt bij het zien van ’t succes, dat goede harten verwerven, als zij voor dezen of genen ’n beroep doen op anderer warmhartigheid. (…) Maar (…) ik vraag u Nederlanders, hoevele oude vrouwtjes, hoevele oude vadertjes verkeerende in dezelfde omstandigheden als ’t moedertje van Havelte, ontmoeten geen Bymholt op hun weg?”

Dat moesten er inderdaad tienduizenden zijn. Perio gispte vervolgens niet Bymholt, maar de confessionele en liberale politici die er nog steeds niet in waren geslaagd om een algemeen ouderdomspensioen van de grond te tillen, waarmee Nederland qua wetgeving “schandelijk” op andere landen achterliep. Perio gunde Bymholt de “heerlijke rust, die een goede daad geeft”, maar had liever een wet, die alle ouderen het recht gaf op een dak boven het hoofd, warmte in de winter, een bed, en voldoende kleding en voedsel. “Zou onze Gemeenschap, onze Maatschappij daartoe niet bij machte zijn? Wie dat zegt, schame zich!”
Ik denk niet dat Bymholt het oneens was met de strekking van die brief.

In Uffelte ontwikkelde Berend Bymholt zich van een atheïstische anarchist tot een religieus socialist. Ook begon hij er, in 1902, te schilderen. Uit zijn teksten voor De Amsterdammer leren we hem kennen als een bevlogen, maar ook wel eens als een tikkie hoogdravend mens. Bovendien was hij wat eenzelvig en verlegen, een binnenvetter zeg maar, en met zijn zachte stem ook niet echt een overtuigende spreker. Je vraagt je af hoe de Uffelter gemeenschap tegen hem aankeek. In elk geval ging het op school niet goed met hem. Wellicht dat hij daarom ook zo graag in de natuur vertoefde, wat hij in De Amsterdammer eens “goed” noemde “voor het moede lijf, goed ook voor het afgepeinste hoofd en het bekommerde hart”. In 1906 kreeg hij op zijn eigen verzoek al eens een maand ziekteverlof, maar dat mocht de weerzin tegen zijn werk niet wegnemen, en toen er ook nog eens klachten over zijn manier van lesgeven kwamen, vroeg hij om ontslag, wat de gemeente hem dadelijk verleende “wegens lichaamsgebreken”.

Dat was in 1908. Twaalf jaar lang had Bymholt dus als onderwijzer in Uffelte gestaan. Zijn eerste echte baan in het onderwijs was meteen de laatste. Hij en zijn vrouw verhuisden naar Amsterdam, waar hij na de zomer van dat jaar optekende:

“Vroeger woonde ik in Drente, jaren lang. En telkens en telkens weer heb ik mij gelukkig gevoeld als ik zag naar de eenvoudige, sobere mooiheid van deze pracht-provincie. Naar de wijde heiden met verre horizonten, naar de nederige dorpjes. Als ’s avonds de ondergaande zon de huisjes en paadjes en boschjes zet in een vreemden, droomerigen lichtschijn, en als je dan de weinige menschen ziet met hun kalmen gang en kalme gebaren, kan er zoo’n gevoel van rust over je komen, van een mooi-zachte rust, alsof je neerzat en over je liet komen de bekoring van een oud sprookje.”

In het heel wat hectischer Amsterdam werd hij weldra lid van de SDAP. Na een tijd van los werk en sappelen, kreeg hij een vaste baan als corrector bij het Rotterdamse sociaal-democratische blad Voorwaarts. Hij was precies de Pietje Precies die ze bij zo’n krant nodig hadden. Ook exposeerde en leurde hij met zijn schilderijen, zonder succes, en naar het zich laat aanzien is er van dat werk ook niets bewaard.

Op zijn oude dag moest Bymholt de Hongerwinter nog meemaken in Amsterdam. In 1947 overleed hij daar, vergeten en in behoeftige omstandigheden. Zijn vrouw overleefde hem slechts enkele maanden. Kinderen lieten ze niet na.

Over de verhouding tussen meester Bymholt en de Uffelter bevolking is er wellicht nog het een en ander te vinden in de archieven van de gemeente Havelte en de onderwijsinspectie. Zo blijft bijvoorbeeld de vraag open, of de gemeente Havelte zich er in 1896 van bewust was dat ze zich een anarchist als onderwijzer in huis haalde en zo ja, hoe men daar dan mee omging. In dit stuk heb ik me tot Bymholts’ bijdragen aan De Amsterdammer en zijn bibliotheekwerk willen beperken, en kwam ik dus aan zulke vragen niet toe. Evenmin heb ik de artikelen gezien, die Bymholt schreef voor bladen als Vragen van den dag, De Samenleving, De Nieuwe Gids, De Sollicitant, Nederland, Levensrecht en De Meppeler Courant. Mogelijk bevatten die bladen en nog vele andere eveneens nog passages van Bymholt over Zuidwest-Drenthe. Misschien dat iemand zijn zeer verspreide oeuvre eens bijeen kan garen? Er zit zeker een aardig boek in!

NB: Eerder verschenen in Onsen Spieker 2004/3. Geannoteerde versie op aanvraag verkrijgbaar.

4b

Voor een vervolg zie: Meester Bymholt over Darp als huttendorp.

Advertenties

Plaats een reactie on “Berend Bymholt en de Havelter hutjes”

  1. Brimstone schreef:

    Heel erg bedankt!
    Boeiende man die Berend Bymolt. Dat ie weinig van vrouwenemancipatie moest hebben is wat minder ;-), maar ik denk toch dat ie wat, al is het nog zo klein, bereikt heeft.

    Hieronder staan de stukjes uit dit artikel die vandaag in het ‘Uffelter Dorpsnieuws’ zijn verschenen. Dit gebeurde op verzoek van P.S. Bruins door Hans Aikema.

    Misschien is het wel leuk om de redactie van het blad te laten weten dat dit artikel nu ook online te lezen is. Voor adressen kun je even kijken op http://www.uffelte.com , aan emailadressen schijnt men daar niet te doen, helaas.

    “Uffelte had rond 1900 een opmerkelijke onderwijzer. Hij was anarchist en geheelonthouder en schreef voor allerlei bladen. In ‘De Amsterdammer’ besprak hij ook wel zijn eigen omgeving, Via dat periodiek zette hij ook de eerste openbare bibliotheek in Uffelte op, het begin van een wijdvertakt netwerk.

    Berend Bymholt was in 1896 aangenomen als onderwijzer op de lagere school in Uffelte.

    Naast zijn onderwijs, zijn zwerftochten door de natuur en zijn schrijfactiviteiten was Bymholt in Uffelte bezig met het opzetten van een openbare bibliotheek, de eerste algemene, voor iedereen toegankelijke bieb in de wijde omtrek.

    Kortom, dankzij meester Bymholt en ‘De Amsterdammer’ kregen de drie grootste dorpen van de gemeente Havelte een netwerk van openbare bibliotheekjes, nu ruim honderd jaar geleden.

    in het leesseizoen 1903/04 te Uffelte aan 115, te Havelte aan 83 lezers boeken zijn uitgereikt.

    In 1906 kreeg hij op zijn eigen verzoek al eens een maand ziekteverlof, maar dat mocht de weerzin tegen zijn werk niet wegnemen, en toen er ook nog eens klachten over zijn manier van lesgeven kwamen, vroeg hij om ontslag, wat de gemeente hem dadelijk verleende “wegens lichaamsgebreken”. “

  2. Gelkinghe schreef:

    @Brimstone,
    Bedankt, het zijn dus eigenlijk maar een paar citaten/parafrases. Ik zal de veurzitter morgen wel even bellen.

  3. Wieneke schreef:

    Een heel boeiend verhaal. Zo’n man als Bymholt heeft toch heel wat betekend voor de mensen in die regio. Toen ik nog in Drenthe woonde heb ik eens gesproken met iemand uit het bibliotheekwezen en die vertelde dat de Drentse bevolking relatief erg veel lezers kende en nog steeds kent.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s