‘Goud volk’ met de ‘Golden kette’

Geplaatst op 10 april 2008 hooien

Vanwege de geschiedenis van mijn familie had ik het meest aan deel II van Goud Volk, de nieuwe bloemlezing van Groninger literatuur tussen 1830 en 1940. Dat deel bevat namelijk De golden Kette (1875), een novelle die en passant veel zegt over de sociale omstandigheden die in het Oldambt heersten.

Zo heeft de rijke boer die de zwartepietenrol in het verhaal speelt, een vaste arbeider, een Oostfrieze knecht, een derde knecht en een ‘stoppeljong’ in dienst. De laatste krijgt een draai om de oren, als hij bij het ‘woagenharken’ een paar ‘aoren’ laat liggen. Blijkbaar mocht een boer zijn jongste medewerker op die manier straffen.

In de novelle trekken de knechten en arbeiders al sinds jaar en dag “viefschaften overscheiters” aan als hun werk erop zit. Dat zijn zware wollen overjasjes met witte en rode opslagen. In die kledij krijgen ze op de boerderij warme ‘brei’ te eten, maar ze gaan, voor ze op die karnemelkse pap aanvallen, eerst nog wel even ‘achter de pette’:

“Vief, zes tellen maor, en flop, bin al de petten weer op.”

Niet alleen tussen de boeren, maar ook onder hun personeel bestaat een strenge hiërarchie. Aan het hoofdeind van de tafel zit de grootknecht,

“…dei ook ’t eerst in de schuttel tast. Op hom volgen d’andere knechten mit Lubbert, dan Berend de vaste arbaider, en den de andere arbaiders.”

De arbeiders nemen als ze naar huis gaan hun daghuur mee in de ‘tabaksdeuze’. Naast hun loon hebben ze bij de ouderwetse boeren recht op emolumenten, zoals het ‘volle walheu’ – het gras van sloten en lanen – en de ‘oaren’, dat wil zeggen de aren die na de oogst op het bouwland zijn blijven liggen. In het voorjaar mogen wieders en wiedsters de ‘melle’ of melde, een soort onkruid, meenemen van het land, om het aan hun schapen te voeren.

Het interieur van een Oldambster ‘arbaidershoeske’ stelt niet veel voor:

“’t Meubelment  bestait allenn’ oet ’n stök of wat stoulen, ’n hinkende taofel, ’n kamnet mit kruusbein en ’n wörmege laotaofel. Aan de blau-witte muure hangt ’n schilderij van Genovevao en ’n kastklokje, dat heisterg tikt. Boven de laotaofel stait nog ’n grovve steinen schuttel mit blauwe slankjes en: “schep vreugde in ’t leven” d’r op.”

Een arbeidersgezin moet in het najaar een zwientje kunnen slachten en ook een wintervoorraad turf kunnen kopen. Zoniet, dan lijdt het armoe. Hoewel sommige boeren de arbeiders “laai as vlinten” noemen, blijven die arbeiders liever  uit handen van de diaconie. Dat geldt ook voor na hun dood, als er een ‘utigste’ plaatsvindt, “waor nait veul acht op slaogen wordt”.

In zijn inleiding op De Golden Kette weet Siemon Reker aannemelijk te maken dat Herman Bouman de schrijver van deze novelle was. Bouman woonde en werkte als schoolhoofd en onderwijzersopleider in Beerta, op het moment dat de novelle uitkwam. Een jaar later ging hij naar Amsterdam, waar hij de eerste directeur werd van de nieuwe Kweekschool voor Onderwijzers aldaar.

Wie meer wil weten over de bloemlezing Goud Volk, kan overigens hier terecht.

Advertenties

7 reacties on “‘Goud volk’ met de ‘Golden kette’”

  1. Dondersteen schreef:

    Vroeger was het echt niet altijd beter. Dat blijkt maar weer uit dit verhaal. Maar het is wel prachtig om te lezen. Mooi schilderij ook met het licht op de achtergrond ipv op het onderwerp.

  2. jacob schreef:

    Dondersteen heeft gelijk en opent mij de ogen voordat ik kans zag het zelf waar te nemen. De mensen op de voorgrond in de schaduw.
    Dondersteen kan zelf ook wel wat worden
    met penseel denk ik.
    Morgen lees ik het verhaal, nu kijk ik nog even naar het schilderij

  3. Léon schreef:

    De Golden Kette verdient eigenlijk een verfilming! Een soort Novencento van het Noorden!
    Natuurlijk was de armoede en vooral de barse sociale verhoudingen niet om over naar huis te schrijven. Maar ik wil er wel wat tegenover stellen. Als ik mijn grootouders van beide kanten vergelijk, in beide gevallen landarbeiders, de ene in Drentse Gasselte en de andere in het Oldambtster Meeden, waren die in Meeden heel wat beter af. Een eigen woning, een flinke lap land, en veel burgerlijker dan mijn andere grootouders. Bovendien ook veel maatschappelijker actief: in zowel de moderne landarbeiderbond als de sociaaldemocratie. Veralgemeniseren is natuurlijk altijd moeilijk, maar ik denk dat de Oldambtster landarbeiders grosso modo (zelf)bewuster waren dan hun Drenthse collega’s. Politieke, maatschappelijke en geloofstromingen vonden er eerder hun onthaal! Mooie basis voor de Noordelijke Novecento 😉

  4. Gelkinghe schreef:

    @Leon,
    Dat willen gestaalde marxisten inderdaad niet geloven, maar de Oldambster boerenarbeiders waren zoals je zegt beter af dan collega’s op het zand.

  5. Wieneke schreef:

    Hier zou een film van moeten komen. De titel kan zo blijven, want dat is best te begrijpen voor niet-Groningers. Wat hadden die mensen toch een vreselijk hard bestaan. Toch heb ook ik het idee dat de armoede in Drenthe veel erger was dan in Groningen. Laten we dat oorvijgen geven maar weer invoeren trouwens 😉 Bijv. bij die stoppeljongens die comazuipen of vernielingen aanrichten. Weet iemand wat het kost om een totaal vernield design bushokje weer in goede staat te krijgen?

    • Maria de Bloeme schreef:

      Heel veel geld Wieneke! Maar het kost minstens zoveel aan ergernis van gewone burgers die zich bewust zijn van het feit dat deze reparaties allemaal van onze belasting betaald moeten worden

  6. L.van Wijngaarden. schreef:

    Wat een prachtig schilderij, jammer dat de naam van de kunstenaar niet is vermeld.
    De golden kette zou ik graag willen lezen,
    deze toestanden kwamen overal in den lande voor, toestanden waar men nu geen weet meer van heeft. Mooi dat hier aandacht is besteed om het aan de vergetelheid te ontrukken.
    Indien u het te pakken kunt krijgen;lees dan
    eens het boekje van Henry J Blaquiere,
    De boeren van kleidorp.
    Noordbraband.
    H.J.Blaquiere was een zoon van een onderwijzer, hij heeft zijn jeugd herinneringen in dit boekje beschreven die speelden eind negentiende eeuw,begin twintigste eeuw, die zich hebben afgespeeld in het Land van Heusden en Altena. Het boekje is in 1956 verschenen.
    H.J.Blaquiere was toen al een man op leeftijd,en was woonachtig in Grand Rapids,Michigan.Het Biesbosch museum in Werkendam heeft het in de bibliotheek, het is alleen ter plekke te lezen.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s