Waar komt de naam ‘Pasop’ vandaan?

In 2001 vroeg cultureel geografe Tialda Haartsen voor Noorderbreedte aan mensen in Pasop, wat die naam eigenlijk betekende. Een lokale boer opperde twee verklaringen:

“De eerste is dat er vroeger een tolhuis was. Als de tollenaar even in de tuin aan het werk was, probeerden de mensen zonder te betalen langs het hek te komen. De tollenaar zou dan uit de verte met de vuist omhoog ‘Pas op!’ geschreeuwd hebben.”

Een mooi verhaal, maar totaal ongeloofwaardig, ook in de ogen van Haartsens’ zegsman. Er was wel een tolhuis geweest, maar dat stond veel noordelijker, bij de Fanerweg, zoals oude kaarten tonen.

De tweede verklaring van de boer was:

“…dat Pasop een verbastering is van het Latijnse pascua, dat weiland en rijk aan weiden betekent, of van het werkwoord pascere, weiden of laten grazen.”

Deze latijnse verbasteringshypothese klonk de boer èn Haartsen “wel logisch” in de oren, omdat een deel van Pasop nog steeds ‘de mienscheer’ heet, naar het gemeenschappelijke weidegebied dat er ooit lag.

Het stukje van Haartsen staat inmiddels niet alleen op de site van Noorderbreedte, maar ook op de dorpswebsite van Midwolde-Pasop. Bovendien is het herdrukt in het aprilnummer van Historisch Leek en heeft de Wikipedia er overduidelijk uit geput. En daarmee lijkt de Latijnse verbasteringshypothese vrij veel gezag te hebben verworven. De vraag is of dat terecht is.

Opvallend aan het stukje van Haartsen is, dat ze heel weinig documentatie gebruikte, eigenlijk alleen de Nieuwe Groninger Encyclopedie. Die rept inderdaad van de gemene weiden of (in dialect) mienscheren, en komt op de proppen met een verklaring voor de naam Pasop die Haartsen verder niet noemt:

“..men zou bij Pasop dus aan een hut voor een veehoeder kunnen denken.”

Natuurlijk liet het format van de serie in Noorderbreedte geen uitgebreide literatuurstudie toe, maar zelfs al had Haartsen alle plaatsnaam-vraagbaken geraadpleegd, dan nog was ze niet ver gekomen. Qua Pasop heb je daar namelijk niet veel aan. Het was ook nooit een officiële plaatsnaam. Zo negeert Van der Aa Pasop in zijn aardrijkskundige woordenboek (1847, 1851) en noemt Moerman Pasop evenmin in zijn overzicht over Nederlandse plaatsnamen. De laatste wijst wel weer op namen met pas (pasch, pech, peske), die verband houden met het Latijnse pascuum voor weide, terwijl Van Berkel en Samplonius in hun werk alleen genre-gelijke namen noemen als Kijkuit, Kopaf en Valom.

Dergelijke namen stammen vaak uit de negentiende eeuw. Dat gaat ook op in dit geval. De eerste kaart waarop het toponiem Pasop verschijnt is bij mijn weten de Topografische en Militaire Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden die tussen 1851 en 1854 verscheen. Daarop zien we de naam Pasop staan bij een al veel langer bestaande huiskavel ongeveer halverwege de afstand Midwolde – Dijkstreek, Hetzelfde geldt voor Kuypers’ gemeente-atlas van 1867. Het heeft er veel van weg dat de hele wegomgeving de naam Pasop aan die enkele huiskavel ontleende.

Helaas schittert Pasop ook weer door afwezigheid in het register van Ligterinks’ werk over de cultuurgeschiedenis van het Westerkwartier (1968). Maar dat register blijkt bij nader inzien uiterst zwak, In de tekst van het boek staat namelijk wel degelijk een naamsverklaring voor Pasop. En wat mij betreft is deze de plausibelste.

Ligterink geeft zijn verklaring in de paragraaf over de Midwolder meentscheer, op pagina 377. Van alle kerspel-meentscheren in het Vredewold, zo laat hij doorschemeren, was die van Midwolde de grootste. Denkelijk waren de woeste gronden hier ook het ruigst, en kwamen ze het minst voor een andere exploitatie in aanmerking. Zeker heeft hier de praktijk om naar rato van betaalde grondbelasting gemeenschappelijk vee en paarden te laten weiden, het langst bestaan. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw, namelijk.

Volgens Ligterink werd de weg door deze wildernis die nu Pasop heet, ook weer op basis van aandelen onderhouden door de Midwolder boeren die gerechtigd waren tot het laten lopen van vee en paarden in de meentscheer. Bij het begin van de meentscheer bevond zich een wring of hek:

“Daar stond de herberg waar de boeren die naar hun vee kwamen kijken, door het uithangbord werden uitgenodigd tot een dronk. De herbergier hield tevens enig toezicht op het ingeschaarde vee, waardoor de herberg de naam ‘Pasop’ kreeg. De naam is tot op heden blijven bestaan voor het hele meentscheergebied.”

De verklaring die Ligterink hier geeft, lijkt me veel minder vergezocht dan de Latijnse verbasteringshypothese. Latijn werd lokaal alleen gesproken door de dominee, de dokter en de notaris, en het is maar de vraag of een plaatselijke bevolking zonder enig begrip Latijnse termen overnam. Bovendien vormen herbergen heel vaak naamgevers voor hun omgeving. Als ik mijn geld ergens op zou moeten inzetten, dan zou het dus op de verklaring van Ligterink zijn.

Alleen wil ik die verklaring dan wel een ietsjepietsje amenderen. Want volgens de oudste kadasterkaarten van ca. 1832 hadden de volmachten van de Midwolder meenschaar nog uitgebreide weidegronden TEN ZUIDEN van het bewuste huisperceel. In casu ging het om sectie C, de nummers 401 en 410. Vanuit Midwolde gezien stond de herberg dus niet aan het begin, maar aan het eind van de meentscheer.

Sectie C 402, ten noorden van C 401, bleek anno 1832 hooiland van een herbergier Gerrit Jans Reitsma uit Tolbert. Deze bezat ook land op de plek van latere petgaten, aan de westkant van de weg. Misschien dat Reitsma zich hier later op de hoek van de zijweg en de hoofdweg als vervener en herbergier heeft gevestigd? Zo ja, dan was het vooral Reitsma die “Pas op” zal hebben geroepen als zijn klanten en andere passanten de wring van de meentscheer vergaten te sluiten.

Advertenties

7 reacties on “Waar komt de naam ‘Pasop’ vandaan?”

  1. Jan V schreef:

    Veel weet ik er niet van, maar dat van die herberg komt me bekend voor – ik heb ergens gelezen dat ook de naam Ouderschip op zo’n manier tot stand is gekomen. Een herberg die Oude Schip heette, in dit geval omdat het werd gebouwd met delen van een oud schip.

  2. Jan K. schreef:

    Een “meentscheer” is dus wat wij een “miensker” noemen, land dat gezamenlijk door een aantal rechthebbenden wordt gebruikt om vee te weiden …

  3. Gelkinghe schreef:

    @Jan,
    In Drenthe en Overijssel heette het weer de marke en de meenthe. De collectieve weiderij (van koeien, paarden, schapen en jongvee) is voorbij na de markewet van ca. 1850, die het veel gemakkelijker maakt om tot scheiding van zulke communale gronden over te gaan. In Engeland is er even eerder een soortgelijke ontwikkeling geweest.

  4. jan schreef:

    Mijn grootouders woonden aan de Kijk Uit. Dat was zo vanzelfsprekend dat ik me nooit heb afgevraagd waar die naam vandaan kwam. Nu ik er over na denk zou het te maken kunnen hebben met de spoorlijn die deze weg kruiste.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.