Oud kraam en jong zog – aangeboden: een min

Er staat een opmerkelijke personeels-advertentie in de Groninger Courant van 3 juni 1794:

“Zoo iemand genegen is om een vaste MINNE te hebben, is zes weken oud Kraam, te bevragen buiten de Ooster Poort, by de Weduwe van de Korbeijer.”

Misschien is dit voor veel lezers abracadabra. Maar het valt uit te leggen. Een min was een vrouw die tegen betaling de zuigeling van een andere vrouw de borst gaf. Met een vaste min werd waarschijnlijk een min bedoeld, die niet op zichzelf bleef wonen, maar bij de ouders van de baby introk. ‘Oud kraam’ gold als de tijd, die verliep sinds de min zelf een kind baarde, en dus melk had. Met ‘buiten de Oosterpoort’ duidde men het gebied ter weerszijden van de Oosterweg aan. En ‘Korbeijer’ was een verbastering van koddebeier.

Het woord koddebeier werd in de negentiende eeuw een ietwat minachtend synoniem voor veldwachter. Maar anno 1794 zat de negatieve bijklank er nog niet aan vast. De term betekende toen ook niet politie-ambtenaar in het algemeen, maar jacht- en visserij-opziener. Letterlijk was een koddebeier iemand die zwaaide met een ‘kodde’, dat is een knots of een knuppel. En zodoende stropers bedreigde, of mensen die visten in verboden tijd of water.

Nu was de enige koddebeier die in de tweede helft van de achttiende eeuw buiten de Oosterpoort woonde Berend Scharpenborg, de opzichter van het Provinciale Jachtgericht van Stad & Lande. Vlak na zijn benoeming tot jachtopziener, in 1753, kochten deze oud-soldaat en zijn vrouw Leentien, die oorspronkelijk uit Zwartsluis kwam, voor 200 gulden een hof met een stenen zomerhuis aan het begin van de Houtzagersteeg, vlakbij het begin van de Oosterweg. Bovendien kreeg het echtpaar van ’t stadsbestuur de beschikking over een strookje grond ernaast, schuin tegenover de toenmalige Drekstoep, daar waar de stad eerder een houtopslag had. Op de hof en het stukje stadsgrond bouwden Scharpenborg en vrouw voor 250 gulden een woning. Ook kochten ze in 1756 voor 112 gulden nog een perceeltje tussen hun eigen hof en het pad langs de Griffe, zodat ze de hele tip tussen Houtzagersteeg en het pad langs Drekstoep en Griffe in bezit hadden.

Bijzonder was, dat hun huis naderhand ging fungeren als jeneverkroeg. Als er weer eens wat in de omgeving voorviel, kwam de stadsfiscaal (aanklager) hier de getuigenverklaringen opnemen. Kennelijk vormde het établissement van de Scharpenborgs hèt aanlooppunt voor de omgeving.

Omstreeks 1778 overleed de koddebeier en bleef zijn weduwe achter. Gezien het feit dat het echtpaar Scharpenborg al in 1727 trouwde, was de weduwe ten tijde van de advertentie minstens 80. En dus kan ze onmogelijk zelf de min zijn geweest, die zich in de advertentie aanbood. Eerder was de weduwe een vertrouwenspersoon, die bemiddelde voor een onbekende vrouw uit haar buurt.

Ik vermoed dat de min zelf afkomstig was uit de achterliggende Houtzagersteeg, waar niet bepaald de rijkste mensen woonden. Het enige kind van buiten de Oosterpoort dat voldeed aan de kwalificatie ‘zes weken oud kraam’ en dat gedoopt werd na half april en voor de datum van de advertentie, was Geertruid, dochter van Jan Vaandryn en Geertje Wiggers. Wellicht was dat meisje overleden en zochten Vaandryn en vrouw voor haar betaalde plaatsvervanging. Van Vaandryn, noch zijn vrouw is me verder iets bekend. De koddebeiersweduwe kwam ik ook niet meer tegen in zo’n rol als bemiddelaarster voor een min. De weduwe Scharpenborg was dus eerder iemand die eenmalig een grijpstuivertje bijverdiende, dan iemand die dit soort zaken professioneel aanpakte.

Een ‘uitzendbureau avant la lettre’ had wel de knechten-, meiden-, en minnenbesteedster Annegie Geldersma aan het Nieuwe Kerkhof, die anno 1752 om ieders gunst vroeg. Een volstrekt unieke advertentie in de Groninger Courant van de jaren 1743 – 1795, waaruit je kan opmaken dat er weinig emplooi in deze vorm van dienstverlening zat. Althans in Groningen – in grotere steden als Amsterdam kwamen er in deze periode wel wat meer professionele minnenbesteedsters voor, al werd hun bemiddelingswerk meer en meer overgenomen door vroedvrouwen en vroedmeesters.

Of Groninger vroedvrouwen ook voor minnen bemiddelden is me onbekend. De weduwe Scharpenborg was in elk geval geen vroedvrouw.

Elke jaargang van de Groninger Courant in de laatste decennia van de achttiende eeuw bevatte een stuk of wat advertenties voor minnen. Slechts één maal werd er op die manier een min gevrààgd, via de krant boden zich dus bijna uitsluitend minnen aan. In driekwart van de gevallen konden mensen die op zo’n advertentie wilden reageren, nadere inlichtingen krijgen in het kantoor van Hoitsema, de drukker van de Groninger Courant. Terwijl de bemiddelaarsters die de overige advertenties plaatsten, dat stuk voor stuk slechts eenmalig deden. Net als bij de koddebeiersweduwe buiten de Oosterpoort ging het in deze gevallen om een incidentele en niet-professionele vorm van dienstverlening.

Afgaande op de advertenties gaven Groninger minnen er de voorkeur aan, de babies bij zichzelf in huis te nemen. Veel minder waren ze bereid om bij de ouders in te wonen.

De Groninger minnen bevalen zich in de advertenties verder aan met een burgerlijke en “fatsoenlijke” afkomst, goed gedrag en een goede gezondheid. Een enkele maal werd er eveneens van de beoogde werkgevers gevraagd dat het “fatsoenlijke” lieden waren.

De advertenties noemden vaak ook de tijd van “oud kraam”, wat van alles tussen een drie weken en een jaar kon zijn. Later volstonden ze wat dit betreft meer met de aanduiding “jong zog”. In deze tijd gold als advies baby’s hooguit een half à  een heel jaar borstvoeding te geven, omdat men dacht dat moedermelk na die periode langzamerhand bedierf. Vandaar dat ‘jong zog’ tot aanbeveling strekte.

De eisen die ouders aan een min stelden, kwamen uiteraard aan bod als ze op een advertentie reageerden, in gesprekken met de bemiddelaars en de minnen zelf. Uit historische literatuur is er wel wat over die eisen bekend. Het liefst moest de baby geen concurrentie ondervinden bij de min, wier eigen zuigeling dus of overleden, of al gespeend, of bij een andere min uitbesteed was. Ook geloofde men in deze tijd dat sperma de melk bedierf. De min moest zich dus van “vleeschelijke conversatie” (seks) onthouden. Daarom bestond er een voorkeur voor weduwen, waarvan de man tijdens de zwangerschap gestorven was, vrouwen wier mannen op zee zaten of in Oost- of West-Indië vertoefden, en ongehuwde moeders. Hoewel er over die laatsten verschillend werd gedacht, omdat ze ook wel golden als “hoeren”, die met hun moedermelk een bedenkelijke moraal aan de zuigelingen konden doorgeven.

Naast een mentaal, bestond er een fysiek gevaar, waardoor ouders bij het aannemen van een min maar beter kieskeurig konden zijn. Sowieso moest een min goed op gewicht blijven en dus goed eten. Maar ook moest er gewaakt worden tegen ziekten die via borstvoeding op baby’s overdraagbaar zijn, met name syfilis. Ook in Groningen is het inderdaad wel eens voorgekomen dat de “Venusziekte” zich openbaarde bij een zuigeling, in de periode dat een min dit kind zoogde. Maar het juridisch waterdichte bewijs dat de schuld bij de min lag, bleek in zo’n geval moeilijk te leveren, ook omdat de eigen moeders of eerdere minnen de kwaal konden hebben doorgegeven en er op die manier een grotere groep verdachten bestond, die indirect ook mannen omvatte, al bleven die altijd buiten schot.

Als een min fysiek, psychisch en sociaal geschikt bevonden was, verdiende ze hier in Groningen 24 stuivers à  twee gulden per week. Dat hield iemand niet in leven, maar was zeker een mooie bijverdienste. Waarschijnlijk hing die beloning ook samen met de vraag naar en het aanbod van minnen, en daarmee kom ik op de kwestie, of er in Groningen veel gebruik van minnen werd gemaakt.

In een tijd dat er nog geen gepasteuriseerde koemelk, alternatief babyvoedsel en rubberen spenen bestonden, moest men voor baby’s, waarvan de moeders waren gestorven – bijvoorbeeld aan de veel voorkomende kraamvrouwenkoorts – gebruik maken van minnen. Maar naast noodzaak was er ook sprake van ‘luxe’, in gradaties. Vrouwen van ambachtslui en winkeliers, die moeilijk konden worden gemist in het gezinsbedrijf, besteedden hun kinderen uit aan een min. Dat deden ook vrouwen uit hogere standen, maar dan meer uit gewoonte, of om hun eigen gezondheid en goede figuur te behouden. Juist dit ‘luxe’-gebruik van minnen nam in de tweede helft van de achttiende eeuw sterk af, onder invloed van verlichte medici en vroedmeesters, die vonden dat moeders zelf hun kinderen de borst moesten gaven.

Specifiek voor Groningen zijn er geen kwantitatieve gegevens over het gebruik van minnen, maar dat er in deze periode tussen de Nederlandse steden en Parijs een groot verschil was, staat buiten kijf. In Parijs kreeg slechts een op de dertig zuigelingen borstvoeding van de eigen moeder. Voor alle andere baby’s werd er een min ingeschakeld en voor het zoeken van minnen bestonden er zelfs kolossale, officiële bemiddelingsbureaus.

Geen wonder dat de Nederlandse schrijver Le Francq van Berkhey zwolg van nationale trots, toen hij omstreeks 1770 Frankrijk en Nederland op het punt van borstvoeding vergeleek

“Onze Hollandschen dames stellen er, met eene vermaaklijke aandoening, eere in dat zij zelven hun eigen kroost de moederlijke melk laaten zuigen en hunnen kinderen niet buiten noodzaak aan vreemde borsten toevertrouwen. Ook zijn onze Hollandsche vrouwen in dit stuk teerhartiger dan de Fransche dames, die hare kinderen zoodra ze gedoopt zijn veelal naar ’t land ter zooginge en opvoedinge zenden. Men ziet dus in Parijs dagelijks boerinnen met manden op den rug den kinderen afhalen, of geheele wagens vol dorpelingen met de kinderen van deftige lieden, onder het opzigt van eenige kloosterzusters, ter stede uitrijden. En zoo de kinderen der grooten in ’t moederlijke huis gehouden worden, dan vind men er altoos eene minnemoeder die ’t kind zoogt en oppast.Dit is op verre na zoo algemeen niet onder onze landzaaten. Zeldzaam zend men de kinderen buitens huis, en ’t geschied bijkans nooit dan in dringende omstandigheeden. Het moederlijke hart eener recht Hollandsche vrouwe is te teder, om de kinderen buiten noodzaak van zig te verwijderen.”

(Licht herziene versie van een stuk dat eerder in De Oosterpoorter verscheen.)


3 reacties on “Oud kraam en jong zog – aangeboden: een min”

  1. Wieke zegt:

    Wat mooi dat het zo precies uit te zoeken is om welke mensen het zou kunnen gaan!

  2. Wieneke zegt:

    Wat een tijd! Het eigen kindje van de min hoefde niet noodzakelijkerwijs dood te zijn gegaan, hoor. Vaak werd dat arme wicht overgelaten aan een familielid dat er voor ging zorgen. Een grootmoeder of zo. Dat kindje kreeg dan in het gunstigste geval aangelengde geitenmelk, want dat was beter verteerbaar dan koemelk. Natuurlijk was zo’n zieltje vaak ondervoed, terwijl de ‘rijke’ baby prima gedijde, omdat de min goed te eten kreeg. Misschien waren er heus wel rijke vrouwen, die graag hun kind zelf wilden voeden, maar dat niet mochten van de conventies. Er waren families die de min een tijd in huis namen. Dat was dan een soort vakantie voor die vrouw, want ze hoefde niks te doen, behalve dan de baby te voeden en te verzorgen, terwijl in haar hutje het eigen kind tekort kwam.

  3. […] Oud kraam en jong zog. Nu in de aanbieding: een min. […]


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s