Van een hellingbaas en zijn fuik

Op een dag in de nazomer van 1734 krijgt de stadsschulte bezoek van Jurjen Tjaarts. Jurjen is van zijn beroep visser. Als zodanig pacht hij het visrecht in eerste gedeelte van het Winschoterdiep van de stad. Hij komt bij de wetshandhaver zijn beklag doen over Anthonie Jans, de baas van de eerste scheepshelling buiten het Kleinpoortje (nu omgeving Trompkade).

De hellingbaas heeft op een feestelijk samenzijn tegen collega’s zitten opscheppen dat hij een fuik onder de Bonte Brug heeft staan. En dat mag helemaal niet, want dat is voorbehouden aan Jurjen. De visser verzoekt de schulte om maatregelen te nemen. Anders klaagt hij de wetsdienaar wegens plichtsverzuim aan bij de president-Burgemeester.

Op 16 september vindt de schulte ’s avonds nog net even de tijd om aan het verzoek van de visser te voldoen. Op de aangegeven plek bevindt zich inderdaad een fuik, maar die staat nogal ver in het water en hij kan geen boot krijgen om haar weg te halen. Bovendien moet hij zich haasten om naar de stad terug te keren, want de poorten sluiten aanstonds. Wel zegt hij nog even tegen Anthonie Jans dat hij de volgende dag terugkomt.

De scheepstimmerman lijkt er allerminst van onder de indruk en verklaart dat hij de schulte dan een “hantin” (schriftelijk bewijs) zal tonen, dat zwart op wit aantoont dat hij daar het recht heeft om daar te vissen met een fuik.

De volgende dag gaat de schulte in alle vroegte naar de president-Burgemeester, voor een verslag van zijn expeditie. Ook Jurjen Tjaarts laat zich er vinden. De visserman herhaalt zijn grief, waarop de Hoog Edel Gestrenge de schulte gelast om dat “hantin” bij Anthonie Jans op te halen.

De schulte begeeft zich derwaarts, dit keer in gezelschap van een van zijn dienaren. Bij het huis van de scheepstimmerman blijven beide wetshandhavers voor de deur staan, omdat ze weten dat Anthonies vrouw nog geen zes weken uit de kraam is. En dan mag je geen consternatie veroorzaken. Maar zie, de deur wordt geopend door de vrouw zelf, die de schulte ook uitnodigt om binnen te treden. De dienaar blijft buiten staan.

Als Anthonie wakker gemaakt is, uit de bedstee komt en de stoel naast de schulte inneemt, vraagt de schulte hem naar dat “hantin” waarover Anthonie het de vorige dag had. Eerst veinst de hellingbaas niet te weten waar het is. Zelfs probeert hij de schulte nog even met een kluitje in het riet te sturen, maar op aandringen van zijn vrouw gaat hij toch maar naar het papiertje zoeken. Hij komt er, na wat gerommel in zijn “pulpitrum” (schrijfmeubel), ook werkelijk mee voor de dag.

Hij overhandigt het aan de schulte, die het leest en verklaart het als bewijs onvoldoende te achten. De wetsdienaar geeft te kennen dat hij het stuk mee wil nemen, opdat de president-Burgemeester het kan lezen. De volgende dag brengt  hij het dan wel weer terug.

Hij steekt het papiertje in zijn zak. Dat nu, gaat zo maar niet. Anthonie probeert het weer aan de schulte te ontfutselen, en stompt de schulte in zijn gezicht. Er ontstaat een worsteling om de stok van de schulte, die nog een tweede voltreffer moet incasseren. Misschien heeft de wetsdienaar een greep naar zijn degen gedaan, daarover zijn de meningen later verdeeld. In elk geval is Anthonie’s vrouw tijdens het trekken en duwen van de beide kerels hysterisch gaan gillen, voordat ze – klassiek – in katzwijm valt.

Niet best voor een vrouw die nog geen zes week uit de kraam is. Daar komen nog heel wat aderlatingen aan te pas. De schulte zou de vrouw dringend verzocht hebben om kalm te blijven, omdat hij helemaal geen recht had om Anthonie in zijn eigen huis terug te slaan. Hij verlaat het huis, achternagezeten door de scheepstimmerman, die hem naroept:

“Doe bejegenste mij in mijn huis als een schork omdat doe segste als dat ik een valse hant hebbe…”

De schulte antwoordt hem nog: “Man weest wel te vreden”, maar Anthonie blijft hem uitschelden:

“Doe rekel, doe lendelam, doe doe dien best kerel, doe dien best schobbejak”.

Daarmee gooit Anthonie zijn eigen glazen in, want de schultendienaar en een stel buren staan van een afstandje op de Bonte Brug toe te kijken en de schulte vraagt ze als getuigen nota te nemen van de strafbare termen.

De scheepstimmerman van zijn kant nodigt alle getuigen uit om bij hem in huis te komen kijken…

“…hoe mijn vrouw hier is leggende op de vloer door sulke alteratie van de stadsscholte wegens sulke bejegeningen an mij en mijn vrouw gedaan”.

Duidelijk is, dat het muisje nog een staartje krijgt. Burgemeesteren en Raad geven hun advocaat-fiscaal (officier van justitie) opdracht het geval te onderzoeken. Hier is immers sprake van verzet tegen, alsmede belediging van de schulte, een ambtenaar in functie die ze dienen te beschermen. Op zo’n delict staat tachtig daalder boete en eventueel zelfs een lijfstraf.

Fiscaal Van Hoorn hoort eerst de schulte nog eens. Ook de schultendienaar en enige buren van Anthonie worden gehoord. Ze bevestigen wat betreft de scheldpartij het verhaal van de schulte.

Tijdens deze sessies verneemt de fiscaal dat Anthonie op een avond in een herberg tegen collega’s heeft zitten snoeven op de – veel moeilijker te bewijzen – klappen die hij de schulte gegeven heeft. Iemand die deze praatjes aanhoorde, Bartelt Jans Noordhoorn, krijgt eveneens een uitnodiging om voor de fiscaal te verschijnen. Bartelt, collega en buurman van Anthonie – hij heeft een scheepswerf op de plek waar nu de Oude Graansilo staat – durft er eigenlijk niets over te zeggen. Hij is bang voor Anthonie, die hem eerder al eens bedreigde:

“Als hij daar altemets van hoort, zo zal hij mij kwalijk bejegenen; hij is dog de beste mens niet (…) Ik heb liever vree met hem als questie.”

Intussen onderwerpt de fiscaal het “hantin” aan een onderzoek. Het blijkt een verklaring van Jurjen Tjaarts te zijn, de pachter van het visrecht in het Winschoterdiep en degene met wie dit verhaal begon. Inderdaad heeft Jurjen Anthonie toestemming gegeven voor diens plezier en tijdverdrijf te vissen in zijn gebied, en wel voor een periode van twee jaar, met uitzondering van de verboden tijd. Voor deze permissie betaalt Anthonie aan Jurjen een rijksdaalder per jaar. Maar volgens Jurjen, geconfronteerd met het bewijsstuk, mocht de scheepstimmerman alleen vissen met een “teutebel” (kruisnet) of een “slaghamer”, en absoluut niet met een fuik,

“als sijnde van te veele importantiën om voor een rijksdaalder te verkoopen”.

Maar het woordje fuik staat wel degelijk op het “hantin”. Volgens Jurjen is het later aan de tekst toegevoegd door Anthonie en daar heeft het ook zeker veel van weg.

Burgemeesteren en Raad veroordelen de hellingbaas enige maanden later tot tachtig daalder boete en betaling van de rechtskosten. Die zijn door de 38 zittingen van de fiscaal in het Volle Gerecht nogal hoog opgelopen, ze bedragen ruim 111 gulden. De totale schade voor Anthonie is op die manier ruim 230 gulden. Dat is meer dan een arbeidersjaarloon.

In maart 1735 verzoekt hij met het alleronderdanigste respect, op zijn allereerbiedigst, zeer ootmoedig en beklaaglijk om kwijtschelding van een gedeelte van het bedrag, omdat betaling hem…

“…ten uitersten ruïneus soude sijn, sullende daermede het weinige nogh is besittende weggaen…”

Hij vreest zelfs zijn bedrijf eraan te moeten geven. Of de hoge heren werkelijk met de hand over hun hart gestreken hebben weet ik niet, maar Anthonie’s bedrijf zal, voortgezet door zijn nazaten, nog tot in de negentiende eeuw blijven bestaan.

Harry Perton



Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.