De zeven roderoeden van het Oldambt

Geplaatst op 10 maart 2011  a

Het stuk, uit 1685, regelt de eerste politie in het Oldambt en de andere stadsjurisdicties. Wat vooral opvalt is de macht van de Drost, de zetbaas van de stad, over de zeven roderoeden.

Weliaswaar was de keuze van de zeven roderoeden of veldwachters aan de predikanten en kerkvoogden in elk roderoedendistrict, steeds een dorpencombinatie:

  1. Termunten, Borgsweer, Woldendorp
  2. Wagenborgen Nieuwolda, Nieuw-Scheemda
  3. Noordbroek, Noordbroeksterhamrik
  4. Zuidbroek, Muntendam, Meeden
  5. Winschoten, Heiligerlee, Westerlee
  6. Beerta, Nieuw-Beerta, Finsterwolde, Oostwold
  7. Midwolda, Scheemda, Eexta

Ook zorgden de schatbeurders (lokale, eveneens door de dorpselite gekozen belastingontvangers) voor de inning van de benodigde sommen voor de tractementen. Maar dat geld ging naar de Drost, die het ook aan de roderoeden uitdeelde.

Bovendien mocht de keuze van roderoeden alleen geschieden ten overstaan van de Drost, die als enige ging over het ontslag van de nieuwe functionaissen. Aan de ene kant moest er wel draagvlak op lokaal niveau zijn, maar de dorpspotentaten mochten het ook weer niet al te veel voor het zeggen krijgen. Die geest ademt het reglement.

De roderoeden werden aangesteld om te weren:

“…de vreemde en stoute bedelaars en landtlopers, soo in menichte van huys tot huys in de carspelen lopen bedelen, en de huyslieden (= boeren HP) het geldt afperssen, de geleegentheyt siende om jeets te steelen, deselve van haere goederen beroven.”

Een overweging vormde hierbij

dat in deze vredige tijden jeder Landt machtigh en willigh genoegh is om sijn eigen oprechte armen te onderholden.”

Kennelijk vielen vreemde bedelaars nog wel te tolereren als er een oorlog was.

De roderoeden moesten dus vooral “vreemde en stoute” bedelaars verjagen. Met dat stoute werd dan waarschijnlijk vooral bedoeld de fysiek bedreigende, intimiderende figuren.  Uit het feit dat de roderoeden zich bezig moesten houden met vreemde bedelaars,. mag je intussen afleiden dat lokale, bekende bedelaars ongemoeid werden gelaten.

Als een in eerste instantie met zachte hand verjaagde bedelaar het waagde om toch nog terug te komen, mocht een roderoede hem of haar wegslaan met een stok. Dat was nog het lichtste wapentuig, want verder diende iedere roderoede zich te voorzien van

“een goede snaphaen, voorjager, pistool, houwer en manvaste hont”.

En toch, slechts zeven roderoeden op heel het Oldambt,  Die ook slechts 130 gulden de man per jaar verdienden, wat bepaald geen vetpot was, zodat corrupte op de loer lag. En die voor dat magere tractement dan ook nog moesten letten op jachtovertredingen. Ik bedoel maar: dat de overlast van vreemde bedelaars dermate groot was, als de aanhef van het stuk beweert, mag je gerust een beetje betwijfelen.

Overigens verbood het reglement de boeren om willens en wetens bedelaars in hun huizen of schuren te laten slapen, dit op straffe van 2 daalders boete, te beuren door de roderoede die zulke gepermiteerde nachtbidders aantrof. Een boer zou voortaan wel gek zijn, om zulke slapers explciet toestemming te geven. Een bedelaar die dat verklikte, bedierf zijn eigen markt. Op die manier bleef zo’n bepaling natuurlijk een dode letter, ik denk dan ook niet dat er veel van dergelijke boetes zijn geïnd.

Via de KB: Ordonnantie der H. Heeren Borgemesteren ende Raadt in Groningen,  waernae in beyde Oldambten,  Goorecht en Sappemeer roo-roeden sullen worden angestelt… (1685)

 

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.