Bewonerslijst Grouwelderij

De Grouwelderij, voorlopige lijst van hoofdbewoners, functies en spellingsvarianten

1720, 1722: Claes Claesen. Hij huurt het huis de Grouwelerije onder de klokslag van Wierum (= onjuist) met 10 gras land van de erven olderman Roelef Lanckhorst. Bij boedelscheiding gaat het eigendom over op diens schoonzoon, de oorspronkelijk  uit Diever afkomstige brouwer Hendrik Ottinga van De Sleutel aan de oostzijde van de A, bij de Vissersbrug. Dat een brouwer eigenaar is, maakt het waarschijnlijk dat het goed toen al een herberg was. Mogelijk was ook Lankhorst al brouwer, maar dat heb ik nog niet kunnen verifiëren.

1744, 1747, 1757: Claas Claasen Groewel. In maart 1744 overlijdt eigenaar Hendrik Ottinga. Diens dochter Henrica, getrouwd met brouwer Albertus Vos van De Gekroonde Vos aan het Damsterdiep nz., erft de Grouwelerije en de 10 gras land in de Paddepoel, met daarbij nog twee gras eigen grond in de Paddepoel die door iemand anders worden gebruikt. Volgens een later bericht is de Grouwelderie samen met een huis in Baflo verkocht “voor 100 gulden en een olt peer”. Op de boedelscheiding van 1747 krijgt Henrica in plaats van het huis wel wat meer dan dat: drie schuldbrieven ten laste van Claas Claasen Groewel, samen waard 300 gulden, waarbij diens vastgoed het onderpand is. Ik denk dus dat Claas Claasen het door hem bewoonde pand heeft gekocht,  maar kon het bewijs daarvoor niet rond krijgen. De achter- of bijnaam Groewel levert verder geen aanknopingspunten op.. Die lijkt eerder incidenteel toegekend, dan vast.

1763: Claas Clasen, de zoon(s). Van wijlen Claas Claasen in de Groewelderij onder het Carspel Noorddijk worden de roerende goederen geïnventariseerd.  Daaronder bevinden zich:

qua meubilair:

  • 11 stoelen
  • 3 tafels

qua drinkgerei:

  • 8 tinnen kroespullen
  • een dito mengel
  • een dito oort
  • vier dito half oorden
  • enige flessen
  • enige roemers en bierglazen

qua rijtuigen en boerengerei:

  • een sjees toebehorende aan de zoons
  • twee sjeestuigen en een beltuig toebehorend aan de zoon Claes Clasen
  • twee beslagen wagens
  • een bodde, een eide en seeltuig

aan levende have:

  • 2 oude peerden (oud = volwaasen HP)
  • 2 koeien
  • 3 hokkelings
  • 2 kalver
  • 1 schaap
  • 2 biggen

Wat hier doorheen schemert is een kleine tapperij,  gecombineerd met een klein boerenbedrijf. Dat het aantal paarden en koeien gelijk is, zegt wat. Waarschijnlijk verhuurt de gelijknamige zoon van Claas Clasen zich met die sjees (luxegoed!) aan mensen die snel voor de een of andere boodschap of visite het platteland op willen gaan, maar zelf niet over zo’n rijtuig beschikken.

!783: Claas Clasen. Op 4 februari vindt in het Blauwe Paard aan het Nieuwe Kerkhof de veiling plaats van: I. – Een Behuizinge , zynde een Neringryke Herberge (de Grouwelderie genaamd) staande en geleegen onder Selwert; II – De vaste beklemming van 16 grazen land mede aldaar geleegen, en eveneens door Claas Clasen en vrouw gebruikt. Eigenaar van dit land is de doopsgezinde koopman Berend Abrahams Hulshoff, aan wie Clasen 96 gulden per jaar aan beklemhuur betaalt. NB: er is een beklembrief, die de gegadigden vanaf drie dagen voor de veiling kunnen inzien. Hulshoff was voor 1757 waarschijnlijk al in bezit van een kwart aandeel in dit Paddepoelster land. In 1757 en 1766 kocht hij twee mede-eigenaren met elk een kwart aandeel uit. In de desbetreffende koopacten wordt gezegd dat de de behuizing de Grouwellerije, ook wel de Grouwelderije op dit land staat. Waarschijnlijk komt al het land uit een en dezelfde doopsgezinde familie voort. Naderhand moet Hulshoff het laatste kwart nog hebben verworven. De zwetten zijn:

  • noord: de wed. Wassenborgh / Jan Anken als meier
  • oost: de kinderen van Heins Anken / Jan Anken als meier
  • zuid: de tocht of ds. Pabus (een nazaat van Lanckhorst!)
  • west: de Weg

Eind 1784, begin 1785: Jan Bastiaans. De neringryke herberge (de Groewelderie genaamt), staande onder Selwert, staat nog steeds te koop. Als Hulshoff geen eigenaar meer is, zal dat waarschijnlijk iemand zijn uit de doopsgezinde familie Ten Cate. Afgaand op het gereformeerde doopboek zou de achternaam van de huurder Jan Bastiaans wel eens Bazuin kunnen zijn. Na de mislukte veiling  staat in februari de behuizing zijnde een Herberg in de Paddepoel de Groeweldery genaamt, onderhands te koop en te huur, naar keuze van de gegadigde met of zonder de vaste beklemming van nog steeds die 16 Grazen groen- en bouwland. Liefhebbers moeten zich wenden tot de doopsgezinde koopman Jacob te Cate in de Nieuwe Ebbingestraat.

Begin 1804: De weduwe Arend Jans.

Met Gerichts Consent gedenkt de Wedw. van ARENT JANS publiek op Strykgelds Conditien te Verkopen : Hare BEHUIZINGE en HEEM, nevens de vafte BEKLEMMINGE van plus minus 14 Grazen best GROEN en BOUWLAND, staande en gelegen in de Paddepoel, DE GROEWELDERY genaamd, doende de Landeryen ’s jaarlyksche huur 90 guld. en het Heem 4 guld. Deze Verkopinge zal zyn ten Huize van bovengemeld in de Paddepoel, op Donderdag den 12 January 1804. ’s avonds om 5 uur, de Conditien zullen aldaar 3 dagen bevorens zyn te zien en te lezen.”

(advertentie Groninger Courant). NB De veiling vond dus in eigen huis plaats, wat er op wijst dat het nog steeds een herberg was, want vastgoedveilingen vonden vrijwel altijd in herbergen plaats.

Berend Jans Zuidema. Volgens het bevolkingsregisteris hij tapper. Hij heeft als weduwnaar in 1840 drie werkboden in huis, waaronder een weduwe van 35, Enje Jans de Boer. Met haar is hij op 13 juli 1842 getrouwd  Hij heet dan tapper en landbouwer. Op 29 oktober 1856 overlijdt hij. Als weduwe blijft zij op de Grouwelderij wonen.

1858-1871: Steven Jacobs Zevenberg. Op 1 februari 1858 hertrouwt de weduwe Zuidema, “tappersche”, met Steven Jacob Zevenberg, die sinds 13 mei 1857 bij haar inwoont. Bij hun huwelijk staat hij nog te boek als arbeider, maar dat verandert snel, want in het bevolkingsregister heet hij tapper.

mei 1871-mei 1884: Hindrik van der Zwaag. Hij wordt Landbouwer, ook wel landgebruiker genoemd in het bevolkingsregister. Maar hij staat te boek als tapper in in een lijst van ingediende verzoekschriften om vergunningen tot het verkopen van sterke drank in het klein, 1881 e.v.j. Volgens deze lijst tapt hij ook tussen zaterdagavond 6 uur en maandagochtend 6 uur.

mei 1884-1887: Jan Olcherts Clevering. Volgens het bevolkingsregister Landgebruiker. Echter Tapper volgens een lijst van ingediende verzoekschriften om vergunningen tot het verkopen van sterke drank in het klein 1881 e.v.j.

mei 1887-juni 1898: Sako Huizinga. Landbouwer en koemelker volgens het bevolkingsregister. Tapper volgens een lijst van ingediende verzoekschrift
en om vergunningen tot het verkopen van sterke drank in het klein 1881 e.v.j.

juni 1898 – maart 1901: Jan Kwint. Koemelker volgens het bevolkingsregister. Er is géén vergunning tot tappen van hem bekend.

april 1901 – maart 1902: Geertje Munting. Koemelkster volgens het bevolkingsregister. Er is géén vergunning tot tappen van haar bekend.

april 1902 – ????: Hendrik Kwint ? Kastelein, maar niet in het bevolkingsregister. Broer of zoon van Jan? Van april 1902 dateert een (nogal standaard) huurcontract, waarbij Jacob Munting (broer of zoon van Grietje?) tot zetkastelein aanstelt Hindrik Kwint, landgebruiker, wonende te Paddepoel, gemeente Noorddijk.

  • Het betreft een behuizing met vergunning, stal en schuur aan de grintweg te Paddepoel, waarvan het precieze adres (letter en nummer) in het contract achterwege wordt gelaten, maar dus hoogstwaarschijnlijk wel de Grouwelderij is.
  • De pacht bedraagt 130 gulden per jaar, steeds in twee termijnen te voldoen, per mei en november (de traditionele verhuizingsdata). De looptijd van het huurcontract is van 1 mei 1902 tot 30 april 1904.
  • Voorwaarden: Kwint moet het huis met zijn gezin betrekken , het gedurende die tijd bewonen en het van genoegzame stoffering voorzien. De eigenaar mag dit controleren. Alle roerende goederen van de pachter dienen als onderpand voor het opbrengen van de huur.
  • De zetkastelein zorgt voor zijn eigen rekening voor het gewone klein onderhoud. En hij moet grotere herstellingen en vernieuwingen door de eigenaar gedogen, zonder huurvermindering te vragen, zelfs  al duurt zo’n karwei langer dan veertig dagen.

mei 1903 – mei 1919: Gerrit Meyer. Koemelker volgens het bevolkingsregister. Niet bekend als tapper uit de bewaard gebleven vergunningsregisters.

mei 1919 – okt. 1919: Leegstand voor een opknapbeurt?

oktober 1919 – mei 1921: Jan Enne Van Dijken. Veehouder volgens het bevolkingsregister. Niet bekend als tapper uit de vergunningsregisters. Wel bekend als tapper uit het boek van de nazaat over boeren in de Paddepoel. Hield dus waarschijnlijk een stille knip.

mei/juni 1921 evj: Jakob Nienhuis.Melkslijter volgens het bevolkingsregister. Niet bekend als tapper uit de vergunningsregisters. Wel bekend als tapper uit het boek over boeren in de Paddepoel.

Naar de conclusie uit deze lijst

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s