Pannekoek, Poffert en Meelzak vormden een povere horeca

Geplaatst op 16 juni 2011 a

In een brief van 13 juni 1783 schrijft Tjaard Anthonie van Iddekinge, de jongste zoon van Groningens machtigste regent, over een reis per trekschuit van Friesland naar Groningen. In de snikke werd er voorgelezen en at men een maaltijd met aardbeien. Men trad er even uit bij het Noordhorner Tolhek om naar het landschap ter weerszijden van het Hoendiep te kijken, want:

“Hier heeft men een uitmuntend gezigt van zeer schoon land en heerlijkheden.”

Links zag je Zuidhorn met de Hanckemaborg en rechts had je het Huis Byma, bij Faan en Niekerk. Vervolgens gaat de trekschuit met Van Iddekinge junior op Hoogkerk aan. En dan somt hij de drie namen op van herbergen langs het Hoendiep. Het eerste huis heette De Pannekoek, het tweede De Poffert en het derde De Meelzak, “waar voornamelijk ’s winters herberg werd gehouden”.

Deze herbergen langs het Hoendiep droegen dus alledrie namen welke verwezen naar de meelspijzen die men er nuttigde. Alleen De Poffert bestaat nog, zij het als buurtschap die naar de herberg genoemd is. De namen van de twee andere établissementen zijn weggezakt in vergetelheid.

Van Iddekinge at niet  in een van de herbergen, misschien om reden, want de kwaliteit van het geboden voedsel was er abominabel. Althans, als we dominee Hebelius Potter mogen geloven, die in 1808 langs hetzelfde diep kwam. Hij gaf een vernietigdende recensie:

“…nergens zeker kunt gij in ons geheele land slechter herbergen aantreffen, dan langs de trekvaart tusschen Dokkum en Groningen. Hoewel men den vasten tijd van de komst der jaagschuiten weet, vindt men er echter nimmer iets gereed of in behoorlijke orde, geen water aan de kook, geen vuur aan den haard, terwijl de verregaande morsigheid die allerwegen, in vertrek, aan meubelen en bedienden gevonden wordt, een afkeer verwekt om het noodige te gebruiken, zoo men het nog al bekomen kan.

Ik vroeg om thee, doch kreeg tot antwoord van eene ijsselijk morsige dikke vette dienstmeid of vrouw – want daarin is, in deze huizen, juist geen groot onderscheid te bespeuren – dat het theedrinken juist bijkans een uur gedaan geweest was. En dat, nota bene, in eene herberg.

Ik kon dus, daar ik op de regte theeklok niet aangekomen was, geene thee, en niets anders bekomen dan een dronkje bier in een walgelijk morsige kan, die in geen half jaar geschuurd scheen te zijn, en een glas, dat ruim zoo veel naar horen als naar glas geleek.

Zelfs in het voormalig Commissarishuis te Stroobos, thans door eenen anderen huurder bezeten en bewoond, waar voorheen eene honger- en dorstverwekkende zindelijkheid heerschte, had thans volstrekt het tegendeel plaats en had alles meer het aanzien van de gemeenste kroeg, dan van eene ordentelijke herberg. Dan genoeg hiervan. Het is thans zonder uitzondering met alle herbergen langs dezen streek even eens gesteld.”

Zoals we bij het logje over Bourtange gezien hebben, trof Potter ook wel eens een goede herberg aan in onze contreien. In 1808 vervolgde hij zijn reis langs het Winschoterdiep en zijns insziens verschilden de herbergen daar nogal in kwaliteit van de bovengenoemde:

“Langs dezen kant, en door dit gedeelte van Groningerland reizende, ontmoet men betere herbergen dan aan den kant van Vriesland. De huizen zijn beter ingerigt, er heerscht een veel grootere zindelijkheid, en men kan in alles zijne begeerte weldra voldaan krijgen met goede waar, voor  tamelijken prijs.

Vooral te Winschoten zal de reiziger altijd op den middag eene gedekte en wel voorziene tafel, en voor het overige in het deftig Logement van den beschaafden vriendelijken TER STEEG, en in dat van den gullen NOORDHOF, alles zoo vinden, als hij het wenschen kan, of hij zou niet weten hoe hij het hebben wilde. Het eerste behoeft zeker, wat deszelfs geheele inrigting betreft, voor geen Hollandsch Logement onder te doen.”

Dat onderdoen gold dus wel voor De Pannekoek, De Poffert en De Meelzak langs het Hoendiep. Deze voldeden bij lange na niet aan de kwaliteit zoals die in Holland gewoon was.

Bronnen: Centraal Bureau voor de Genealogie te Den Haag, familiearchief Van Iddekinge (toegang 166) doos 3, brief T.A. van Iddekinge aan zijn schoonouders d.d. 13 juni 1783; en H. Potter, Reize door de oude en nieuwe Departementen van het koningrijk Holland, en het hertogdom Oldenburg, gedaan in den jare 1808 (Haarlem 1808) deel I pag. 102, 103, 134 en 135.


2 reacties on “Pannekoek, Poffert en Meelzak vormden een povere horeca”

  1. Hans schreef:

    Prachtige tekening. Is bekend waar de trekschuit voer?
    Ben ook wel benieuwd naar de rest van de brief van Van Iddekinge. Waar stapte hij op?

  2. Gelkinghe schreef:

    @Hans,
    Die trekschuit voer in de buurt van Amsterdam, maar trekschuiten zijn vrij eenvormig, dus ik dacht dat het wel kon, dit plaatje. Zie verder:
    http://gelkinghe.web-log.nl/gelkinghe/2008/10/een-stadschroni.html

    Wat betreft de reis, in de brief kwam in elk geval de paardenmarkt van Oosterwierunm ter sprake. Jaren geleden heb ik dat familie-archief doorgenomen met het oog op Van Iddekinges moeder, Quirina van Persijn, omdat die buiten de Groninger Oosterpoort een buitenhuisje had, La Solitude geheten. Dit was een bijvangst bij dat onderzoek.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.