‘De koude van Nova Zembla gelyk’

Drie strenge winters uit de Kleine IJstijd.

1709

“Gevoelde men niet alleen in deze gewesten, maar in geheel Europa, een zeer harden winter, blyvende de strenge vorst tot in de maand May aanhouden, waar door het gezaayde in de grond bedurf en de groene weyden als verbrand waren, waar uit een bekommerlyke dierte van leeftogt voor menschen en beesten (=vee) volgde. De koude was zo doordringende dat meenige menschen dood vrooren. zelfs op hun bed, en veele beesten stierven, die als versteent op de stallingen dood gevonden wierden.”

1728

“Den 2 November begost het hier zo sterk te vriezen, als zedert het jaar 1709 niet gedaan hadde, ’t welk aanhielt tot den 12 Maart des volgende jaars, zynde door de strenge koude niet alleen alle binnen wateren tot eenige voeten dikte toegevroren, maar was zelfs de Zuiderzee zodanig met ys bezet, zo verre men met ’t oog konde beschouwen, en tusschen Staveren en Enkhuizen had men een reguliere sleejagt, zonder gevaar voor ’t breeken van ’t ys. Verroorzakende deze langdurige vorst een groote armoede en elende in deze Landen.”

1740

“In de maand October des vorigen jaars begon ’t te vriezen, ’t welk niet alleen aanhielt tot het einde van ’t jaar, maar in ’t begin van dit jaar hoe langer hoe felder wierde en eindelijk tot dusdanigen strengheit kwam, dat verre de koude van 1709 overtrof, zynde op zondag en maandag den 10 en 11 January de vorst zo vinnig, als niemant ooit in deze gewesten heugen mag, staande de Termometers bykans twee graden onder 0 (Fahrenheit, dus –2 = –19,8°C) of de felste koude, ’t welk acht graden kouder is als ’t winter van 1709, en drie graden kouder als men ’s winters in Lapland gemeenlyk gevoelt, zodat het de koude van Nova Zembla gelyk was. De wind was als in ’t oosten gekluistert, waar door de bittere koude en vorst en ’t sneeuwen bleef aanhouden tot in ’t laatst van April, wanneer de wind na ’t Noorde Oosten draaide, dog maakte even schraal en onguur weer tot diep in de maand Juny, zodat men zelfs byna geen zomer dit jaar had. De schrikkelyke onheilen en elenden door deze overfelle winter aan land, menschen en beesten veroorzaakt, is onuitspreekelyk. De aarde was ter diepte van veele voeten bevrooren en zo hard als yzer geworden, waar door alle groeyzaamheid als ten eenemaale weggenomen was. Veele menschen en ontallyke beesten vond men door de felle vorst verstyft en dood, de eetwaren en ’t brood waren gelyk steen geworden, en alle dranken en vogtigheden als baar ys. Alle binnen wateren en de snelstromenste Rivieren gebruikte men als gemeene (=gewone) weegen met de zwaarste lastwagens. Niet alleen de Eems tusschen Delfzyl en Oostfriesland wierde veilig met sleeden overgetrokken, maar ook de Zuider Zee tusschen Staveren en Enkhuizen was diermaten slegt (= vlak) en effen toegevrozen, dat zonder gevaar en met gemak dezelve gebruikt wierde, ’t welk nooit van te voren meer gezien was (…). De aanhoudende strenge koude maakte alle levensmiddelen en brand stoffen  schaars en drie voud dierder als gewoonlyk, waar uit een onbeschryflyke nood en gebrek onder de geringe menschen ontstond, en schoon de mildadigheit der grooten en begoedste burgeren omtrent de armen en behoeftigen groot was, zyn des niet tegenstaande de diaconyen met het onderhoud van veele honderden nootdruftigen meer als gemeenlyk bezwaard geworden. Door de koude en gebrek van voedzel stierf een meenigte beesten, waar door veele boeren geruineert zyn, het hooy ontbreekende moest men stroo aan ’t vee ten eeten geven, dit ook niet meer te vinden zynde, hielt men de rietdakken van de boeren huizen af, om ’t de beesten voor te werpen, die het door honger gedwongen aten dat hen ’t bloed ten bek uitkwam. Het gezaaide koorn en ander veldgewassen dagt men, dat door de harde vorst ten eenemaal bedorven was, dog tegen verwagting  was het ten meesten deele behouden, om dat het misschien zeer diep onder de sneeuw bedekt is geweest. Verdere bezonderheeden zullen wy niet melden, wyl deez droeve winter tyd ieder een thans nog genoeg in geheugen legt, als alleen dat God Almachtig geliefde door deeze over groote koude onz van de droevige kwaal en plage der paalwormen te verlossen.”

Bron: [Henricus Hofsnider] Kronyk van Groningen en de Ommelanden, vervattende een beknopt historisch verhaal van ’t merkwaardigste zedert deszelfs alleroudste geheugen voorgevallen, zo van derzelver als in der inwoonderen oorspronk, voortgang, eerste Kristendom, verwoestingen, oorlogen, verderfelyke binnenlandsche onlusten en andere zware rampen, beneffens de grondlegginge en weder afbreekinge van kerken, kloosters, kasteelen, Heeren huizen en Adelyke gebouwen, enz. tot op dezen jare 1743  (Groningen bij Warnerus Febens, 1743) 275, 283, 296-298. (RHC Groninger Archieven 1759-26)

Advertenties

3 reacties on “‘De koude van Nova Zembla gelyk’”

  1. Wat een ellende, maar gelukkig hebben we ook prachtige winterlandschappen aan die kleine ijstijd overgehouden. 🙂

  2. max dohle schreef:

    Ik heb deze prent ooit gekocht, vooral vanwege die man die zichzelf heeft opgehangen aan de boom (over prachtige winterlandschappen gesproken). Afijn. Het was niet aleen kommer en kwel, want in de winter van 1740 – de strengste winter ooit volgens Buisman – is er ook veel geschaatst. Je kon 13 weken lang de Elfstedentocht rijden. Die tocht is ook gereden in 1740. Er zijn ook wel leuke verhalen, zoals over de man die wakker werd met een bevroren baard. Maar er waren inderdaad ook mensen die helemaal niet meer wakker werden, zelfs in bed.
    Schildwachten bevroren ook omdat ze niet dorsten terug te keren naar het pand dat ze bewaakten. Doodvriezen of dood geschoten worden was de keuze.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s