Kidnap uit het Zwijneparadijs

Er was eens een Gronings jongetje, dat mee moest met ‘Boze Griet’. Dankzij de Courant kwam Jacob uiteindelijk uit Breda terug, maar niet heelhuids. Hij maakte een akelig sprook­je mee. 1)

“Het word bekent gemaakt”, meldt een advertentie in de Groninger Courant van 1 augustus 1749, “dat er een kind word vermist”. Het gaat om de vijf jaar oude Jacob Abrahams, die dan al ruim een maand spoorloos is. Zoals gebruikelijk geeft de advertentie ook een signalement van de vermiste: “aan hebbende een bloemt rokkje en een bloemd buisje, een zwart fluwele bonnètje op het hoofd, hebbende geel krul hair”.

Over de toedracht van de vermissing zegt de advertentie dat de kleine blonde krullebol uit de stad meege­nomen is door ene Maria, “een oude vrouw”, “die aan heeft een bruyne borst-rok, hebbende een doek om den mond”. Lezers die deze gesluier­de vrouw en de jongen gezien hadden, kregen het ver­zoek dat te melden bij couran­tier Sipkes.

De advertentie was bij de Courant opgegeven door de grootvader van de jongen, omdat die het verdriet van de moeder, zijn schoon­dochter Frouke, weduwe van de soldaat Abraham Jacobs, niet langer kon aanzien. Samen met haar vermiste zoontje woonde deze Frouke Abrahams in bij een oudere weduwe, onmid­dellijk buiten de Kranepoort aan de stadsgracht. Vanwege de morsigheid heette die plek – nu het uiteind van de Melk­weg – ook wel “’t Swijne­pa­ra­dijs”. 2)

Sowieso leefde een solda­ten­weduwe al in bekrompen omstandigheden en toen haar zoontje Jacob eind juni een zweer aan de hals had, ging Frouke er dan ook niet mee naar een dure chirurgijn, maar naar een vrouw die sinds kort in her­berg De Toren van Babel aan de Laan logeerde en daar Neu­ren­berger zalf verkocht. Deze kwakzalfster nu, was de Maria waarover de adver­tentie in de Groninger Courant spreekt. Maria had Frouke binnen de kortste keren ingepalmd. Ze woonde eigen­lijk in Oldehove, vertelde ze Frou­ke, en had daar net zo’n “jonkje” verloren als de kleine blonde Jacob. De kleer­tjes van dat overleden jochie bewaarde ze nog in huis, die zouden Jacob vast wel staan. Ze was net van plan om weer even naar Olde­hove te reizen, dan kon Jacob mooi mee om die kleren te passen. Met acht dagen kreeg Frouke hem terug, be­loofde ze. En Frouke stemde toe.

Dat zou vrouw Abrahams berouwen, want Maria hield zich niet aan de afspraak. Toen haar zoontje na die acht dagen nog steeds niet terug was, ging een zeer ongeruste Frouke zelf naar Oldehove om hem te halen. Maar in Oldehove bleek niemand Maria te kennen. Wel hoorde Frouke nader­hand in de stad dat “dat vrouw­mensch” en Jacob in Drenthe gezien waren. Ook Dren­the had ze daarom afgezocht. Tevergeefs, ze bleven onvindbaar. En omdat Frouke erg “ver­legen” was om haar kind, en er “zeer om kreet”, be­sloot haar schoon­vader om die adver­tentie in de courant te zetten. Dat kostte hem een lieve duit, maar die krant kwam wèl op veel meer plaat­sen in den lande, dan Frouke bereizen kon.

Zo bereikte de Groninger Courant ook Breda. En al leverde de adver­tentie ook daar dan geen onmiddellijk resultaat op, haar inhoud bleef er wel hangen. Dat bleek maar liefst acht maanden na de ver­missing van Jacob Abrahams, in maart 1750, op een steenkou­de avond in herberg de Prince Tafel op het Bredase Nonne­veld.

Het was vlak voor Vastenavond. In de jachtweide van de Prince Tafel tracteerde de waard, Johannes Meel, zijn buurman­nen omdat zij dragers waren geweest bij de begrafe­nis van zijn schoonmoeder. Om half elf ging Meel naar boven, waar een vrouw, en naar hij van haar aangenomen had haar zoon­tje, samen al een paar dagen op een kamertje bivakkeer­den. Op de trap voor de bewuste kamer vond de waard het jochie “in zijn naakte hemt” en ver­stijfd van de kou. De hele avond al was het ventje buiten­gesloten geweest.

Meel haalde zijn echt­genote Mar­tijn­tie erbij en op haar aandringen bracht hij het ver­kleumde kind naar bene­den, waar hij een nieuw vuur aan­legde om het op te warmen. Bij dat vuur verzorg­de Martijntie Meel enige wonden van de jon­gen, die sterk mishan­deld was. Ook maakte de waardin een doek los, die de arm van de jongen stijf op zijn lijf bond. En anders dan Martijntie verwachtte, bleek er met die arm eigenlijk helemaal niets mis.

Terwijl Martijntie hem verzorgde, deed het blonde ventje zijn relaas. Hij zei dat het helemaal zijn moeder niet was, die daar op die kamer sliep. Die “mooi” (moei, opoe) had hem meegeno­men. Ze waren samen in Maas­tricht en Bergen op Zoom ge­weest en onder­weg had ze hem al menigmaal “deer­lijk” geslagen. Ster­ker nog, ze bond zijn arm steeds weer strak aan zijn lijf vast om die “lam te doen worden”.

Het nog veel ernstiger letsel aan zijn neusje ver­klaarde het jochie met de gruwelhistorie, dat de vrouw hem daar met een schaar het  “middelk­bot” uitgeknepen had. Met ’t neustussen­schot was een stuk van zijn verhemelte meegekomen. Tegen de mensen zei “de mooi” steeds dat hij aan kanker in zijn neus leed en zwaar verlamd was, dit om hun medelij­den op te wekken. En “zo was zij met hem gegaan overal te bede­len”.

Toen Martijntie Meel, de waardin van de Prince Tafel, dit bizarre verhaal ’s ochtends vroeg aan haar buren vertelde, wist één van hen weer, dat er precies zo’n kereltje in de krant had gestaan en dat het van de echte moeder gesto­len was. Martijntie werd zo hellig, dat ze haar kostgangster stante pede de deur uitsloeg. Daar had de waardin beter even over na kunnen den­ken, want buiten de deur kreeg de uitgestoten vrouw van iemand uit de volksoploop te horen, dat er al een “dien­der” voor haar onder­weg was. IJlings nam ze de benen. Ongezien ver­liet ze Breda.

De waard en waardin van de Prince Tafel kwamen er al gauw achter dat de adverten­tie in de Groninger Courant had gestaan, en schre­ven een brief naar de courantendrukkerij in het verre Gronin­gen. Vanaf de Grote Markt seinde couran­tier Sipkes de moeder van het jochie in. Frouke Abra­hams bleek intus­sen ver­huisd naar de Lelie­straat, waar ze bij haar zuster en zwager woonde. Die zwager kreeg van de diaconie wat reis­geld los, waar­mee Frouke dadelijk naar Breda kon gaan om haar zoontje op te halen.

Het werd een weerzien, “dat de moeder en het kind beyde zeer ont­stel­de”. Temeer daar Frouke natuurlijk meteen zag, hoe verminkt het aangezicht van haar kind was. Tegen haar weldoe­ners in de Prince Tafel, en ook tegen de Bredase aankla­ger verzweeg Frouke dus maar, dat ze haar kind eerst om wat kleren meege­geven had. De ontvoer­ster, vertel­de ze, had haar Jacob met een “stuijver koek­je” meege­trog­geld vanuit school.

Het Bredase gerecht deed wel moeite om de ontvoerster te vinden, maar alle naspeuringen bleken tevergeefs. Als de vrouw dus niet zo dom was geweest om zich opnieuw in Breda te verto­nen, waar ze nota bene met hetzelfde voorwendsel opnieuw een jochie ontvoerde, dan zou ze nooit gepakt zijn. Haar recidive in uitge­rekend die stad was Gode verzoe­ken. Het duurde dit keer dan ook niet lang, of ze liep tegen de lamp.

Dat gebeurde anderhalf, twee jaar nadat de Frouke Abrahams haar geschonden zoontje weerzag. Op zaterdagavond 13 november 1751 nam de ont­voer­ster haar intrek in een andere Bredase herberg, die van Jan Bos aan de Oosterpoort. Daar logeerde ook een jonge­tje waar de waardin op paste omdat zijn moeder even naar Middel­burg was. Tegen de waardin zei de nieuwe gaste dat ze dat jongetje wel kende, “en terwijl het zoo naekt en slegt in de kleeren was, zy ’t selve andere kleeren zoude besorgen”. Een wijnkoop­man uit de Nieuwstraat had haar kinderkleren be­loofd, ze moest er binnenkort heen, dan kon die jongen mooi mee om die kleren te passen. En ’s maan­dag­ochtends kreeg de vrouw de herber­gier­ster inder­daad zover, dat ze haar oppas­kind voor dat doel meegaf.

Bij de wijnkoper werden de vrouw en de jongen die dag niet gezien. Wel bij ver­schil­lende andere huizen in Breda, onder meer dat van een gerefor­meerde diaken. Aan de deur van deze armvoorstander vertel­de de vrouw dat ze gereformeerd lidmaat was en een lamme arm had. Thuis zat ze met vijf gebrekkige kinde­ren, zei ze. Het jonge­tje dat ze aanwees was er één van, die kon dus niet praten en was stom. Omdat ze met haar eigen handicap en al die ongelukkige kinde­ren zelf onmogelijk de kost kon verdie­nen, vroeg ze de diaken om een aalmoes uit de diaconie­kas. De diaken geloofde haar verhaal en gaf haar twaalf stuivers, het equiva­lent van een be­schei­den dag­loon.

Van tevoren had de vrouw het jongetje toegebeten, “dat sig moeste houden als stom”. Gezien het succes van de bedeltocht bracht ze hem niet terug naar de herberg aan de Oos­terpoort. De rijke­lijk gegeven munt die ze die dag uit het mede­lijden sloeg, spendeerde ze ’s avonds in de Pas­baan, een derde Bre­daas loge­ment, waar ze “zeer hard kreedt en lamme­teerde” over haar gebrekkige kroost, en enige soldaten op bier trac­teerde, voordat ze “beschon­ken en zat” haar bed opzocht.

De volgende dag, dinsdag 16 november, ging ze met het jongetje langs de aalmoezenier van Breda. Hem deed ze ongeveer hetzelfde verhaal als de diaken en kreeg daar zes stuivers mee los. Ook bij een pastoor kwam ze aan de deur. Toen de prelaat weigerde iets te geven, gaf ze hem “quaadt bescheijt” en dreigde haar kinderen voor zijn deur achter te laten. Dit èn het feit dat ze andermaal bij de diaken was komen zeuren om een offi­cieel bedelbrief­je, deed haar de das om. Dezelfde avond nog kon ze haar zonden overdenken in de Bredase Gevangen­toren.

Bij de eerste twee verhoren voor de Schepenbank onder voorzit­terschap van mr. Rombert Melchior Damisse, plaats­ver­vangend Drost der Stad en Baronie van Breda, gaf ze haar meest recente delicten in grote lijnen toe. Die feiten waren ook te vers om te ont­ken­nen. Interes­sant zijn deze verhoren vooral door de biografische gegevens van de vrouw. Voluit heette ze Anna Maria Stu­arts, weduwe Jan van den Berg, en net als haar Groningse slacht­offer Frouke Abra­hams was ze met een soldaat getrouwd geweest. Ze werd 48 jaar eerder gebo­ren in Venlo, waar wijlen haar vader Jan Stuarts, die bij het regi­ment Stuart opklom van soldaat tot sergeant, in garni­zoen lag. In een andere Zuid-Nederlandse ves­tingstad met een Neder­land­se bezet­ting, Iepe­r, groeide ze op, kenne­lijk zonder veel onderwijs, want ze tekende haar verhoren steeds met een kruis­je. In Ieper trouwde ze met die sol­daat Johann van den Berg. Toen haar man daar in het mili­taire hospitaal over­leed, ver­trok ze naar Antwer­pen, waar ze bij het Cas­teel­plein een huis­je kon huren. Ze voorzag er in haar levens­onder­houd met het venten van groente. Maar dat bracht blijk­baar te weinig op, want ze reisde ook wel naar de Noorde­lij­ke Neder­landen om er te gaan bedelen. Zo bezocht ze in de eerste weken van november Rotter­dam en Dordrecht, van­waar ze op zaterdag de dertiende in Breda gear­riveerd was.

Gelijk al bij ’t allereerste verhoor werd Anna Maria Stuarts gecon­fronteerd met Martijn­tie Meel, de waardin van de Prince Tafel, die bevestigde dat het Stuarts was, die om­trent Vasten­avond 1750 met een jongetje in haar herberg logeerde. Stuarts gaf toe dat ze twee maal in Breda verbleef, de eerste keer in de Prince Tafel. Inderdaad had ze destijds een jongetje bij zich van een jaar of vijf, zes, Jacob genaamd. De moeder had het haar meegegeven “om een week off drie dae mede te gaan bede­len”. Dat jongetje had ze niet mishan­deld, zei ze, maar ze had er ook niet goed opgepast. Moeder en kind kende ze van Gronin­gen, waar ze negen dagen in De Toren van Babel verblijf hield om Neurenberger zalf te verkopen.

Omdat mr. Damisse, de Bredase aanklager, zonder Groninger hulp niet veel verder kwam met de bewijsvoering inzake de ontvoe­ring, mishandelingen en verminking van Jacob Abrahams, stuurde hij een brief naar zijn Groninger ambtgenoot waarin hij de zaak uitge­breid uit de doeken deed. Dat Anna Maria Stuarts de zeer belastende verklaring van Martijntie Meel tegensprak, zat hem duidelijk hoog. Hij ver­zocht zijn collega in het hoge noorden dan ook om Frouke Abra­hams “te onderhouden of haar kind Jacob niet tegens haar wil haar ontsto­len is, en met wat gebre­ken zij ’t zelve hier wederom van Breda heeft afgehaalt”. Van haar “gebuuren” ont­ving Damisse even­eens graag verkla­ringen onder ede. Boven­dien vroeg hij zijn Gronin­ger confrère om een exem­plaar van de Groninger Courant, waarin Jacob Abra­hams’ sig­nalement had ge­staan. Om alle vergis­singen uit te sluiten gaf Damisse zelf een beschrijving van Anna Maria Stuarts: “Dit vrouws­persoon is lang en rede­lijk gezet van postuir, draagt een doek om ’t hooft en bedekt daar mede verscheyde sneden of quetsuur­en in haar tronie, twijfele niet oft zal aan de moeder van dit kint wel bekent zijn.”

Die moeder, Frouke Abrahams, bleek inmiddels echter naar Amsterdam verhuisd, waar ze volgens een gerucht als min de kost verdien­de. Een nader adres konden haar zwager, schoonzus en een buurvrouw in de Lelie­straat niet geven, “als hebbende met haar gene verke­ring” meer. Kennelijk liet Frouke na haar vertrek niets meer van zich horen, misschien was ze door een onechte zwangerschap met haar familie gebrouilleerd geraakt. Maar de zwager, schoonzus en buur­vrouw legden wel verklaringen af, waaruit zonneklaar bleek dat Frouke haar “jonkje” Jacob had meegege­ven om het kleren aan te passen, en dat Anna Maria Stuarts het kind vervolgens ont­voerde. Ook de verminking van Jacob was deze Groninger getui­gen allerminst ontgaan. Na zijn thuiskomst had het jonge­tje zijn ontvoerster zelfs “Boze Griet” genoemd, alsof hij gefigu­reerd had in een akelig sprookje.

Begin december ontving mr. Damisse de stukken uit Groningen. Omdat die hem zo wel voldoende houvast boden, liet hij geen naspeuringen meer verrichten naar Frouke Abrahams in Amster­dam. Dadelijk confronteerde hij Anna Maria Stuarts met het ontvangen bewijsmate­riaal. Ze ontkende dat ze Jacob Abrahams met wat lekkers van school had meegelokt, en zei nu dat ze het kind voor veertien dagen had meekregen, zij het niet om te bedelen, nee.

Dat ze Jacob na die termijn niet terugbracht, kwam doordat “zy te ver van huis was en om dat zy dogt daer nog mede een stuyver­tie kon verdienen”. In de acht maanden dat ze Jacob bij zich hield, bedelde ze met hem in respectie­ve­lijk Drenthe, Twen­the, Maas­tricht, Antwer­pen, Rotterdam, Middel­burg, Bergen op Zoom en Breda. De jongen had dus heel wat van het land gezien; in het oosten en zuiden denkelijk vooral vesting­plaat­sen, die Stuarts, afkom­stig uit een solda­ten­mi­lieu, moet hebben gekend van garni­zoens­wisselin­gen of verha­len.

In al die tijd, beweerde Stuarts, had ze twee maal een brief naar de moeder laten schrijven, te weten uit ‘Harme­lo’ en Bergen op Zoom. Maar daar had ze nooit ant­woord op gekre­gen. Het kind zou heus wel weer bij zijn moeder terug zijn gekomen, bezwoer ze, daar “zy van intentie was, het kint selvers na huis te bren­gen, omdat zy niet van gedagte was het langer by haar te houden”.

Stuarts bekende dat ze het kind dikwijls sloeg, maar dan wel “opt gat met een roeij en op de rug”, wat blijk­baar minder erg was. De zogenaamde lamme hand van Jacob ge­bruikte ze inderdaad met het doel “om daer door meer te krij­gen”. Dat hij zijn neus­tussenschot kwijtraakte was helemaal geen opzet geweest: “Dat zy eerst het kint een slag voor de neus heeft gegeven dat het bloeyde, en doe na het neussie heeft gekeken, en met de vin­gers aen het middel­schot gevoelt, dat het aen de vingers bleeff hangen, maer dat zulx by onge­luck is geschiet”.

Damisse verhoorde ook nog alle Bredase getuigen in beide ontvoeringszaken en vond het toen tijd om korte metten te maken met Anna Maria Stuarts. In zijn strafpleit voor de Schepenbank achtte hij haar “verregaande mishandelin­gen” van Jacob Abrahams voldoende bewezen, en ook haar “falsite­ijten en mis­bruijken der publique aalmoesen en fonsen, die alleen voor waare arme en gebrekkelijke luijden zijn gefun­deert”. De manier waarop ze beide jongens meekreeg, noemde hij “haare sinis­tre practij­ke”. Het ontvoeren of stelen van min­der­jarige kinderen mocht, wist hij, met de dood worden bestraft. Exodus 21:16, Deute­rono­mium 24:7, Keizer Karels Blijde Inkom­ste (1549) en de latere Costumen van Bra­bant waren daar duide­lijk over. Daarom eiste Damisse de dood­straf tegen Anna Maria Stuarts, te voltrekken met het koord aan de wurg­paal, waarna haar lijk op een rad tentoon zou worden gesteld, tot het door weer en wind was vergaan.

Helaas voor Damisse volgde de Schepenbank hem niet in die eis. De Schepenbank achtte op 14 december 1751 de kinder­ontvoe­ringen, mishandelin­gen en “God tergende falsiteiten” weliswaar bewezen, maar streek toch de hand over het hart, waarschijnlijk omdat Anna Maria Stuarts nooit eerder gestraft was geweest. Ze werd dus alleen maar streng gege­seld en gebrand­merkt, bij welke lijfstraffen ze een strop om haar hals droeg. Vervol­gens ging ze voor twaalf jaar het tuchthuis in, om er met eigenhan­dige arbeid haar kost te verdienen. Als ze daar nog levend uit kwam, dan bleef ze levenslang uit de Stad en de Baronie van Breda gebannen, en kwam ze onverhoopt toch nog terug, dan dreigde alsnog de wurgpaal. 3)

 —

NOTEN

1) Dit verhaal  verscheen eerder  in Stad en Lande, Cultuur-historisch tijdschrift voor Groningen, jaargang 2004 nr. 3. Het is grotendeels gebaseerd op twee procesbundels: a) Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III (Stad) ll (Aanklachten en ingewonnen informatiën) 1751/90, met brief dd 21/11/1751 van mr. R.M. Damisse uit Breda en de daarna opgenomen verklaringen van Izak Smit, Jurjen Brants wed., Trintje van Agten, en Johanna Engberts. b) Stadsarchief Breda, Archief Schepenbank, procesbundel R. 147 – 8.

2) Het Zwijneparadijs buiten de Groninger Kranepoort bestond later uit twee koemelkerijtjes onder één kap. Zie de Gronin­ger Courant van 24/10/1826 en vervolgens het kadaster. De huidi­ge lokatie is het uiteind van de Melkweg, nabij de Hofstede de Grootkade. Op de eerste kaart van Haubois (1634) is hier nog geen pand aanwezig. Op de zogenaamde Kleine Hau­bois echter (1652) staat er een kleine boerde­rij. Als huisplaats dateerde dit Zwijneparadijs dus uit de tussenliggende periode. Overigens waren er nog twee Zwijneparadijzen binnen de wallen van de stad Groningen. De eerste bevond zich bij Achter de Muur, een lange achterafstraat. De tweede lag aan het Zuiderdiep.

3) Schepenbank Breda, Archief I – 1b R 116, Register Crimine­le Vonni­sen Stadt en Lande van Breda 1750 – 1775 ; fo. 10 senten­tie dd 14/12/1751.


7 reacties on “Kidnap uit het Zwijneparadijs”

  1. Aragog schreef:

    Wat een verhaal! Overigens vraag ik me af wat Grunnegers met Breda van doen hadden, dat ze daar de Groninger krant ook lazen. Voorouders van mij hebben namelijk jarenlang in Breda gewoond, voor ze uiteindelijk weer terugkeerden naar Rasquert. Lijkt me toch niet echt een logische verhuizing, voor die tijd…

    • groninganus schreef:

      De Groninger Courant was op dat moment de enige krant ten noorden van de IJssel. De weinige kranten die er verschenen, zoals de in Holland de Haarlemse en de Amsterdamse, gingen per schip naar allerlei andere steden. De abonnees daar waren veelal regenten en daarnaast herbergiers met een leestafel. Dat de Groningse Courant in Breda gelezen werd, had dus niets te maken met Groningers die naar Breda verhuisden, maar eerder met de claim van de uitgever dat nieuws uit Noord-Duitsland en Scandinavië eerder in Groningen terechtkwam dan in andere steden. Een claim die overigens twijfelachtig was. Zie hierover een artikel in het Historisch Jaarboek Groningen 2011.

  2. Bert Visser schreef:

    Wat weer een mooi verhaal uit de “goeie” ouwe tijd. Zou er toen ook al een soortement Bram M. hebben bestaan? Daar lees je niet over. Of bepaalde de Schepenbank zelf wat er strafbaar was en welke straf moest worden opgelegd. Men kon zich toen toch nog niet baseren op wetboeken. Dat zou nog 60 jaar duren.

    • groninganus schreef:

      Bert, Er waren wel degelijk rechtsgronden, ook toen al: hier in het noorden de landrechten van de verschillende landschappen bijvoorbeeld. In dit geval noem ik de rechtsgronden ook. Naast enkele bijbelplaatsen waren dat wat omvangrijkere en recentere stukken Keizer Karels Blijde Inkom­ste (1549) en de latere Costumen van Bra­bant.

      • Bert Visser schreef:

        Harry, hartelijk dank voor je vlotte beantwoording. Bepaalde rechtsregels waren er dus en zeker de bijbelse 10 geboden waren er. Weet jij of een verdachte zich in die tijd ook kon laten bijstaan door een strafpleiter? Ook het armere bevolkingsdeel?

        • groninganus schreef:

          Tot ongeveer 1750 is er in lijfstraffelijke zaken waarbij arme sloebers terechtstaan nooit sprake van advocaten. Bij boetstraffelijke zaken waren die er waarschijnlijk wel, die speelden zich af in civiele zittingen waarbij advocaten heel gewoon waren. In hoger beroepszaken en andere ctriminele procedures voor de Hoge Justitiekamer vanaf 1750 waren er waarschijnlijk wel advocaten. Maar misschien hing dit ook van geld af, dat weet ik niet.

  3. boomkruiper schreef:

    Wat een hartverscheurend verhaal!


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.