Meester Bymholt over Darp als huttendorp

Bij de 14 miljoen krantenpagina’s, die de KB onlangs online zette, zitten nogal wat van De Telegraaf. Omdat ik eerder al eens de indruk kreeg dat meester Bymholt rond 1900 onder andere correspondent van die krant was, ging ik daarin maar eens zoeken op berichten uit zijn woonplaats Uffelte.

Vrijwel meteen was het raak. Een bericht uit 1897 heet weliswaar afkomstig van “een onzer Drentsche plattelandscorrespondenten”, maar dat de (christen-)anarchist en bibliotheekpionier het schreef, staat voor mij buiten kijf.  Allereerst vertrekt de auteur van het bericht uit 1897 voor zijn wandeling vanuit Uffelte. Dat zou nog toeval kunnen zijn, ware het niet dat de overeenkomsten met soortgelijke verhalen die Bymholt anno 1903 en 1905 in De Amsterdammer publiceerde, ook verder legio zijn. Betreft het daar sfeervolle impressies van een sociaal bewogen mens, zo ook hier. In beide periodieken heeft de auteur het bovendien over grijze planken als voorgevels en het bruin der heide. En in beide media roept hij uit: “Arm Drenthe!” Zowel in het dag- als het weekblad confronteert hij verder de schoonheid van het landschap met de deplorabele sociale omstandigheden. Het ontbreken van aandacht voor Darp later in De Amsterdammer, laat zich ook verklaren door de aandacht die de auteur er eerder in De Telegraaf aan schonk.  En waar hij anno 1897 nog niet in een hutje durfde te komen met zijn nette herenuiterlijk,  maakt hij dat, zoals hij toen al beloofde, later goed.

Darp bij Havelte is in feite het middeleeuwse, maar naderhand sterk verarmde boerendorp Westerhesselen, het eerste dorp waar de Utrechtse bisschop als landsheer doorheen kwam, als hij Drenthe bezocht. Eigenlijk is Darp  de oudste kern van het huidige Havelte – Darp betekent ook gewoon: dorp. Omdat plaatsbeschijvingen sowieso al zeldzaam zijn, wat des te meer geldt voor het armelijke Darp, laat ik de plaatsbeschrijving van Darp en het annexe Havelterberg hier in extenso volgen:

Ik dacht (…) u te vertellen hoe de hutten hier er uitzien. Het huttendorp in deze streken bij uitnemendheid, is het op een uur van hier gelegen Darp met een aangrenzenden Havelterberg, gewoonlijk ‘de barg’ genoemd. Mijn reisplan gold dus ‘de barg’.

Op een zaterdagachtermiddag sloeg ik den breeden zandweg in van Uffelte naar Darp. Weerszijden heidevelden, hier en daar een boschje, heidevelden en boschjes door slootjes — waarin water — afgescheiden van den streperigen weg. Die strepen: repen geel zand, repen hei en repen grijze vastgetrapte looppaadjes. Eeuwen zijn er, gis ik, noodig geweest om die looppaadjes grijs en vastgetrapt te krijgen, althans als er altijd zoo weinig loopers zijn, als op dien zaterdag-achtermiddag, toen ik vol groote plannen, mijne 65 kilo lichaamszwaarte aanwendde om grijsheid en vastgetraptheid te vermeerderen. Want geachte lezer, er kwam mij geen ‘sterveling’ tegen.

(…)

Na verschillende filosofische overdenkingen, kwam ik eindelijk bij het eerste huis van Darp. Dat huis was een hut. Zoo’n hut lijkt iets op een ouderwetsche doodkist, maar is wat grooter, niet veel — ook op een kuil, waarin de boeren aardappels bewaren, maar zoolang de aardappels er nog inzitten, heeft de kuil meer waarde. In zoo’n hut toch, wonen slechts menschen.

De gevel der hut was driehoekig en bestond uit elf grijze, bejaarde planken. De langste plank liep van den tophoek tot den grond en was iets langer dan een volwassen mensch, de andere, voortdurend in lengte afnemend, tot een voet toe, schaarden zich ter weerzijden, als een tien stuks grijsgejaste Atjeh- en Lombokstrijders om een langen korporaal. Twee hoopen aarde bij de basishoeken van den grijzen driehoek steunden het geveltje.

De korporaal en de langste twee kolonialen waren hun borst kwijt. Daar was ruimte uitgespaard voor twee onnoozel kleine venstertjes waarin enkele stukjes groen glas als katoogen naar de achtermiddagzon gluurden.

De achtergevel van het hutje was als de voor gevel, minus de katoogen. De zijgevels: eenige planken, grijs en bejaard.

Het dak: grauw stroo uit een vorig decennium.

Voilà tout!

En het inwendige van zoo’n hut?, vraagt u. Ik weet het niet. Want ik miste den moed om onder eenig voorwendsel binnen te gaan met gepoetste schoenen, overjas, hoed, stok en sigaar. Als ik eens, na die dingen die van een man een ‘heer’ maken, afgelegd te hebben, dit waag, dan zal ik u ook het interieur beschrijven.

Ik wandelde verder Darp ln, den Bisschopsberg 1) op, die met zijn 20 m. hoogte — toch nog het hoogste punt der drie noordelijke provinciën — nog minder recht op den naam van ‘berg’ heeft als onze Geldersche en Limburgsche heuvels.

En ik zag nog meer dergelijke hutten, enkele wat minder sjovel, met een steenen voorgeveltje, maar alle klein en armoedig.

Overal is de vloer van leem, naar de hoofdonderwijzer van het dorp mij vertelde. Alleen zijne woning en die van een boer, wiens zieke vrouw’s voeten het koude leem niet konden verdragen, kunnen roemen op een houten vloer.

Gansch een dorp van hutten, lezer ! Daarin leven menschen, daar ademen, eten en slapen zij; daar wellicht, misschien beminnen zij en bouwen plannen voor de toekomst.

Arm Drente!

En mijn medelijden werd groot met de daar in die hutten voortvegeteerende arme menschen, arm en leelijk, de vrouwen hoekig en scherp, lijvig als mannen, met doffe, grijze oogen.

O, het is mooi, die schilderachtig hier en daar planloos neergeplaatste hutten op de heuvelachtige heide, en vaak bleef ik staan om de natuur te bewonderen die met zulke eenvoudige middelen zulke schoone dingen kan voortbrengen.

Maar wat hebben de arme hutbewoners aan die mooiheid! Zij zien het niet. Zij kunnen het niet zien, daar ze geheel worden in beslag genomen door de practijk des levens.

Vóór ik terugkeerde, genoot ik nog van een mooien zonsondergang. Op bet bergje staande, zag ik de zon, dalende tusschen twee ‘bergtoppen’ door, prachtig werken met haar rood goud op het bruin der heide en het veeltintig groen van boschjes en heideplanten.

Toen het donker werd, ging ik terug, den eenzamen, streperigen zandweg langs. Weer ontmoette ik geen ‘sterveling’. lk liep alleen voort door avondgrauw en boschzwart.

 

1)          Boven sprak ik van Havelterberg of ‘de barg’. Dat is het dorp en de Bisschopsberg is het heuveltje waar bet dorpje op ligt. Meer noordelijk is weer een heuveltje, de Havelterberg geheeten.

 

Bron: ‘Uit het Drentsche „Huttendorp”’,  De Telegraaf van 6 mei 1897.

Advertenties

5 reacties on “Meester Bymholt over Darp als huttendorp”

  1. Darp, ik mocht er nooit komen want bij opa en oma had Darp geen beste naam. Messentrekkers waren het. Er werden dan namen genoemd van families die ik later toch nog wel wat beter heb leren kennen, zonder dat daar ooit een mes aan te pas is gekomen. Maar ja, volk van de Veendiek en de Peerdeweide was vast veel beter …

    • groninganus schreef:

      Darp had inderdaad geen beste naam en was daar ook héél gevoelig voor. Ben het nu even kwijt, maar ik zag ook een berichtje over ds. Van Bork in de jaren vijftig. Die zou in een landelijk dagblad enkele nare, vooroordeelbevestigende uitspraken over Darp hebben gedaan. Met een zware gemeentelijke bemiddelingsdelegatie achter de tafel kwam hij in een stampvolle zaal afstand doen van die uitspraken, die hij ook helemaal niet zou hebben gedaan. Toen pas, werrd het weer vree met dominee..

      De paar Darpers die ik kende vielen inderdaad wel mee. Wel vrolijk volk. Bij het voetbal ontaardde een wedstrijd in en tegen Uffelte wel eens in een veldslag. Uit bij DVSV heb ik dat niet meegemaakt. De wedstrijden daar hadden juist wel een charme omdat Gekke Hendrik (een dorpsgek die altijd voor de fanfare uit liep te zwaaien) de corners nogal eens nam. Minder leuk was dat Hendrik daarbij eens zijn been brak.

      Van alle dorpen in de gemeente Havelte levert Darp de beste verhalen. Messentrekkers had je overal in Zuidwest-Drenthe, voor de oorlog. Daar was de hele streek berucht om.

  2. Onvoorstelbaar dat dit nog slechts ruim 100 jaar geleden is. Men zegt weleens dat wij ons in de afgelopen 100 jaar meer geëvolueerd hebben (qua welvaart tenminste) dan in de duizenden jaren ervoor. Dat blijkt hier maar weer eens uit. Dit is nog maar zo kort geleden dat wijlen mijn opa (geboren in 1894) in deze omstandigheden verkeerd zou kunnen hebben, ware hij in deze contreien geboren. In 100 jaar tijd van plaggenhut naar smartphone…

  3. Kees de Bruin schreef:

    Boeiend weer. De familie van mijn moeder waren/zijn Drenten. Darp ken ik niet, behalve van verhalen in de krant, maar Bymholt, hoewel niet van enige ijdelheid gespeend, kon wel schrijven. En ja, 100 jaar geleden. Mijn opa, Hendrik, pruimtabak kauwend en spuwend in zijn koperen kwispedoor naast de kachel (opoe zat aan de andere kant van de kachel) zal dergelijke hutten wel hebben gezien. Nu moet je er voor naar Arnhem.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.