Dansberen langs de Trekweg

Vroeger kwamen er ook in onze gewesten wel eens dansberen langs. Vooral ’s zomers zag men ze wel met hun bazen langs het oude Winschoterdiep naar Groningen kuieren.

Voor het eerst wordt van zo’n passage melding gemaakt door de Groninger Courant van dinsdag 24 juni 1868:

“Gisteren morgen kwamen hier van buiten het Kleine Poortje binnen 12 Zigeuners (zoogenoemde zwervende Heidenen) bestaande uit 5 mannen, 4 vrouwen en 3 nog jeugdige kinderen. Het voorkomen dezer lieden, die 4 beeren en 2 kleine paardjes met zich voerden, was zoo vreemd en tevens zoo deerniswaardig, dat men onwillekeurig tot medelijden werd gestemd. Van den fungerenden burgemeester de vergunning ontvangen hebbende aalmoezen bij de ingezetenen in te zamelen, hebben zij, na daarmede buitengewoon goede zaken gemaakt te hebben, den gepasseerden nacht buiten de Kranepoort onder den blooten hemel doorgebragt en heden morgen de reis naar Friesland voortgezet.”

De kennismaking met dit reisgezelschap gaf bij de stadjers gemengde gevoelens, want in dezelfde krant staat ook een boze ingezonden brief. De inzender, ene A-Z, vroeg zich af of de loco-burgemeester zomaar de gemeentelijke verordening tegen de bedelarij terzijde kon schuiven door een vergunning af te geven voor “openbare bedelarij”. Bovendien laakte hij het dat de “zich Zigeuners noemende” bedelaars dankzij de loco-burgemeester “hulp en bescherming der politie” genoten.

Dat liet de loco-burgemeester niet over zijn kant gaan. Al de volgende dag had de krant zijn reactie op het artikel en de ingezonden brief, waarvan de kern op de 26-ste in de vorm van een rectificatie werd afgedrukt:

“…dat aan de Zigeuners geene vergunning is gegeven tot bedelen, maar alleen om zich zelven en de beeren die zij met zich voerden, te vertoonen”.

Met andere woorden: de berenleiders mochten dan geld vragen, maar ze leverden daar wel degelijk een tegenprestatie voor.

Al zo’n anderhalve eeuw, sinds de moorddadige vervolgingen van begin achttiende eeuw, waren hier te lande geen groepen zigeuners meer geweest. Dat ze in juni 1868 in Limburg, Gelderland en Groningen weer opdoken, baarde dan ook veel opzien. De Groninger Courant kwam dadelijk aan de grote publieke belangstelling tegemoet met een historisch achtergrond-artikel over de “heidenen, Zigeuners, Bohemers en Egyptiërs, onder welke namen zij veelal voorkomen”. Voor het overige stelde ze zich pontificaal achter de gewraakte loco-burgemeester op:

“De gelegenheid dezer dagen hier gegeven dit zoo oude volk te zien en te leeren kennen heeft dan ook teregt aan velen een hoogst belangrijke vertooning verschaft. Wel verre van in te stemmen met hen die het berispen, dat die gelegenheid is verleend, (…) stellen wij het op veel prijs dat zoo eigenaardige volk van nabij te hebben kunnen zien en spreken.”

Elders was de houding minder positief, en vond het Groninger vergunningenbeleid geen navolging. Drie dagen na Groningen kwam de groep in Leeuwarden aan, waar de autoriteiten zich heel wat strenger toonden:

“De politie, van hunne aankomst verwittigd, ging hun tegemoet. Twee begaven zich naar het politie-bureau, maar konden geen verlof bekomen zich hier op te houden, waarna zij onder den toeloop van een groote menigte volks naar Harlingen optrokken, tot aan de grens van de naburige gemeente Menaldumadeel door de politie begeleid.”

De berenleiders en hun families waren van plan om met de stoomboot Harlingen-Amsterdam de Zuiderzee over te steken. In de dorpen tussen Leeuwarden en Harlingen deden ze wel weer goede zaken:

“Hier en daar op hun togt zamelden zij nog al eenig geld, ofschoon zij daaraan, naar verzekerd werd, alles behalve gebrek hadden”.

Waarschijnlijk heeft de groep ook in het westen van Nederland nog een poos rondgezworven. Uitgeleid en over de grens gezet werd zij echter niet, want dat gebeurde in 1868 nog met geen enkele berenleidersfamilie.

LIEFDEGAVEN

Wellicht omdat deze eerste groep vrij succesvol was, kwamen er een jaar later, in de zomer van 1869, meerdere groepen naar Groningen. De eerste diende zich aan op zondag 13 juni. Aan de berichtgeving is dan al enigszins te merken dat het routine begint te worden, en ook is er geen spoortje meer over van de officiële tolerantie van een jaar terug:

“Evenals ten vorigen jare een troep Zigeuners in onze stad door hunne vreemdsoortige vertooning veel opschudding veroorzaakten, zag men ook l.l. Zondag weder een dergelijken troep, schoon in kleiner aantal, deze stad naderen. Op last der stedelijke regering echter werd hun onmiddellijk door de politie geleide door en uit de stad gedaan, zoodat de kans om goede zaken te maken hun werd benomen.”

Net als de groep van het vorige jaar ging deze groep eerst naar Friesland. Versterkt met nog een ander gezin dat ook een beer meenam, arriveerde zij op 21 juni te Meppel, waar het fenomeen weer nieuw was, en de plaatselijke overheid coulant:

“Na vergunning gekregen te hebben, trokken zij de straten door om hunne beeren op de maat van de muziek te doen dansen en daarvoor liefdegaven in te zamelen. Eene groote menigte, zoo oud als jong volgde hen. Er was eene geheele oploop.”

Na Meppel deed de groep Steenwijk aan, en Gorredijk:

“Met vergunning van het Bestuur hebben zij daar de beeren doen dansen en daarmede eene nog al aanzienlijke som opgehaald.”

En via Olderberkoop en Smilde kwamen ze in Assen terecht, waar de kennismaking de Provinciale Drentsche en Asser Courant wat tegenviel:

“Kleeding en uitzigt leverden het bewijs, dat het eerste weinig kostbaar is en zij zigh om het tweede niet veel bekommeren. Het gebruik van zeep en water scheen hun zoo goed als onbekend te zijn. En toch hebben zij een zeker schoon, dat onwillekeurig aantrekt.”

Denkelijk dankzij die attractiviteit deed de Drentse krant verslag van hun algehele verblijf:

“Kinderen van de natuur, en dus met weinig tevreden, legerden zij zich daar onder den blooten hemel, vòòr eene houten loods, waarin ze hunne beeren op stal zetten. Zonder zich te bekommeren om de hen omringende menigte, die toestroomde om de ‘heidens’ te zien, legden zij zich met vrouw en kroost ter ruste, even kalm en bedaard als een eerzame burger zijne gemakkelijke sponde bestijgt. Zij bragten daar den nagt door onder de vaderlijke hoede der politie, door wier welwillende zorg zij hedenmorgen buiten de gemeente zijn geëxpedieerd, den kant naar Groningen op, in de hoop zeker, daar een beter veld voor hunne werkzaamheden te vinden.”

In Groningen kwam de groep gelijk aan met een vier beren bezittende groep die even eerder nog in Beerta te zien was geweest. Van de plaatselijke correspondent aldaar plaatste de Groninger Courant een wat uitgebreider verslag:

“In het dorp gekomen was de toeloop van nieuwsgierigen – daar ’t juist Zondag was – zoo groot, dat geen harddraverij of kermis daarbij halen kan. Zij hebben dan ook goede zaken gemaakt; overal was het medelijdend hart en de milde hand open, eerst voor de leiders en mededansers der beeren en toen voor de een weinig achterna komende vrouwen; in ’t bijzonder toen een van haar op een jong kind wees, dat in een massa pakken gewikkeld, schommelde op den rug van de moeder. Aan deze scheen dan ook voornamelijk de finantiële administratie te zijn opgedragen, althans zij hield niet op van allen eene fooi te vragen, en telkens weer. Weigerden dan sommigen voor de derde of vierde maal contributie te geven, dan werd hun een ‘val dood’ of een ander vrome Hollandsche wens naar de ooren geslingerd. Zoo togen ze door de gemeente tot ze juist bij de grenspaal een stuk weideland ontdekten. Zij ontdeden nu den beeren hun muilbanden en lieten deze grazen in de weide, want tot verwondering der menigte voedden de beesten zich met gras en distels.”

Omdat de veldwachter doorgaf dat ze Beerta uit moesten, trokken ze naar het buitengebied van Winschoten. Daar legden ze in een stuk land een kampvuur aan en overnachtten ze in de open lucht. Langs het Winschoterdiep ging deze groep vervolgens naar Groningen, waar de politie haar op last van het stadsbestuur doorgeleidde richting Zuidhorn. De andere groep, vanaf Assen gekomen, kreeg tegelijkertijd politiebegeleiding in de richting van Appingedam.

URSARI

Tot zover de eerste Groningse en Drentse persberichten over vreemde en haveloze groepen van berenleiders met hun gezinnen, die hier en daar, zoals aanvankelijk in de stad Groningen, vergunning kregen om zichzelf en hun dansende beren te vertonen voor geld. Voor deze attractie bestond er een dermate grote belangstelling, dat kermissen en de harddraverijen – normaliter de grootste publiekstrekkers in deze contreien – erbij verbleekten. Maar naast mededogen, vooral voor de kinderen, was er van meet af aan sprake van weerzin bij het publiek, ook omdat het wel eens brutaal werd bejegend. Weldra bleken de lokale overheden minder genegen tot het afgeven van vergunningen en kreeg de politie, zeker die in de grotere plaatsen, opdracht om de groepen te verwijderen. Vanaf 1869 werden ze ook wel uitgeleid en over de grens gezet.

Onder andere over deze berenleiderfamilies schreef Leo Lucassen in zijn proefschrift En men noemde hen zigeuners…; de geschiedenis van Kaldarasch, Ursari, Lowara en Sinti in Nederland (1750 – 1944). Volgens Lucassen heten de berenleiders en hun families Ursari, naar Urs, wat beer betekent. In Nederland doken ze gelijk op met Hongaarse ketellappers of Kaldarasch, die veel rijker waren en die in het algemeen, maar dus niet in het noorden, veel meer aandacht van overheden en media naar zich toe trokken. Net als de Kaldarasch werden de Ursari beschouwd als zigeuners, al spraken ze geen jota roma.

Eerder waren er wel Franse en Poolse berenleiders in Nederland geweest, en later kwamen er ook Italiaanse, maar die zwierven nooit met hun gezinnen rond en werden dus niet als zigeuners gezien. De Ursari waren doorgaans afkomstig uit Noord-West Bosnië, de streek rond Banjaluka. Omdat die regio nog tot 1878 deel uitmaakte van het Turkse rijk, heetten ze in de wandeling ook wel Turco’s of, zoals rond 1930 nog: Turken. Zelf noemden ze zich trouwens menigmaal Ottoman, terwijl in de uitleidingsregisters familienamen voorkomen als Lajarovic, Stancovic en Theodorovic.

Aanvankelijk droegen ze slechts lompen en liepen ze barrevoets. Later kwamen ze met meer conventionele kledij en schoeisel aan, al vertoonden sommige zich ook wel in een ietwat folkloristisch aandoende, Turkse outfit. Volwassenen liepen met dikke stokken van wel twee meter lang, en hadden een leren tas aan een riem om het lijf. Aanvankelijk hadden ze verder alleen bepakte paarden of ezels bij zich, en sliepen ze in de open lucht. Maar omstreeks 1880 maken de kranten melding van de eerste overdekte woonwagens, waarvoor dan wat hitten lopen. Een ander teken dat op toegenomen welvaart wijst, is dat ze de beren eerst alleen op de maat tamboerijnen lieten dansen, terwijl daarvoor later ook wel doedelzakken werden gebruikt. “Nog zij gezegd, dat (…) de Zigeunerinnen hare pijpjes opstaken en even als de mannen lustig dampten.” De zoontjes rookten zelfs bij elkaar geschooide sigaren. En jenever gebruikten ze allemaal “als de beste Nederlander”.

De beren kwamen uit de Karpaten of een hooggebergte van de Balkan. Ze waren als jong gevangen, nadat hun moeders met een dot honing van het hol waren weggelokt. Als jong raakten ze vaak hun hoektanden en ook wel hun klauwen kwijt, kregen ze een ring door de neus, en een dubbele ketting om de nek. Soms waren ze geblind. Gedresseerd werden ze met gloeiende poken, maar zeker ook met suiker. “Welke van de twee methoden het meest gangbaar was, kan uit de schaarse literatuur niet worden opgemaakt”, concludeert Lucassen:

“Er dient echter gewaakt te worden voor de anachronistische beschuldiging van dierenmishandeling. Dit niet alleen vanwege het bekende stereotype over de vermeende wreedheid van zigeuners, maar ook omdat uit andere bronnen blijkt dat de berenleiders verzot waren op hun dieren, deze goed verzorgden en veelal met koosnamen aanduidden.”

Martin, zo luidde vaak die koosnaam. En Martins act bestond uit dans – met name van de ursareasca of berendans – maar ook uit mime. Martin ging bijvoorbeeld liggen als een bruid voor haar bruidegom, op de rug en met gespreide benen. Of Martin zat met de arm gevleid tegen een nee-schuddend hoofd, wat de hoofdpijn van een pas getrouwde vrouw moest verbeelden. Niet iedereen stelde deze humor op prijs.

De mannen uit het publiek kregen nog de unieke kans om zich worstelend met Martin te meten. Had het gebruikelijke haantje de voorste verloren, dan collecteerde de beer of zijn bazin bij de dankbare omstanders een lieve cent, waarmee het hele spul naar een volgende pleisterplaats vertrok.

Wellicht vanwege de Balkan-oorlogen vertoonden de Ursari zich begin twintigste eeuw nog naar sporadisch in Nederland. Maar in de jaren 1920 was er weer een opleving. In Limburg gaven burgemeesters vrij gemakkelijk vergunningen af, daar traden Ursari zelfs voor lagere scholen op.

In 1930 beet een dansbeer te Franeker een tweejarig kind van een hotelhouder dood. Een paar jaar later kwamen de Ursari nazi-Duitsland niet meer door. Hitler was erg begaan met dieren en verbood het berendans-amusement. De Ursari stuurde hij in de oorlog naar concentratiekampen, net als andere zigeuners, al spraken de Ursari dan geen jota roma. En daar in die concentratiekampen, daar gingen ze meestal rechtstreeks de gaskamer in.

Harry Perton

Eerder verschenen in De Oosterpoorter van november 2002 en op een opgeheven website (2004).

Advertenties

2 reacties on “Dansberen langs de Trekweg”

  1. Martin Hillenga schreef:

    Of Hitler echt begaan was met het welzijn van beren? Sinds 1939 bevindt zich de Bärenzwinger in het Köllnischer Park in Berlijn. Regelmatig beklaagd door dieractivisten.

  2. Emigrant schreef:

    Begaanheid met de dieren, geen medelijden met de zigeuners, zo zou het nu zijn.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s