Pekela en haar scheepvaart, een vroeg getuigenis

“Pekel Aa. Er zyn twéé aanzienelyke volkplantingen van dien naam; de Boven of Nieuwe en de Beneden of Oude Pekel, van welke wy hier spreeken; zy stooten onmiddelyk aan den anderen en maken dus één geheel.

De kronkelende Aa, door menigvuldige doorgravingen op veele plaarzen met aarde gevuld, en in ‘t Hoofddiep geleid, houdt op zommige [plaastsen] nog haren ouden loop. Dit heeft ten gevolge, dat in beide Pekels zommige huizen gedeeltlyk tot ’t Oldambt, gedeeltlyk tot Westwoldingen behooren.

(,,,)

De beide Pekels vertoonen een zeer aanzienelyk vlek. Aan weerzyden van de Aa of het Hoofddiep staan huizen, meestal naast malkanderen of met kleine tusschenruimten ter lengte van twe en een half uur. Jammer is ‘t, dat men wegens de doorsnydingen telkens bruggetjes (hier batten genoemd) over het water heeft moeten leggen, welk den doortogt ongemakkelyk maakt. Te Veendam en Wildervank heeft men dit beter begrepen, en dit ongemak met twee diepen te graven verhoed.

De scheepvaart is alhier aanmerkelyk. Eén- of twee-en-twintig-honderd vaartuigen gaan jaarlyks uit ‘t verlaat; ze zyn van verschillende grootte en takelagie. Praamen en tassen brengen turf naar Stad en Lande en tot in het Oostfriesche. Kleine tjalken voeren die brandstof naar Emden, Norden en andere oorden van Oostfriesland. De groore tjalken vaaren met turf op Hamburg; daar worden ze bevragt met greene en eiken balken, kromhout, koren en andere Duitsche waaren, de Elve afkoomende en te Hamburg ontscheept. Deze Pekelaars lossen hunne laadíngen in Holland of Friesland en keeren gemenelyk ledig naar huis.

Hunne grootste vaartuigen zyn koffen en smakken. Zy worden hier wel gemaakt en maaken zeil naar ander landen, maar kunnen noyt naar huis wederkeeren. De reden is omdat de zoogenoemde Staatenzyl van boven gedekt is en dus den doortogt belet. Dit brengt groote belemmering aan de scheepvaart toe, en schoon men menigmaal gezogt heeft van dit ongemak ontheven te worden, altyd is zulks om staatkundige redenen, zegt men, tevergeefs geweest. Deze schepen zyn dus genoodzaakt, in Holland, Friesland, Delfzyl of Groningen den winter op te leggen.

De kleinste smakken worden în Holland of Friesland bevragt op Noorwegen, zy brengen vandaar (meest van Drontheim) noordsch hout enz. De grootste smakken of koffen, die doorgaande 60 of 70 lasten voeren (een last wordt op ses-en-dertig-honderd ponden gewigts gerekend) worden in Holland en Friesland bevragt met allerleie waaren en stukgoederen. Zy vaaren op Koppenhage, Stettin, Dantzig‚ Elbingen, Koningsbergen, Memel, Riga, Nerva, Petersburg en verdere havens van de Oostzee. Terugkeerencle brengen zy mede rogge, tarwe, lyn- en hennipzaat, hennip, vlas, yzer, pik, potasch enz. Ook vaaren ze wel op avontuur naar de Oostzee en nemen daar vragt aan op Fransche havens aan ’t Kanaal, Duinkerken, Brest, en anderen; zelfs naar de bogt van Frankryk, Nantes en Bourdeaux, alwaar zy onderscheidene Fransche goederen – wyn, suiker enz. – op Holland  of de Oostzee laaden.

Nog vaaren er veele Pekeler scheepen in ’t voor- en najaar met haver op Londen, Leverpool en Edenburg, vanwaar zy, met steenkoolen enz. bevragt, wederkeeren.

De scheepvaart wordt hier nog vermeerderd door twee kalkbranderyen, welke door Oostfriesche motten (een soort van vaartuig) van schillen, dat is schelpen voorzien worden, en de kalk naar Bremen, Hamburg enz. vervoeren.

Het is dan niet te verwonderen, dat men hier veeIe en groote scheepstimmerwerven vindt; ik heb er veertien geteld.

(…)

Ik ben hier wat breedvoerig geweest; het behoort tot de belangen van ’t Vaderland, en het is der moeite waardig deeze plaats te kennen. Waarlyk, een vreemdeling moet verbaasd staan, wanneer by aan het einde van dit gewest, op den zoom van ons Gemeenebest, naby Westfalen, zulk eene schoone en bloeiende volkplanting vindt.

De oprechtheid en goedwilligheid der achtingwaardige Pekelaars, daar weelderige overdaad minder bekend is, en eene gelykheid van staat en levenswys vry van allen overmoed het leven veraangenaamt, doen my dikwyls denken met hoeveel genoegen ik aldaar onze Paasch- en groote Zomerrust doorbragt, en vriendschap van braave burgers genoot.”

Bron van de citaten: pag 249-256 uit Jacobus de Rhoer, ‘Eene plaatselyke beschryving van Westwoldingerland, beneevens de dorpen Bellingewolde en Blyham en ’t gene verder tot dien rechtstoel behoort’, pag 229-280 in: Verhandelingen ter nasporinge van de wetten en gesteldheid onzes vaderlands .(…) door een genootschap te Groningen Pro Excolendo Iure Patrio, deel IV tweede stuk (Groningen 1809).

NB: Getuige een opmerking op pag. 279 van dit deel is de tekst in 1790 geschreven.


3 reacties on “Pekela en haar scheepvaart, een vroeg getuigenis”

  1. Emigrant schreef:

    Dank je wel, ik ben zeer onder de indruk.

  2. martenfokkens schreef:

    Mooi verhaal Harry, Ben ook wel benieuwd naar het Westwoldingerland. In Gronigen in het archief?

    • groninganus schreef:

      Zie de lonk onder bron..De plaatsbeschrijvende passages over enerzijds Bellingwolde en Blijham en anderzijds Wedde, Vlagtwedde etc., die de hier geciteerde passages over de Pekel omlijsten, zijn lang niet zo uitvoerig en betrokken als die over de Pekel. Daarom heb ik die laatste eruit gelicht.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.