Een turbulente broeder: ds. Schonebeek van Leeg- en Hoogkerk (1676-1682)

Grafsteen van ds, Tiliking in de kerk van Leegkerk.

Grafsteen van ds, Tiliking in de kerk van Leegkerk.

Op 1 november 1675 overleed ds. Alexander Tiliking, de predikant van de gereformeerde combinatie-gemeente Leegkerk en Hoogkerk. Zijn weduwe kreeg van de collatoren, de machtige mannen die de predikanten, schoolmeesters en kerkvoogden in de gemeente benoemden, het recht op het ‘genadejaar’: zij en haar gezin mochten dus nog twaalf maanden in de pastorie blijven wonen, en ook leven van de inkomsten die bij de pastorie hoorden. De predikanten van de classis Westerkwartier preekten zolang om de beurt in de kerken van Leeg- en Hoogkerk. Zo regelden ze in maart 1676 welke broeders er het Heilig Avondmaal op Eerste Paasdag zouden voorbereiden. De predikant van Aduard ging de lidmaten van Leegkerk bezoeken, terwijl die van Lettelbert de Hoogkerker visitatie deed.

Intussen stond er al een opvolger voor wijlen Tiliking klaar. Het college van Gedeputeerde Staten had de collatie van Leegkerk en het daarmee voor ‘t zeggen. Al op 20 november beriepen de heren Henricus Schonebeek (ook wel Schoonbeeck ) tot predikant. Deze Schonebeek, geboren ca. 1645-1650, had vanaf 1666 in Groningen gestudeerd, en was nog kandidaat. Hij moest dus nog het afsluitende, classicale predikantsexamen doen, en meldde zich voor dat doel op 15 juni 1676 in de classis (toezichthoudende predikantenvergadering) van het Westerkwartier, die vergaderde in Zuidhorn.

Hier liet Schonebeek, zoals het hoorde, zijn getuigschriften en beroepbrief zien, maar toen de classis deze stukken onderzocht, vond ze de beroepbrief “strijden tegen de practijk deser kercken”. In het stuk had GS als collator namelijk laten opnemen dat er zowel in Leegkerk als in Hoogkerk vier maal per jaar avondmaal zou worden gehouden. En dat was “tegen voorgaende gewoonte”, dat in de héle gemeente vier keer avondmaal zou plaatsvinden. Vanwege de taakverzwaring voor de nieuwe predikant ging een commissie uit de classis naar GS om de heren te verzoeken het bij de oude arbeidsvoorwaarden te houden.

Schonebeek mocht al wel meteen laten zien of hij preken kon. De eerstvolgende zondag moest hij dat in Leegkerk doen, en de zondag erop deed hij dat in Hoogkerk. Voor het theoretische deel van het examen werd hij op 10 oktober in de classis verwacht. Een commissie ging hem dan aan de tand voelen over Mattheus 22 vers 12 – dat laatste nummer zit weliswaar onder een vlek, maar is desondanks leesbaar. In de statenvertaling luidt het vers: “Vriend! Hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde.”

Schonebeek was inderdaad nog niet getrouwd. Nou maakte dat op zich niet uit, ook vrijgezellen mochten de kansel op, als er maar geen buitenechtelijke omgang in het spel was. En bij Schonebeek gaf dat waarschijnlijk reden voor twijfel. Op 24 juni, nog geen tien dagen nadat de classis hem de omineuze tekst opgaf, trouwde hij in Groningen met Jacomina Engels uit Middelburg, daarmee verdere praatjes voorkomend.

Op 10 oktober bleek de classis behoorlijk tevreden over Schonebeeks preken en theologische inzichten. Alleen was de kandidaat van mening dat het gebod op de zondagsrust niet in alles nagevolgd hoefde te worden. Daarmee toonde hij zich een aanhanger van de enigszins vrijzinnige theoloog Coccejus, die in 1659 had betoogd dat dit oud-testamentische gebod moreel niet meer gold sinds het nieuwe testament bestond. Christenen hoefden het vierde gebod dus niet in alles na te leven, ze mochten desnoods werk op zondag doen. Over deze opvatting waren er landelijk enorme discussies geweest, de meer puriteinse calvinisten namen er nogal aanstoot aan. Kennelijk hadden die ook de meerderheid in de classis Westerkwartier, want deze vermaande Schonebeek om van zijn “onstichtelijck gevoelen” af te zien. Hij zegde dat inderdaad toe en beloofde er noch in het openbaar, noch in het geheim over te preken of te schrijven.

Tien gebodenbord in de kerk van Leegkerk.

Tien gebodenbord in de kerk van Leegkerk.

Eind november 1676, op de eerste adventszondag, werd Schonebeek bevestigd als predikant van Leeg- en Hoogkerk. Weldra zou echter blijken, dat hij en zijn collega’s van de classis grote moeite met elkaar hadden.

Pijp taback

In de classisvergadering van 12 maart 1677 liep het gelijk al mis. Zo’n vergadering begon, “na aanroeping van ’s Heeren naam” gewoonlijk met een rondje Censura Morum, waarbij gemeld werd welke broeders moreel over de schreef gegaan waren. Dit keer viel er alleen iets aan te merken op ds. Schonebeek, die zich in een vorige vergadering “turbulent” had gedragen. De huidige vergadering moest hij met gebed openen, maar toen de voorzitter hem daarvoor binnenriep, zei hij “dat eerst sijn pijp taback moest uijtdrincken”. En na het uitkloppen van zijn pijp in het vergaderlokaal verschijnend, sprak hij “sommige ouste broederen” verachtelijk toe “met stoute en ongeschickte woorden”.

De broeders probeerden Schonebeek tot de orde te roepen, en de voorzitter vermaande hem ernstig, om “dese ongeregeltheden” te bekennen, te berouwen en beterschap te beloven. Maar Schonebeek verviel opnieuw tot “onbeleeftheijt” en beweerde dat de classis niets over hem te zeggen had. Ook kwam hij op de proppen met de reden voor zijn recalcitrante en oneerbiedige gedrag. Hij zei “dat men hem soodanige tekst hadde gegeven waerdoor hij over de geheele provincie was ruchtbaer geworden”.
Dit sloeg uiteraard op de examentekst over het inkomen zonder huwelijkskleed. Indertijd raakte een predikant in zeer ruime kring in opspraak, als hij zich niet aan de rigoureuze normen en waarden hield.

De classisbroeders beweerden, dat de opgegeven tekst passend was voor de bewuste zondag in het kerkelijke jaar. Ook zeiden ze dat de tekst uit Gods woord kwam. Waarop Schonebeek ze ongezouten tegenwierp, “dat de duijvel en geveijnsde (huichelaars, H.P.) oock Godts woort wisten te gebruijcken”.

De classis vond dat ze nu lang genoeg lankmoedig was geweest. Nogmaals werd Schonebeek vermaand om te zwijgen en te erkennen dat hij “stoute en onbehoorlijcke woorden” gesproken had. Het haalde niets uit, integendeel, Schonebeek zei dat als hij niet mocht spreken, “het hier slimmer als voor Pilatus was”. Waarmee hij doelde op de bijbelse stadhouder die de zwijgende Christus aan zijn moordenaars overgaf. De voorzitter stuurde Schonebeek de zaal uit, wat niet veel goeds voor hem voorspelde. Toen hij weer binnen mocht komen, gaf hij eindelijk zijn wangedrag toe. Het speet hem. De voorzitter gaf hem daarop uit naam van de classis te verstaan, dat hij zich voortaan “christelijcker, modester en sediger” moest gedragen.

Desondanks werd dit vermaan een half jaar later nog eens herhaald. Schonebeek kreeg bij die gelegenheid te horen dat hij zich “geseggelijker sal moeten comporteren” of dat de classis scherpe maatregelen tegen hem zou nemen. Zelfs las men de acte van maart nog eens voor. Op deze plek zit er opnieuw een dikke vlek in de classicale notulen, nu vlak boven de naam van Schonebeek. Het lijkt of iemand van zins is geweest, die naam onzichtbaar te maken, maar ervoor terugschrok. Het notulenboek ging bij alle predikanten rond, een broeder die dat wilde kon proberen zijn naam te verdonkeremanen. Hiervan werd Schonebeek verdacht. Ernaar gevraagd in de vergadering van 11 maart 1678, ontkende hij echter stellig.

Kerkdeur niet open

Een maand later klaagde hij in de classis, dat de voogden over de kinderen van zijn voorganger Tiliking hem financieel tekort deden. Mogelijk hadden ze bepaalde inkomsten, bijvoorbeeld uit pastorieland, niet aan hem overgedragen na het genadejaar. De classis voegde Schonebeek een helper toe, om de kwestie “in vrede ende in der minne bij te leggen”. Verder horen we er niets meer over.

In juli dat jaar klaagde Schonebeek opnieuw. Op de zondag na pinksteren had hij ’s middags in Hoogkerk willen preken, maar kon dat niet doen doordat de koster-schoolmeester de kerkdeur niet voor hem wilde openen. Die dag had de redger (dorpsrechter) een verloting in het dorp georganiseerd. De classis achtte zowel het een als het ander als “onstichtelijcke dingen”. De loterij noemde ze bovendien een “ontheijliginge van den sabbath”. Daarom stuurde ze een onderzoekscommissie naar Hoogkerk. Die kreeg van de schoolmeester te horen dat hij de kerkdeur niet open had gedaan, omdat ds. Schonebeek daar helemaal niet om had gevraagd. Wèl had de schoolmeester geweigerd de klok, die buiten de kerk in een klokkestoel hing, voor de kerkdienst te luiden. Zulks op bevel “van d’inwoonders” (lees boeren), die hem het schatbeurderschap (een fiscale bijbaan) zouden ontnemen als hij de klok wèl zou luiden.

De kerk en de klokkestel van Hoogkerk, ca. 1650.

De kerk en de klokkestel van Hoogkerk, ca. 1650. Detail uit een kaart door Ocko Jansen Bockebloet, Collectie Groninger Archieven 817-1057.

Waarschijnlijk vond de verloting plaats op een tijdstip dat de kerkdienst nog aan de gang zou zijn. De redger beweerde weliswaar, “dat se op den laeten avont geweest is”, maar wenste ook, “dat se niet en was geschiet”. In elk geval kreeg de onder druk gezette koster een schrobbering van de classis, die meende dat hij “geensints betaemelijck” had gehandeld.

Intussen bleek ook dat Schonebeek de zaak wel wat al te gekleurd had voorgesteld. Maar zijn beschuldigingen kwamen als een boemerang terug, want de classicale onderzoekscommissie hoorde in Hoogkerk verhalen over “eenige onordentlijckheden” in Schonebeeks “bedieninge ende wandel”. In de classis werd hij met die staaltjes geconfronteerd en vermaand om bij zichzelf na te gaan of hij schuldig was, en zo ja, dan te proberen het in de toekomst beter te doen, “levende in sijn leven heijlighlijck ende hem gedraegende in sijn ganschen dienst op beijde plaetsen neerstelijck, als een eerlijck predicant betaemt”. Zo hij dat niet deed, zou de classis vast nog eens harde maatregelen tegen hem nemen.

Ganzeveer bij arendsvleugels

Drie jaar bleef het rustig rond Schonebeek. Begin 1682 echter, overspeelde hij zijn hand. Dat kwam uit bij het aflezen van de kerkvoogdijrekening van Leegkerk, waarbij zowel de kerkvoogden, als de collatoren, als de predikant aanwezig waren.

Het bleek dat Schonebeek, wiens pastorie in Leegkerk stond, vlakbij zijn huis een nieuwe school wilde laten bouwen. Hij zette Claes Jansen, de boekhoudende kerkvoogd, onder druk om een verklaring te tekenen dat de benodigde bouwmaterialen voor rekening van de kerkvoogdij zouden zijn. Daarop kocht Schonebeek zelf voorlopig alvast die spullen. De heren Busch en De Hertoghe, die namens de collatoren (GS) het aflezen van de rekening bijwoonden, keken er wel van op toen ze dit vernamen. Want een en ander was gebeurd zonder medeweten en toestemming van GS. Op hun verslag haalde dat college een streep door de borgstelling van de kerkvoogd èn de bouw van de nieuwe school. Schonebeek moest de bouwmaterialen zelf betalen, en, erger nog, hij kreeg ook nog een aanklacht aan de broek wegens zijn “quade comportement en extravagante bejegeningen” van de heren Busch en De Hertoghe.

De kerk van Leegkerk.

De kerk van Leegkerk.

Die aanklacht behandelden GS zelf, want een scheiding der machten bestond er nog niet en ze vormden zowel een bestuurlijk als een rechtsprekend college. Medio februari werd Schonebeek nog eens gehoord in de Wijnberg, een herberg in de stad. GS namen geen genoegen met zijn verantwoording. Toch zagen ze er vanaf een vonnis uit te spreken. De Advocaat Provinciaal kreeg bevel om een en ander bekend te maken aan de classis Westerkwartier, die dan een “behoorlijcke versieninge” in deze zaak moest treffen.

Op 13 maart deed de Advocaat Provinciaal zijn boodschap in de classis. Nu bleek ook, dat Schonebeek tegen de heren Gedeputeerden “seer verachtelijck van sijn verkregene beroep tot Leeghkerck hadde gesproocken, als ofte hem daer niet aen gelegen was, ofte hij aldaer preedicant verbleef ofte niet”. Zijn ambt kon hem, anders gezegd, weinig schelen, Toen de heren hem zeiden dat iemand die “den handt aen de ploegh in Godes acker hadde geslagen, niet en behoirde te rugge te sien”, had Schonebeek “onbehoijrlijck” geantwoord “dat hij sijne ganseveeren bij haere arendtsvluegelen niet wilde nederleggen”.

Ook vertelde de Advocaat Provinciaal in de classis over Schonebeeks ”ongebonden leven in dronckenschap” en “onvredigh leven met sijn huijsvrouw binnen sijn huijs”. Bovendien had dominee bij verschillende gelegenheden betuigd, “te wanhopen aen sijn saligheijt”. Al met al “disordres ende ergernisse” waartegen “op het krachtigste” moest worden opgetreden.

Dat wilde de classis wel, graag zelfs, alleen was de zondaar afwezig. Pas op 10 april werd zijn zaak behandeld. Intussen waren er nog weer nieuwe beschuldigingen bij de classis binnengekomen. Zo hoorde de broeders hoe Schonebeek “op seker tijdt uit Gronigen gekomen sijnde, sich door den drank so hadde ooverladen, dat hij in seer onstuimig weder an landt gebracht sijnde, op de treckwech noch hadde konnen staen noch sitten”. Bij het in de storm verlaten van de trekschuit was de ladderzatte dominee zelfs aardig wat spullen kwijtgeraakt, “die anders van de schippers konden sijn gebergt”. Ook leefde de predikant “seer onvreedig” met zijn vrouw, “met insmijten der glasen, overal smijten van boeken en vier en andere insolentiën”. Verscheidene nabers konden hiervan getuigen en de opgeroepen kerkvoogden Claes Jansen en Eisse Ennes bevestigden het. Schonebeek beschuldigde hun dan wel van malversaties, ze leverden prompt het bewijs dat GS hun boekhouding had goedgekeurd.

Schonebeek leverde van zijn kant enige verklaringen, dat zijn gedrag , “so in ministeri als in sijn huis” verbeterd was. Maar daar nam de classis geen genoegen mee. Er werd een lijst opgesteld met alle punten van beschuldiging, waarop Schonebeek ook punt voor punt in geschrifte moest antwoorden. Op 13 juni 1682 kwam zijn zaak eindelijk voor. Na “rijpe deliberatie” besloot de classis dat Schonebeek naar de door hem beledigde heren moest gaan, om ze genoegdoening te geven. Wat betreft de “misgrijpingen” in zijn ambtsbediening en huiselijke leven werd hij door de classisvoorzitter “scherpelijck en eernstelijck berispt”.

Naar Ambon

Schonebeek beloofde opnieuw beterschap, maar voelde aan dat zijn positie onhoudbaar was geworden. Hij koos voor een uitweg, die wel meer gekozen werd door mensen uit de betere kringen die zich onmogelijk hadden gemaakt. Hij ging naar Oost-Indië.

Begin juli maakte hij dat voornemen bekend. Eind juli regelde hij in Zeeland de reis, en op 21 augustus kreeg hij in de classis Westerkwartier het ontslag uit zijn ambt in Leeg- en Hoogkerk “als een man, volgens onse en der gemeijnte gegevene getuijgenissen, bequaam omme des Heeren kercke te bouwen, als van den Allerhoogsten met genoegsaame kennisse en gaaven voorsien”.

Gezicht op Ambon, ca. 1720.

Gezicht op Ambon, ca. 1720.

Op 14 april 1683 arriveerde hij in Batavia, waar men hem een standplaats op Ambon toewees. Op 1 maart 1684 deed hij daar zijn intrede. Lang heeft hij er niet geleefd, want op 12 juni dat jaar overleed hij er al. In Indië kon je heel rap sterven, als je niet opgewassen was tegen het klimaat.

In Leegkerk en Hoogkerk deed eind november 1682 de opvolger van Schonebeek zijn intrede. Schonebeeks vrouw, die in Groningen was achtergebleven, overleed daar omstreeks 1689.

BRONNEN

Archivalia:
RHC Groninger Archieven
– Toegang 140, Classis Westerkwartier, inv. nr. 6 (acta 1676-1694);
– Toegang 1, Archief Staten van Stad en Lande, inv. nr. 140 (Acteboek met resoluties GS over 1681-1682), en inv.nr. 426 (Commissiebrieven, ook m.b.t. beroepingen predikanten) fo. 42 d.d. 20.11.1675.

Literatuur:
– W. Duinkerken, Sinds de Reductie in Stad & Lande van Groningen (Groningen 1982) het lemma Henricus Schoonbeek’;
– W.J. van Asselt, Coccejus (Kampen 2008) 32 en 70-73.

NB: dit verhaal verscheen eerder in Op de Hoogte, het blad van de Historische Vereniging Hoogkerk.


6 reacties on “Een turbulente broeder: ds. Schonebeek van Leeg- en Hoogkerk (1676-1682)”

  1. Jan de Jong schreef:

    Pracht stuk geschiedenis.
    Boeiend.

  2. Korte samenvatting: gereformeerde ouderlingen pesten jonge dominee de dood in.

  3. Bert Visser schreef:

    Een mooi verhaal. Al lezendeweg lijkt het er toch sterk op dat deze predikant valt in de
    categorie: Notoire dwarsligger. En dan al die procedures, in een tijd waar het paard het snelste vervoermiddel was.

  4. Emigrant schreef:

    Nu we Indië niet meer hebben blijven alle moeilijke jongens gewoon hier en worden tachtig.

  5. hardscarf schreef:

    Die kaart uit ca. 1650: Welke kaart is dat? En staat daar toevallig ook een afbeelding van de kerk van Leegkerk op?

  6. helletocht schreef:

    Zeer boeiend en opmerkelijk.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.