Trijntje. Of de weifelmoedige hoorndrager

Op 24 februari 1791 meldde dominee Van Bolhuis in de gereformeerde kerke­raad dat Geert Luitjes van buiten ’t Kleinpoortje was komen klagen over zijn vrouw. Die echtgenote, Trijntje, was bijna tien maanden eerder bij Geert weggegaan. Al zijn smeekbe­den om bij hem terug te komen waren vergeefs geweest. Maar ze bleef wel in de buurt wonen, vlakbij ene Jacob Makken, met wie ze een “ergerlijke, gemeenza­me verkering” onder­hield.

Begin februari beviel ze van een kind. Op de achttien­de bracht ze dat onder de naam Jetske ten doop met de opmer­king dat de vader een buiten­landse reis maakte. Maar Geert was helemaal niet van huis geweest en had al die tien maanden geen “verkering” met haar gehad, zodat ’t kind als onecht geboekt moest worden.

Een zeldzaam schandaal. De kerkeraad zond meteen een commissie naar het stadbestuur, om er kennis van te geven. Op 1 maart verzochten Burgemeeste­ren en Raad hun fiscaal (aanklager) om een onder­zoek in te stellen naar het overspel, concubinaat en bedrog van Trijn­tje. Veertien dagen later rondde de fiscaal dit af. Hij hoefde verder geen aandacht aan de zaak te besteden. Toen Julle Ven­huis, de “rotmeester” (buurtbe­stuurder) van buiten Kleinpoor­tje, weer tien dagen later kwam klagen over het “schande­lijk levens­gedrag” van Trijntje en Géért, een gedrag waaraan de buurt zich hartgrondig ergerde, zetten de heren de fiscaal andermaal aan het werk, maar bleven strafmaat­regelen opnieuw uit.

Kennelijk was Geert tegen dominee Van Bolhuis loslippiger geweest dan tegen de sterke arm. Anders bevatte het rechterlijke archief over dit jaar wel Geerts aan­klacht, met een stuk of wat getuigenverklaringen erbij. Alleen op basis van een aanklacht van de bedrogen huwelijkspartner werd overspel vervolgd. Bleef zo’n openlijke verklaring uit, dan berustte de magistraat, tenzij er sprake was van een betrappen op heter­daad. Juist omdat die aan­klacht van Geert uit­bleef, ergerde de buurt zich. Daarom keerde de buurt zich ook tegen hem. Daar kwam de boodschap van de rotmeester eigenlijk op neer.

Kon het bevoegde gezag niets ondernemen, de buurt had haar eigen mogelijk­he­den al eerder benut. Precies in de maand dat Trijntje Geert verliet om vlakbij Jacob te gaan wonen, in mei 1790, kwam rotmeester Venhuis al eens klagen op het stad­huis. Hij maakte toen melding van “vele desordres en onorden­telijkhe­den” buiten Klein­poortje, veroorzaakt door een huwelijk, en noemde ook de namen van drie jongens die bij de ongere­geldheden voorop liepen. Waar­schijnlijk ging het om een soort van volksge­richt. Maar hoe dit zich precies voltrok, is onbe­kend, want ook daarover ontbreken nadere stukken. Als overspe­li­ge vrouw vormde Trijntje natuurlijk hét voor de hand liggende mikpunt, met Jacob Makken in een glansrijke bijrol. Maar ook Geert kan als “hoorn­dra­ger” (bedrogen echtge­noot) het slachtoffer van glazeningooierij, het insmeren van goed of lijf met pek, een ritje op de mestkar of iets dergelijks geweest zijn.

Laat me de participanten in het huwelijks- en buurtdrama eens wat beter in beeld brengen. Geert Luitjes en zijn vrouw waren nog niet zo lang getrouwd en woonden nog maar pas buiten Kleinpoortje. In november 1788 vestigden ze zich daar. Hij was toen 54 en zij 32. Ze kwamen van het land, zoals dat heette, om precies te zijn uit de omgeving van Garmer­wolde, en betrokken in het streekje aan de Trekweg buiten Kleinpoortje (oostzij­de Winscho­terdiep) een “kamer” (éénkamer­woning) die elf stuivers in de week deed, dus niet wat je noemt een paleis.

Dan was rot­meester Julle Venhuis wat beter af. Die bezat twee kamers onder één kap, vanaf de stad het derde pand voorbij Het Wapen van het Ol­dambt, de zuidelijke van de twee herbergen buiten Kleinpoortje. Het Wapen van het Oldambt bleef zeer lang bestaan en heette vlak voor de afbraak, ca. 1994, het Topper-pand. Waarmee de huidige plek van het echtelijke drama ook aan te geven is, namelijk De Meeu­wen, iets ten zuiden van de Griffe­brug. Ook Jacob Makken, de man met wie Trijntje het hield, was in betere doen dan Geert, want die bezat en bewoonde het zevende huis voorbij Het Wapen van het Oldambt, eveneens een twee-onder-één-kapper. Later erfde Makken trou­wens Het grauwe Paard, een her­berg in de tip tussen de Ooster­weg en Onder de Boom­pjes (Parklaan), dus buiten de Oosterpoort.

In 1791 mochten de démarche van de kerkeraad en de bemoeiie­nissen van het stadsbestuur dan op niets uitgelopen zijn, omdat Geert Luitjes geen voet bij stuk hield, ruim drie jaar later diende de bedrogen echtgenoot alsnog een aanklacht in tegen zijn vrouw. Hij wilde scheiden, wellicht om opnieuw te kunnen trouwen. Maar een civiel­rechtelijke scheidingsproce­dure kostte nogal wat geld. Zo’n investe­ring ging Geerts budget verre te boven. Vandaar dat hij van de heren gedaan probeerde te krijgen om de aankla­gersrol van hem over te nemen, in een strafrechtelijke procedure tegen zijn vrouw.

Dit keer bleven er wel stukken bewaard. Met Trijntje, zo vertelde Geert de fiscaal op 2 juli 1794, had hij slechts een jaar lang geleefd “als man en vrouw toe koomt”.  Maar toen begon ze “sterk te boeleeren” (= in ontucht leven):

“Zoo dat daar veel oneenigheid is door ont­staan. En waarop zij doen voor genomen heeft stilswij­gent van mij te gaan en meede neemende het geene haar anstaande, en doe naast haar pol is gaan onder één dak te woonen”.

Met Trijntje was het, kortom, van kwaad tot erger gekomen. Eerst pleegde ze ontucht, vervolgens kwam er onenigheid, daarna kneep ze er stiekum tussen­uit onder medene­ming van de spullen die haar bevielen, en als klap op de vuurpijl betrok ze de eenkamerwoning pal naast en onder één dak met “haar pol” (= een scheldwoord voor kerels die in het geheim een vriendin onderhiel­den, ook wel gebruikt voor pooiers of soute­neurs).

Zoals we weten beviel Trijntje in februari 1791 van een dochter Jetske, die ze bij de doop voor echt had willen laten doorgaan. Volgens Geert, drie jaar na dato, gebeurde dat “onder voor geven dat ik een vaarensgesel was en buiten Lands was, daar ik maar een deur of drie van haar woonde doen ter tijd”. Mede door allerlei vrouwelijke naberhulp bij kramen en dopen, bleef er in een buurt weinig geheim. Natuurlijk kwam Geert achter Trijntjes bedrog. Dadelijk was hij naar dominee Van Bolhuis gestapt om het kind als onecht in het doopboek te laten zetten. Boven­dien had hij tegen de dominee verklaard dat Trijntje “een Egtbreker hoer” was. Nog sterker, minder dan een jaar later beviel ze weer van een onecht kind, en dat was nog steeds niet gedoopt. Trijntje durfde daar niet mee naar de kerk om het ten doop aan te bieden.

“Na sterke overweeging en onderzoek gedaan te hebben” was Geert er eindelijk uit. Er was geen kans op dat hij ooit nog “de minste troost” bij Trijntje zou kunnen vinden. Hij had “nu dog te lang genoeg gemi­mert”. Daarom wendde hij zich “met alle ootmoedig­heid” tot de magi­straat met het verzoek “om voor Eeuwig van haar gescheiden te mogen wor­den”.

Geert deponeerde zijn aanklacht vlak voor het zomerreces. Voorlopig had de fiscaal het te druk met andere zaken – heren als hij brachten de zomer op het land door, waar ze zich ontspanden, maar ook bemoeiden met allerlei agrari­sche werkzaamheden op en rond hun buitenplaatsen. Pas na het zomerreces maakte de fiscaal echt werk van de zaak. Op 9 september 1794 hoorde hij Geert nog eens, voelde hij Trijntje aan de tand en nam hij de verklaringen op van een stuk of wat getuigen.

Geert bevestigde de aanklacht die van hem opgenomen was met zijn handteke­ning. De “verkering” van zijn vrouw met een ander kon hij niet bewijzen, maar dat ze een “echtbreekster” was, stond buiten kijf omdat ze in de kraam kwam zonder met hem “verkeerd” te hebben. Sinds drie jaar woonde ze niet meer met hem onder één dak, en een even lange periode hadden ze geen echtelijke omgang meer.

Trijntje, die niet kon schrijven, bevestigde tegenover de fiscaal dat ze al drie jaar bij haar man weg was. Ze verliet hem, zei ze, “omdat zij te samen niet konden accorderenstraat boven een pruikmaker woonde hielp haar bij de bevalling. Dat kind was nog niet gedoopt omdat haar man haar geen “handjeverklaring voor de doop) wilde geven. Waarom niet? Dat wist ze niet. Maar ze had Geert er vaak genoeg om gevraagd. Was haar man dan wel de vader van dat kind? Jazeker. Wanneer had dan voor het laatst met haar man verkeerd? Dat wist ze niet, maar ze

“was van haar man gegaan toen zij van dat kind zwaar ging”.

Op de vraag naar het kind dat ze eerder kreeg, verklaarde Trijntje dat Feikje zes jaar geleden gedoopt werd in de Martinikerk. Maar dat was haar oudste, wel degelijk uit het huwelijk met Geert voortgesproten dochter, en die bedoelde de fiscaal natuurlijk niet. Tussen de oudste en de jongste, zo gaf Trijntje toe, kreeg ze voor drie of vier jaar nog een meisje, Jetske, eveneens in de Martini­kerk gedoopt. Dit kind, inmiddels gestorven, had Trijntje zelf laten dopen, “want zij was van haar man gegaan toen zij van dat kind zwanger was” Nadien kwam ze weer bij Geert wonen en raakte zij in verwachting van haar jongste.

Trijntje probeerde dus aannemelijk te maken dat ze een soort knipper­lichtrela­tie met haar man onderhield, waarbij ze zwanger raakte als het licht weer even op groen stond. Volgens haar konden meerdere buren getuigen dat ze, nadat ze haar middelste kind kreeg, weer even bij haar echtgenoot inwoonde.

Maar die buren bevestigden het verhaal van Trijntje niet. Lysebet Tobias, de vrouw van Albert Mulder, verklaarde dat Trijntje al ruim drie jaar naast haar woonde, met twee kinderen, maar zonder haar man. In al die tijd had Lysebet Geert daar niet in huis gezien. En ook Rykes, voluit Hinderikus Roelfs en zijn vrouw Grietje getuigden dat.

Voor Trijntje ging het er dus somber uitzien. Temeer daar er ook nog een zwaarder belastende getuigeverklaring kwam, van glazenmakersbaas Schol­tens, vermoedelijk een vriend of werkgever van Geert. In mei 1794 kwam deze samen met Geert eens om half vier in de ochtend buiten Klein­poortje. Daar was nog geen volk op de been geweest, “omdat het nog zo vroeg was”. Geert en hij namen een kijkje in het huis dat Geerts vrouw bewoonde. En daar troffen ze een persoon aan, “in de wandeling Jacob met de Bek” geheten – ziedaar de bijnaam van Jacob Makken – “hebbende zijn kousen nog niet opgebonden, zijnde er geen ander volk in huis”.

Kortom, de glazenmakersbaas had in alle vroegte gezien hoe Jacob Makken zich aankleedde in het huis van Geerts vrouw, maar Trijntje was zelf de deur al uit, of hield zich schuil in bijvoorbeeld de bedstee. Over een sexuele omgang tussen Trijntje en Jacob met de Bek kon Scholtens niets zeggen, maar de aanwijzing daarvoor was wel sterk. In elk geval sterk genoeg om Trijntje in de piepzak te laten zitten. Terwijl de fiscaal de vroedvrouw achterhaalde die Trijntje in april 1792 hielp bij de geboorte van haar jongste dochter – deze vrouw De Raadt getuig­de dat Trijntje Geert als vader noemde – speelde Trijntje de troef­kaart uit, die ze tot dan toe steeds in haar mouw had gehouden en stuurde iemand om hulp uit Garmerwolde.

Uit de vroegere woonplaats van Geert en Trijntje kwam er weldra een verkla­ring van de diakonen (armvoogden) dat Geert Luitjes voor hun bekend had de vader te zijn van Aafien Derks’ kind. Geert was zelf dus niet bepaald brand­schoon, qua huwelijksmoraal. Kennelijk had hij daar in Garmerwolde zelf een onecht kind, dat door de diakonie bedeeld werd, en waarvoor de diakenen de onderhoudskosten op hem probeerden te verhalen.

Wie boter op zijn hoofd heeft, blijft maar liever uit de zon. Dat besef drong nu ook tot Geert door. Hij schreef de fiscaal een brief, waarin hij aangaf dat hij na ampele overweging ervan afzag zijn aanklacht door te zetten:

“En denken ik moet vergeven, zal mij weeder vergeven worden, en eischen niet alles wat men maar kan. En denken het zal maar best zijn om mijn leeven­sloop in eenzaamheid te eindigen. (…) Want alles word opgeraapt of het waarheid ofte onwaarheid is, en daar­over te sweeren in eenige deel is mijn zin niet. (…) Want alles wat al bij gebragt word is voor mij ondoenlijk om te verdeedi­gen, versoeke om die reden dat mijn Heer het maar in de minne laat vaaren.”

En aldus geschiedde. De fiscaal borg de stukken op in zijn archief, wellicht binnensmonds vloekend, en wensend dat hij nooit op Geerts aanklacht inge­gaan was.

(Lichte herziening van een verhaal dat eerder verscheen in De Oosterpoorter.)


One Comment on “Trijntje. Of de weifelmoedige hoorndrager”

  1. helletocht schreef:

    Prachtig artikel, dank je zeer.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.