Van Moskou naar Bellingwolde

Eind 1920 komen twee joodse jongens vanuit het revolutionaire Moskou aan in Bellingwolde. De reis, die ze grotendeels te voet aflegden, duurde zes weken. In een quaranntainekamp bij Enschede vertelden de jongens aan een correspondent van De Tijd over de verschrikkingen die ze achter zich lieten.

Men schrijft ons uit Enschedé:

In het quarantainekamp alhier zijn twee jeugdige Russische Joodsche jongens opgenomen, die, komende van Moskou, een groot gedeelte van den weg naar Nederland te voet hebben afgelegd.

Dankzij de bereidwilligheid van den directeur van dit kamp, waren wij hedenmorgen in de gelegenheid een onderhoud met deze jongens te hebben, waarvan de oudste, dankzij het gymnasium-onderwijs dat hij genoten had, vrij goed Duitsch sprak.

In een afzonderlijk vertrek van een der kampgebouwen kregen wij hen onder het genot van een sigaret spoedig aan het praten, waarbij de oudste, de 17-jarige A. het woord voerde, af en toe aangevuld door opmerkingen van den 14-jarigen B.

Wat den tegenwoordigen toestand in Moskou betreft (al is die wat het moorden betreft beter dan in 1918/19), waar beiden geboren werden vertelden ze ons, dat dit elke beschrijving te boven ging; het was gewoonweg niet te vertellen en nu ze hier eenigen tijd in Holland waren, kwamen hun de verschrikelijke gebeurtenissen in hun geboorteplaats voor als in een droom. De moeder van A. werd op straat door de Bolsjewieken doodgeschoten, omdat ze in het bezit van meer dan 3000 roebel was. Het lijk, dat op straat bleef liggen, werd later door hen weggehaald en met eigen handen op de Joodsche begraafplaats aan den schoot der aarde toevertrouwd. Deze straf wordt op iedereen toegepast, die op straat wordt aangetroffen en die meer dan genoemd bedrag bij zich heeft (= draconische maatregel tegen kapitaalvlucht, HP).

Met de voeding, kleeding en verwarming was het in de groote stad treurig gesteld. Wie niet bij de bolsjewieken is aangesloten, moet het met een kwart pond brood per dag stellen, doch de bolsjewieken zelf hebben aanspraak op het dubbele rantsoen. Wie buiten deze rantsoeneering op straat met brood wordt aangetroffen, wordt doodgeschoten.

Doch dit alleen is niet voldoende, want het „vrouwenbataljon” weet wel uit te vinden waar dit brood gehaald werd, en ook die persoon of personen krijgen den kogel. Dit „wijvenbataljon”, zooals A. het noemde, trekt naar de huizen der meergegoeden, die er van verdacht worden, nog geld of sieraden verborgen te hebben. Alles wordt onderzocht, binnens- en buitenshuis, af- en losgebroken, en wee hun, wanneer er iets te voorschijn mocht komen. Die z.g. rijken zijn van de distributie van voedsel uitgesloten. Het vroegere Russische geld, dat thans is vervangen door bolsjewiekenpapier, is niet meer gangbaar, maar wordt in het geheim toch nog in betaling aangenomen.

Voor nu twee maanden geleden, toen de jongens den tocht ondernamen, was de toestand in Moskou zóó, dat iedereen een goed heenkomen zocht. A. wist niet waar zijn vader heengetrokken was. De ouders van B. en een jonger broertje zijn eveneens deze stad, waar alle familieverband schijnt verdwenen te zijn, ontvlucht. Waarheen? hij wist het niet.

De Zionistenbond waar A. lid van was, is in Rusland, waar buiten de Bolsjewisme-organisaties niets erkend wordt, een verboden organisatie, en het lidmaatschap daarvan wordt bij ontdekking met den kogel gestraft.

Sluit men zich bij de bolsjewieken aan, dan zijn daar direct, vooral wat de voeding betreft, tal van voordeelen aan verbonden. Een boer, die in de stad komt en met een bolsjewiek in aanraking komt, ziet tegen hem op als iets buitengewoons. De soldaten ontvangen in de eerste plaats voedsel en menigeen is blij, ook al is hij geen bolsjewiek, voor den dienst opgeroepen te v/orden, omdat dat beteekent kleeding en voedsel. De troepen, die tegen Wrangel vochten (aldus A), gingen in het vuur met een ongekend elan, omdat hun onder aanvoering van de kopstukken der bolsjewieken, overvloed van voedsel was toegezegd. In Moskou telde men onder die kopstukken schoenmakers, huisknechten e.d.

De beide knapen waren de stad ontvlucht, met het vooropgezette doel Holland te bereiken en met de gedachte, dat ze daar vrij zouden zijn. Nu ze van ons vernamen, dat dit niet het geval was en dat ze vermoedelijk naar het kamp te Harderwijk zouden worden overgebracht, kwamen ze in opstand; vooral A., die verklaarde dat hij geen boosdoener was en dat hij niet naar „Herderwiek” wilde.

Wat de tocht zelf betreft, hadden ze kans gezien per trein de grens van Letland te bereiken. Een keer in Letland werd de tocht te voet voortgezet tot ze in Duitschland kwamen. De nachten werden veelal doorgebracht in nabij de stations staande goederenloodsen. Verder Duitschland in ontvingen ze hier en daar geld en dat stelde hen in staat af en toe per trein te reizen. Zoo ging het verder tot ze eindelijk, na een tocht van 6 weken, in de buurt van Bellingwolde over de Hollandsche grens kwamen en door de grenswacht werden opgepikt.

Hoe het hun hier beviel? Ze lachten toen we die vraag stelden en betuigden dat ze nog nooit in zoo’n goed land waren geweest; iedereen gaf hun geld en eten kregen ze volop. Toch kon A het niet goed zetten, dat hij eigenlijk een gevangene was. Hij wilde vrij zijn en evenals zooveel andere landgenooten, die naar Amerika trekken, hier in het vrije Nederland werken om den kost te verdienen.

We bemoedigden deze beide slachtoffers van den ontzettenden wereldoorlog met een enkel woord, zoodat ze ons bij het heengaan dankbaar de hand drukten, misschien in de meening, dat we iets voor hen zouden kunnen doen. Toen we nog een oogenblik buiten bleven toeven, zagen we de beide jongens, zoons van welopgevoede en eertijds welgestelde menschen, in de lichte kampkleeding, met groote klompen aan de voeten, de hun aangewezen barak weer binnengaan, om straks, o wreede werkelijkheid, op transport gesteld te worden naar Harderwijk. En dan

Naschrift –
Toen we het bovenstaande hadden opgesteld, gewerd ons door bemiddeling van den directeur van het quarantainekamp het verzoek, de namen der jongens achterwege te laten. Dit verzoek was speciaal gedaan door A. (gefingeerd evenals B.) omdat hij, zoo de door hem verstrekte inlichtingen onder de oogen mochten komen van den bolsjewieken-spionnagedienst, vreesde, dat zijn broer, die in Rusland soldaat is, daarvan de dupe zou worden.

Bron: De Tijd 10 december 1920 (in de dagen erna door vele kranten overgenomen).

 

About these ads


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 653 andere volgers