De volslagen afgang van Lewe van Aduard

Hoewel het stadhouderschap in mei 1748 monarchale trekjes kreeg en er op fiscaal gebied veel naar wens verliep, waren de Ommelander orangisten er nog lang niet gerust op. Op andere terreinen kwam er weinig van de toegezegde hervormingen. De heren van de provincie leken de zaken nogal te traineren. Toen ze eindelijk de nieuwe bevoegdheden van de prins formuleerden, ging dat de Ommelanders lang niet ver genoeg.

Ze zonnen op actie. Net als in mei wilden ze de Staten van de provincie hun eisen voorleggen. Maar dan moesten die Staten wel eerst bijeenkomen. Daarom kozen de Ommelander dorpsvolmachten op maandag 26 augustus twee afgevaardigden, die naar Aduard moesten om daar de heer Lewe, de Ommelander president, te verzoeken om het bijeenroepen van de Ommelander Staten

Die afgevaardigden waren Egbert Luitkens van Visvliet en Jan Clasen Nieboer van de Zeerijp. Vooral de laatste was niet op zijn mond gevallen. Te paard vertrokken beide naar Aduard en in de borg daar werden ze bij Lewe aangediend door zijn knecht, die ze meldde dat zijn heer op bed lag en niet te spreken was. Op nadere instantie kregen Luitkens en Nieboer te horen “dat ze zich konden verpakken”. Datzelfde ogenblik kwam Lewes militie in de wapens – volgens Luitkens en Nieboer ging het om zo’n 70 man, “van allerhande natie”. Deze militie bleek deels voor de herberg geposteerd, waar beide afgevaardigden hun paarden hadden gestald. Een ander deel stond verdekt opgesteld, “in de bosschen”. Bij het vertrek van Luitkens en Nieboer schoten deze huurlingen allemaal in de lucht, zodat de volmachten wel af moesten stappen om hun paarden aan de teugel Aduard uit te leiden.

De volgende dag, dinsdag 27 augustus, kwamen beide terug in Aduard. Pas na veel aandrang verleende Lewe ze gehoor. De kamer waar dat gebeurde, bleek “wel voorzien van gewapende manschap” en ook buiten de borg stond er het een en ander. Toen beide afgevaardigden hadden verwoord waarvoor ze kwamen, brandde de Heer van Aduard op ze los:

“Dat ze door hem wierden aangemerkt als de grootste rebellen dezer provincie, en dat ze ten hoogste strafbaar waren, waarom hij haar dierhalven het placcaat van de Staten van Stad en Lande tegen de oproermakers in de maand maart gepubliceert, eens wilde voorlezen. En na zulks gedaan was, wierde hetzelve placcaat in zijn volle beslag op haar toegepast, met verzekering dat zyn Wel-Geb. als Richter haar in alles by vervolg van tyd zou recht doen (…)

Waarop door de volmacht Jan Clasen Nieboer wierde geantwoord dat haar eigenltlyke oogmerk waar om recht te doen en recht te erlangen, en dat dit ook de reden was waarom zy zyn Hoog Wel-Geb. kwamen verzoeken: als mede om zyn Hoogheid den Prins van Orange in der daad te verheffen, gelyk voor dezen (so het scheen) alleen in naam geschied was.

Waarop de Heer Lewe van Aduard  antwoorde dat hy Jan Clasen Nieboer een fynen Sinjeur was en den allergrootsten rebelmaker die ooit meer gekend was.

Waarop Jan Clasen Nieboer andermaal antwoorde dat zyn Hoog-Wel Geb. konde verzekerd zyn dat alle ingezetenen van de drie Ommelander Quartieren de verheffinge van Zyn Hoogheid den Prins van Orange en het redres van hare rechten zouden ter uitvoer brengen, welken geweld zyn Hoog Wel-Geb. daartegens ook mochte gebruiken.

Hierop antwoorde zyn Hoog-Wel Geb.dat schoon hy een man was van by de tagtentig jaren, hy noch moed genoeg had, om zich aan het hoofd zyner bende te stellen en haar met kruit en loot terdegen t’onthalen en dat ’t hem noch aan volk, noch aan geweer ontbrak.

Des nietegenstaande dit (antwoorde Jan Clasen Nieboer) zullen wy en alle Ommelanders onze zaken uitvoeren.

En na enige woorden over en weer gesproken te hebben, zyn de volmagten vertrokken zonder haar oogmerk te bereiken.”

Op woensdag 28 augustus, vergaderden de Ommelander dorpsvolmachten in Middelstum. Het verslag van de bezending naar Lewe verwekte grote beroering. De vergadering besloot nu via de stad te gaan werken en stuurde er een gezant­schap heen dat het op een accoordje gooide met de orangistische aanvoerders daar. Die vroegen aan het stadsbestuur om de provinciale Staten bijeen te roepen en kregen dat gedaan ook. En zo zag men dan op donderdag 29 augustus duizenden Ommelanders de stad binnen trekken, “hebbende knodzen in plaats van snapha­nen op hare schouderen”. De dag zou werkelijk perfect geweest zijn, ware het niet dat een kleine onvolkomen­heid de gemoederen prangde: de heer Lewe was niet van zins te komen. Hij stuurde een briefje dat bij zich voorbaat bij alle besluiten neerlegde en die zou tekenen ook.

Maar daar namen de Ommelander volmachten geen genoegen mee. Ze wilden perse dat de  Lewe persoonlijk in de statenzaal zou compareren. In die zaal kwamen meerdere collega’s van Lewe alvast in onzachte aanraking met knuppels en ook namen de boerenregimenten twee zoons van Lewe, de heren van Kantens en Bierum, in gijzeling.  Het eerste voorstel was om ze beide als levend schild naar Aduard te laten marcheren, voor een boerenleger aan. Dit ging niet door. Uiteindelijk mochten beide heren plaatsnemen in een wagen die een een escorte kreeg van 30 man uit het garderegiment. Zo ontstond er een gevarieerde optocht: “Deze zeldzame vertoninge lokte een menigte menschen naar Aduart”.

’s Avonds om zeven uur arriveerde de Heer van Aduard eindelijk hier ter stede in een koets, omringd door gardsesoldaten. Maar op de Grote Markt drong het volk zo op, dat de paarden niet verder konden. De spiegelglazen van de koets gingen aan diggelen, de deur werd uit de sponning gerukt en de Heer van Aduard aan zijn arm uit de koerts gesleurd. Lopend naar de statenzaal nog steeds omringd door de gardesoldaten, vingen die de vele knuppelslagen op, welke voor hem waren bestemd. De menigte riep: “Sla hem dood!, Sla hem dood!” en niemand gaf er nog een duit voor dat Lewe het er levend af zou brengen. Toch bereikte hij de statenzaal en trof daar bijna alle Ommelander heren aan . Een “menigte landvolk” drong echter scheldend en tierend achter hem aan de statenzaal binnen, en sloeg nu werkelijk op de onbeschermde Lewe in,

“zoodat dien Heer voor het geweld moeste bukken, vallende onder de schoorsteen ter aarden; zyn aangezicht zeer bebloed zynde, en zyn paruik en hoed was reeds verloren.”

Er kwam zelfs een praatje van dat hij werkelijk de geest had gegeven. Dat was niet zo, drie personen wisten hem uit de mêlee te trekken en hem ongezien in veiligheid te brengen, eerst in de herberg onder de Poelepoort, naderhand dwars door een tuin naar het huis van de gezworene Tiddens aan het Schuitendiep.

“Het gemeen onvergenoegt zynde” dat Lewe ontkomen was, begon diens huis op de Vismarkt te plunderen, wat gestuit werd door de stedeijke burgerwacht. Een onweer hield veel mensen verder van de straat, er viel die avond alleen nog een relletje onder de Poelepoort te melden.

Op vrijdagochtend de 30e augustus ontdekte men dan toch de plaats waar Lewe zich schuilhield. Hij had willen ontsnappen in een verdekte wagen, maar de voermansvrouw stak er een stokje voor dat haar man met hem vertrok. Er ontstond een oploop voor het huis van Tiddens. De eis was dat Lewe alsnog in de statenzaal verscheen om daar de ingewilligde petities van de vorige dag te tekenen. Maar liefst acht compagnieën van de burgerwacht brachten hem erheen. Ook dit keer was het spitsroeden lopen.  Meteen nadat Lewe in de statenzaal zitting nam, diende een volmacht het voorstel in dat hij alle verteringen van de Ommelander knuppelregimenten van de vorige dag zou betalen. Dit zegde hij toe. Ook werd van hem geëist dat  hij “zich mogte ontdoen van alle snaphanen, kruit en loot, zoo op het slot te Aduart ter defensie van zyn persoon en goederen hadde verzamelt”.  Hij tekende grif een verklaring van die strekking en werd vervolgens door de acht compagniene burgerwacht  naar zijn huis aan de Vismarkt geleid, “onder een confluentie van duizenden menschen”.

Op zaterdag 31 augustus zou Lewe nog één keer een Ommelander statenvergadering mogen voorzitten. Dit keer ging hij onder een escorte van beroepssoldaten naar de statenzaal. Daar liet Jan Clasen Nieboer, de volmacht van Zeerijp, zich aanstonds aandienen met het voorstel namens alle Ommelander volmachten, dat de heer Lewe niet alleen zou ontwapenen en de soldaten bij hem op de borg van Aduard zou afdanken, maar ook als “onweerdig”  voor altijd uit al zijn ambten zou worden gezet. Een verzoek van die strekking ging inderdaad naar de Stadhouder, die zo geruisloos een van zijn belangrijkste Ommelander tegenstanders kon lozen.

Het twistgesprek op de borg van Aduard op 27 augustus 1748, leidde zo binnen vier dagen tot de volslagen afgang van de heer Lewe.

Voornaamste bron: Groningen ten tweede maal in onrust (pamflet, Groningen 1748)

 


One Comment on “De volslagen afgang van Lewe van Aduard”

  1. Fascinerend, die combinatie van verachting voor de persoon, maar absoluut respect voor de functie die aan die persoon gekoppeld was.

    De abstractie dat bevoegdheden van een vergadering – van een proces – kunnen zijn in plaats van van de persoon zelf was nog niet aangeslagen.

    Heel anders dan wat bijvoorbeeld in het voorjaar in de Ukraine gebeurde waar een president weggejaagd werd, waarna een nieuw parlement alles met terugwerkende kracht legaliseerde.

    Zoiets zou hier toen als een onaanvaardbare inbreuk op de onveranderlijke orde beschouwd zijn, waar zelfs die revolutionairen niet aan zouden durven denken.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.