Een vroege manifestatie van Fries-Groningse animositeit

Op maandag 27 mei 1771 liet procureur-generaal Van Menninga zich vinden in het Noordhorner tolhuis bij de Trekweg langs het Hoendiep. Hij kwam er om te kijken naar “sekere inscriptie met een diamant of een andere scherpe steen gesneden” in een ruitje, dat zich in de rechter voorkamer bevond, vlakbij de gang. Op het ruitje bleek een vers te staan, dat de procureur-generaal liet copiëren:

“Geen gratie voor een Groninger
is in Friesland te vinden,
omdat de onschuld, door hun aangetast,
zelf rechtvaardigheid vind op de aarde.

Dit tuig dit glas,
Of ’t hier niet was
dog sonder vreesen,
Mag elck dit leesen

op dat geen laffer nageslagt,
door Groningers werd voortgebragt.
Dus wens ik ouderens schuld, met hunne dood begraven
En Groningen verlost van Eereroovend’ slaven.”

In de ruit ernaast, stond ook nog iets, “na alle gedagten op die selfde manier gesneden”:

Ex tempore (= voor de vuist weg)
quod felix faustumque eveniat (= hetgeen gelukkig en gezegend moge aflopen)”

De kamer waar het om ging, kon worden afgehuurd door gezelschappen. Zo’n tolhuis was namelijk ook een kroeg, met naast de gemeenschappelijke jachtweide vaak een meer besloten, exclusieve ruimte. Over de inscriptie verklaarde kastelein Pieter Jans Boeikema dat op woensdagmiddag 22 mei zijn huis was bezocht door de heer Wydenbrug (ook wel Widenbrug) met diens vrouw, twee kinderen, “nog een die madamoiselle genoemd werd” en bovendien een manspersoon, mogelijk de klerk van die heer. Dit gezelschap vertrok dezelfde middag nog, en ‘s avonds en ’s nachts was er niemand op die kamer geweest. Pas toen die de volgende dag betrokken werd door een ander gezelschap, ontdekte de kastelein dat het vers in kwestie op het raam gesneden stond. Wie daarvoor verantwoordelijk was, kon hij niet met zekerheid zeggen, maar hij meende toch dat dat de de heer Wydenbrug moest zijn.

Waarschijnlijk ging het om Ernst Willem van Wydenbrug, de Grietman en Dijkgraaf van Hemelummer-Oldephaart en Noordwolde. Hij hield van poëzie en had een wapen met een latijns motto. Dat er geen gratie voor Groningers in Friesland zou zijn, zoals de eerste regels van het ingekerfde poeem wilden, zou dan kunnen getuigen van een onrecht, door deze Wydenbrug in Groningen ondervonden: de Groningers hadden de onschuld aangetast, ze zouden er in Friesland voor boeten. Eigenlijk vond de auteur Groningers maar lafaards en eerrovende slaven, getuige het slotcouplet, al hoopte hij op hun karakterverbetering in de toekomst.

Ik heb nog geprobeerd na te gaan of Wydenbrug zelf in Groningen in een proces was verwikkeld, maar dat lijkt er niet op. Op de civiele rol van het HJK komt zijn naam in deze tijd niet voor. Mogelijk was hij zijdelings betrokken bij andermans proces? Bijvoorbeeld bij dat van Van Rikkenga, een Ommelander volmacht die geprobeerd had een belasting-actie op gang te brengen en doorvoor al ruim twee jaar vastzat?

Hoe dan ook, op dinsdag 28 mei las de procureur-generaal het vers voor in de Hoge Justitiekamer, het provinciale gerechtshof aan de Boteringestraat. Van Menninga meende “dat de Hoge Overigheid en Heerlijkheid van Stad en Lande hier bij ten uitersten te zijn gepraejudiceert”. De heren Hoofdmannen wilden graag van hem weten wat er precies moest worden gedaan. Ook moest hij de kastelein berichten dat beide glazen absoluut niet mochten worden gebroken of weggehaald.

Op 29 mei vroeg en kreeg de procureur-generaal toestemming om “sigh so veel mogelijk omtrent den autheur van die inscriptie te informeren”. Aan Gedeputeerde Staten werd gevraagd of ze het raam met het vers wilden laten uitnemen, “om secuur als een corpus delicti te worden bewaart”. Omdat de procureur-generaal het vers voorstelde als “ten uitersten laesyff … voor de Hoge Overigheyd deze provincie”, willigden de heren dit verzoek graag in. Ze gaven hun commies Brugma opdracht om het glas uit te laten snijden, en ook te zorgen voor een nieuw glas ter vervanging van het verwijderde. Hiervoor schakelde Brugma op zijn beurt de timmermansbaas Brondsema in. Dezelfde avond om half tien ging het trio voor deze missie per gevorderde schuit naar Noordhorner Tolhek, en de volgende ochtend rapporteerde de procureur erover in de Hoge Justitiekamer, waar de Hoofdmannen besloten dat het glas “boven op de secrete secretarie sal worden gebragt en bewaart”.

Helaas horen we verder niets meer van de zaak, althans niet in 1771. Misschien is Grietman van Wydenbrug later eens op het vers aangesproken?

In elk geval is dat stukje spontane poëzie te beschouwen als een vroege manifestatie van Fries-Groningse animositeit.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nrs. 690 en 1995.


5 reacties on “Een vroege manifestatie van Fries-Groningse animositeit”

  1. Heb je nog wat meer informatie over die politieke gevangene?

  2. Dr. J. van Rikkinga was in elk geval een oudgediende, gezien zijn titel niet de eerste en de beste. Ik las dat hij al in 1736 het aan de stok had met Lewe van Aduard. Hij was jarenlang statenlid en in 1758 was hij lid van de provinciale rekenkamer. Hij zou 1769 tot 1773 gevangen hebben gezeten.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.