Groninger adel sprak zo plat mogelijk

Bijnamen zijn hier wel vaker ter sprake gekomen, maar vrijwel altijd als betitelingen van mensen uit de onderste lagen van de samenleving. Het gekke met de bijnamen die Waalko Jan Roelfsema (1847-1937) zich vooral uit zijn jeugdjaren herinnerde, is nou juist dat ze vrijwel allemaal behoorden tot lieden uit de bovenste lagen van de stad-Groninger samenleving.

Als tamelijk misantropisch ingesteld mens had Roelfsema, een ondernemer en langdurig gemeenteraadslid, een fijn ontwikkeld gevoel voor de ondeugden van zijn evennaasten, en dus ook voor de bijnamen die daar uitdrukking aan gaven.  Het aardige is, dat sommige van die ondeugden te maken hadden met taal.

Dat Groningers in het derde kwart van de negentiende eeuw overdreven Hollands spreken niet zo op prijs konden stellen, zal misschien nauwelijks verbazen. Over de “stront-prefect” Evert Buttinger meldt Roelfsema, dat deze directeur stadsreiniging (later burgemeester van Wedde en Zuidhorn) “kazerne hollandsch” sprak. We herkennen hier meteen een Groninger type in, dat nu nog steeds bestaat en dat liever een plat-randstedelijke tongval hanteert, dan zich te laten betrappen op een meer autochtoon accent.

Nog erger was de commissionair Mulder, een collega van Roelfsema als bestuurslid van de Groningse Kamer van Koophandel. Roelfsema:

“Hij had iets opvallend pedants in zijn manieren en sprak erg hoog-haarlemmerdijks en dat op bloemzoeten toon, zoodat zijn bijnaam niet slecht gekoozen was.”

En hoe luidde dan die bijnaam van Mulder? Wel, men noemde hem “de hollandsche ruiter“. Zo iemand zat nogal hoog te paard, moet je maar rekenen.

Hier tegenover stonden echter de heer en mevrouw Trip. Naar de manier waarop deze man en vrouw elkaar aanspraken, heetten ze “Hinderk Jan mien jong”, respectievelijk “Kato mien wicht”. Omdat zijn vader in 1817 in de adelstand verheven was, mocht Trip zich jonkheer noemen – deze wethouder en gemeente-ontvanger behoorde tot een oude stad-Groningse regentenfamilie, die een jongere tak was van een eveneens patricisch Amsterdams geslacht. Die verre afkomst was in de taal van hem en zijn vrouw echter absoluut niet te merken, aldus Roelfsema:

“Deze soort lieden, de adelijken en de patriciërs, onderscheidden zich door hun zeer groningschen spraak en gebrek aan manieren; zij schenen er haast een eer in te stellen zoo plat mogelijk te doen en te spreken.”

Bij toeval eens in Apeldoorn in hetzelfde hotel verblijvend als de heer en mevrouw Trip, die als Groningers steeds hun gezelschap zochten, geneerden Roelfsema en vrouw zich voortdurend wegens

“de zeer laagbijdegrondsche gesprekkken  en de platte taal van onze stadgenooten”.

Andere gasten vroegen de Roelfsema’s wie dat toch voor mensen waren, aan hun tafel:

“en kon men niet gelooven dat men aangezeten had met menschen van den groningschen adel.”



Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.