“Men sil my vast met ontank wol betelje”

oc

Als een politieke eendagsvlieg, zo valt Gerrit Tietema (1742 – 1818) van Norg te typeren. Begin 1797 dook hij op als Land­dag­comparant en correspon­dent van de Onver­wachte Courier, om een jaar later uit beeld te verdwij­nen. Waar kwam hij vandaan, wat was zijn positie te Norg, welke opvat­tin­gen verkondig­de hij, met wie maakte hij ruzie en waaruit bestond zijn achter­ban?

Een van de tientallen ‘opinieweekbladen’ die na de Bataafse revolutie nationale eenwording en democratisering bepleitten was de Onver­wachte Courier. Van oktober 1795 tot juni 1798 verscheen dit geruchtmakende ‘Jacobijnse’ perio­diek in Gronin­gen. De uitgever en drukker zorgde voor een ruime verspreiding; bij boekhan­delaren in geheel Noordoost Nederland was het blad te koop, bijvoor­beeld bij Van Buuren-Lensink in Meppel. Ook liepen er venters mee rond. De verkoop­prijs bedroeg een stuiver, wat voor een arbeider of kleine am­bachts­man aan de hoge kant was, maar een sterke afzet toch niet in de weg stond.

De redactie van de Onverwachte Courier, die voortkwam uit enkele radicaal-democratische Groninger clubs, vroeg meteen in het eerste nummer al om bijdragen van “alle ware Vaderlanders en fraaye vernuf­ten”. Deze inzendingen moesten dan wel “naar den vatbaarheid van den middenstand geschikt” zijn. Het blad bevatte zo ook stukken van Drentse cor­respondenten. Meestal bedien­den deze zich van schuilna­men, soms van initia­len. Een uitzon­dering vormde Gerrit Johan­nes Tietema uit Norg, die vijf maal een bijdrage leverde, waarvan twee maal onder zijn volledige naam, twee keer onder initialen, en één maal onder vermelding van louter de plaats­naam, maar daarbij wel zijn hand verra­dend. In vergelij­king met andere correspon­denten was deze Tietema dus niet bang uitgevallen. In de tijd dat hij zijn bijdragen schreef (1797/1798) bleek hij ook nog eens lid van de Drentse Land­dag (= provinciale staten) namens Norg. En omdat er over radicale Drentse patriotten maar weinig bekend is, maken deze feiten hem een biografietje waard.

Gerrit Johannes Tietema was een nieuwkomer in Norg. In 1742 werd hij geboren te Donker­broek, Friesland, als zoon van een weinig bemiddelde koopman. In de tweede helft van de jaren 1760 vestigde Gerrit zich in het Drentse kerspel, waar hij anno 1771 trouwde. Hij en zijn vrouw betrok­ken op het Norger oosteinde een huis en kregen er twee zoons, waarvan alleen de oudste bleef leven.

Net als zijn vader en zoon was Gerrit Tietema koopman, winke­lier en “kremer”. Hij handelde in van alles en nog wat: blauwbontgoed, doeken, garen en band, klompen, gespen, mesjes, spijkers, dakstro, zout, zeep, kruiden, haver en gort. Ook leverde hij “bonte steentys” voor de kosterij. Naast het magazijn, waarin deze goede­ren opgetast lagen, had hij een tapperij. Soms trad hij bovendien op als heel­meester. Zo genas hij eens een “zwullen dum” van een bedeelde.

Van al zijn verdiensten hield Tietema genoeg over om met een zekere regelmaat in vastgoed te kunnen investeren. Meestal ging het om lapjes bouw­land, die hij verpacht­te. In elk geval schatte men zijn vermogen in zijn politieke hoogtijda­gen op 5100 gulden, zodat hij nog net op een lijst van de 34 rijkste ingezete­nen van het kerspel Norg terecht kwam. Een heer als Joachim Lunsingh Tonckens van Westervel­de stond natuur­lijk ver boven hem, evenals bekende eigen­erfde boeren als Egbert Pelinck en Roelof Hof­steenge. Wat betreft de midden­stand sloeg Tietema echter geen gek figuur, getuige bijvoor­beeld het vermo­gen van de grootste timmer­mansbaas Abel Karst, eveneens 5100 gulden. Het gros van de bevolking keek in elk geval tegen hem op, tenmin­ste, als het om vermogen ging.

De opvattingen waarvan Tietema in de Onverwachte Courier blijk gaf, stempe­len hem tot een volksdemocraat, een aanhanger van de leer der volkssouverei­niteit. Naar Tietema’s mening hoorde de opper­macht toe aan het volk. Het volk moest tot zijn vertegenwoordigers kunnen kiezen wie het maar wenste, en ook bezat het volk het recht die verte­genwoordi­gers op te dragen wat het maar wilde. Week een repre­sentant van zijn lastge­ving af, dan was hij straf­baar.

Hoe die ideologie in de praktijk uitwerkte, blijkt uit de twee stuk­ken, die Tietema schreef naar aanleiding van het nationale referendum van 8 augustus 1797, waarbij een eerste ontwerp-constitu­tie aan de stemgerechtig­den in de grondver­gaderingen voorgelegd werd. Dit ontwerp, bijgenaamd ‘het dikke boek’, was een moeizaam compromis, waarbij federalistische uitgangs­punten de doorslag hadden gegeven, hoewel er op het punt der ineensmelting van de nationale schulden een conces­sie was gedaan aan het democrati­sche eisers van een eenheidsstaat.

Tietema nu, laakte in een stuk, dat op de dag van het referen­dum voorop de Onverwachte Courier stond, vooral het tijdstip waarop het referen­dum werd gehouden. Daarbij suggereerde hij dat de Nationale Verga­dering (het Bataafse parlement) de datum zo gekozen had omdat

“…den nijvre landman in al dien tijd genoeg­zaam van zijne noodza­kelij­ke bezigheden niets kan aftrekken”.

Op de inhoud van het dikke boek ging Tietema kort in. Volgens hem respec­teerde het de rechten van de mens en burger niet en gaf het evenmin aanlei­ding tot bezuini­gin­gen en lastenver­lich­ting. “Zo kan ydereen ligt begrijpen geen ja te moeten zeggen”, luidde zijn stemad­vies.

Voor het referendum bood de burger te Norg op dat uiterste moment nog een alternatief: democratie van onderop. Weliswaar was het ontwerpen van een grondwet aan de Nationale Vergadering (het parlement van de Bataafse Republiek) opgedragen, maar op de dag van het referendum vormden de grondvergaderingen van stemge­rechtigde burgers gezamenlijk de souverein. Als de stemgerechtigden in elke grondver­gadering de koppen bij elkaar staken, het ontwerp naar hun eigen inzichten aanpas­ten, vervolgens verte­genwoordigers kozen die per provincie bij elkaar kwamen, en daarna de vertegenwoordigers van de gewesten in nationaal verband een compromis bewerk­stellig­den, kon men dat compromis uiteindelijk alsnog aan de grondver­gaderin­gen aanbie­den, met wellicht een positieve uitslag:

“Mooglijk denken veel dat werk is te omslagtig, dat moet veel te veel kosten, maar medeburgers! weest verzekert dat zit een veel zekerder, korter en min kostbaarder weg is, of dezelve door een Commissie uit de Nationale Vergade­ring gemaakt zal worden. En dan nog onzeker of dezelve werd aangenomen.”

Uiteraard kwam hier niets van. Wel verwierpen de stemgerechtigden het voorliggende grond­wets­ontwerp met een overweldigende meerderheid. De tegenstem­men kwamen vooral van democraten, en daarnaast, maar in veel mindere mate, van aartsfede­ra­lis­ten. Alleen gematigde federalisten stemden voor, omdat de oorlogsvoe­ring huns insziens om een krachtdadig bestuur vroeg.

Drie maanden later kwam Tietema nog eens op het referendum terug. Juist in die periode (oktober 1797) be­stookte men een nieuwe constitutiecommissie met allerlei petities. In Drenthe circuleerde er voorname­lijk een federalistische tekst, waarvan copieën door de Gecommi­teerde Repre­sen­tanten (de rechtsop­volgers van Drost en Gedeputeerden) via de schulten naar alle grondvergade­ringen waren gezon­den. Volgens de land­schapsbe­stuur­ders hadden de Drenten op 8 augus­tus juist vanwege de voorge­stelde nationale ineensmelting van alle gewestelijke schulden een massaal nee laten horen. De nieuwe constitutie-commis­sie moest huns insziens daarom niet opnieuw toege­ven aan unitarische eisen.

Deze voorstel­ling van zaken bestreed Tietema. Volgens hem was het eerste grondwets­ontwerp verworpen, omdat het de opper­macht van het volk niet eerbie­digde, het de uitvoerende macht te grote zeggenschap gaf, en het niets bepaalde inzake financiële gelijkheid. Op doorreis on Zwolle had hij een unitarisch verzoekschrift aange­troffen, waarvan hij de tekst bij zijn stuk voegde. De bedoeling was duidelijk: het te laten kopiëren en tekenen door gelijkgezinden.

Tietema’s collega’s, de Drentse representan­ten, bijeenkomend in wat nog steeds de Landdag heette, namen in meerderheid hetzelfde standpunt in als hun bestuurders, de Gecom­miteerde Representanten. Enerzijds lippendienst bewijzend aan de nationale eenheid, ander­zijds grote bezwaren koesterend tegen alles wat indruiste tegen de oude belastingregeling, waarbij de gewes­ten ieder op hun eigen wijze hun pappenheimers mochten belasten. Ongetwijfeld had de weerzin tegen fiscale hervormingen ook te maken met angst voor belasting naar draagkracht.

De vertegenwoordigers in de Drentse Landdag werden ook na 1795 nog steeds kerspelgewijs gekozen, zij het niet langer door de eigenerfde grondbezitters, maar door de stemgerechtigden, dat wil zeggen de mannen van 25 jaar en ouder die het Drentse Déclaratoir van 24 september 1795 tekenden, en zich zodoende loyaal verklaarden aan het nieuwe bewind. Toch schortte er in democratisch opzicht nogal wat aan de vernieuwde Landdag. Meppel en Hoog­eveen bleven zwaar onder­vertegenwoor­digd. Meermalen stelden deze “volkrijke” kerspelen voor om tot een evenredige vertegenwoor­diging te komen. In april 1797 besloot de Landdag het echter te laten zoals het was, totdat een nieuwe consti­tutie het binnenlandse bestuur definitief zou regelen.

Over deze perikelen vernemen we merkwaardigerwijs niets van Tietema, die wat betreft de Drentse politiek louter melding lijkt te maken van minder substantiële zaken. Zo bijvoorbeeld “de treflijke resolutie”, genomen door de Landdag van april 1797, die bepaalde dat er voortaan een agenda met de uitnodiging mee moest naar de kerspelen. Kerspelen moesten agenda-voorstel­len daarom voor Licht­mis (2 februari) naar Assen opstu­ren. Het betreft hier een minder onderge­schikt punt dan het misschien lijkt. De oude gewoon­te om de agenda pas op de Landdag bekend te maken, gaf immers de mannen in het centrum van de macht, degenen die zich dagelijks met bestuursza­ken bezig­hielden, dat wil zeggen voorheen de Gedeputeerden en nu de Gecommiteerde Representan­ten, een enorme informatie-voor­sprong, die ook maakte dat ze zaken gemakkelijk naar hun hand konden zetten. Kerspel­vol­machten kregen op de Landdag onver­wachte punten voor hun kiezen en spraken en stemden er naar eigen goeddun­ken, zonder last en ruggespraak. Achteraf raakte de achter­ban dan nog eens op de hoogte. Al eeuwen rees er zo nu en dan be­zwaar tegen deze gang van zaken, anno 1797 lukte het dan eindelijk om de agenda vooraf bekend te laten zijn, zodat de stemge­rechtigden in de kerspelen hun represen­tanten in de Landdag aan een instructie konden binden. Voortaan zou er niets verhan­deld worden “dan met voorweten van het gehele Drentsche Volk”.

Toch kwam Tietema naderhand nog met een beden­king. “Doordien de meesten onzer medeburgeren het wezentlijk heil van den lande nog als met een onver­schillig oog koomen te beschouwen”, bleven belangrijke zaken liggen. Ook konden er in de zes weken tussen Lichtmis en de gewone Landdag nog dingen voorvallen. Daarom wilde Tietema de nieuwe regeling oprekken, in die zin dat er ook op de eerste vergader­dag nog zaken moesten kunnen worden inge­bracht. De representanten dienden deze dan alsnog ter kennis van hun achter­ban te brengen, voor een nadere instructie.

Stond de correspondent van de Onverwachte Courier te Norg positief tegen­over de agenda-resolutie, dat was ook het enige waarover hij zich verheugde. In het algemeen getuigen zijn stukken van een groot wantrouwen jegens bestuur­ders en ambtenaren.

Zo maakte hij zich in zijn allereerste brief aan de Courier, gedagtekend 6 maart 1797 – op dat moment was hij nog net geen Landdagcompa­rant – vrolijk over de titels waarmee de nieuwe Drentse machthebbers zich opsierden. Heette De Vos van Steenwijk als voorzit­ter van de Gecommi­teerde Represen­tanten “presi­dent van Drenthe”, diens rechterhand Van Rossen gold als “vice-president”. Als goed vaderlander had Tietema een grote hekel aan deze “onduit­sche woorden”. Daarom schreef hij zijn bijdrage ook in zijn moer­staal, het Fries. Andere nieuwe heren nam hij eveneens flink op de korrel. Zo gaf hij door dat de Etten (rechters van de Etstoel) er sinds de revolutie behoorlijk in salaris op vooruit gingen:

“…Ik zey: is dat gelijkheit? Ik hab nou al om de twaa jier munisipaal west, en ik krig gin ortsen, en sa nog mier als te vooren? Is dat goed patriotsch? Dan wyt ik het net, en hab dog wel tzien jier de namme van patriot droegen, en mien eek dat ik ien byn. Ik kan jou nog wel meer van dit of dat vertelje, mar ik tink men sil my vast met ontank wol betelje…”

Met die ondank viel het mee. Bij de verschijning van zijn tweede, al wat serieuzere stuk in de Onverwachte Courier (23 mei 1797) was onze Municipaal of vrijwil­lige kerspelbestuurder inmiddels lid van de Landdag. Hij meldde dat zijn achterban hem een instructie ter hand stelde om daar te helpen bevorderen dat er een onder­zoek kwam naar het gedrag van alle Drentse ambtena­ren, ook lokale, die vanaf 1748 werkzaam waren geweest. Omdat dit voorstel mede de ambtena­ren van het nieuwe bewind gold, was het verstrek­kend. In werkelijk­heid werd alleen het gedrag van enkele zeer vooraan­staande orangis­ten vanaf 1780 onderzocht, zonder dat het nieuwe bestuur ze ook maar één haar krenkte. De Landdag van 1797 negeerde het voorstel van Tietema en zijn partij, dat bleef liggen zonder zelfs maar een vermel­ding in de notulen.

In zijn laatste stuk voor de Courier, getiteld ‘Ronde gedagten over de Drent­sche propositieën’ (4 januari 1798), maakte Tietema nog gewag van zeven voor­stellen die hij alle zelf in de Landdag ter tafel bracht, en die allemaal “door daartoe expres benoemde Carspels volmagten getekent” waren. Ook deze minderheids­voorstellen werden grotendeels niet eens in overweging genomen. In plaats van vice-president Van Rossen wilde Tietema de landdag laten voorzitten door een kerspelrepresen­tan­t. Van Rossen kon weinig goed doen in demo­crati­sche ogen, want Tietema vroeg ook om een onderzoek naar diens gedrag, en dat van ambtena­ren die hij van malversa­ties verdacht. Van alle Drentse ambtenaren en hun traktementen moest er zijns inziens een ge­drukte lijst komen. De rent­mees­ters bleven niet buiten schot. Ook hier ging het om oud zeer: de Drenten verbaasden zich er vaker over dat niet één man tegelij­kertijd de admini­straties van domeinen, Dickninge en Assen kon verzor­gen. De laatste, maar niet de minste wens die Tietema uitte, betrof de aanstel­ling van geregelde kerspelmuni­cipalen, anders gezegd een definitieve regeling voor het plaatselij­k bestuur.

Gegeven zijn opvattingen en zijn positie in de dorpsgemeenschap hoeven we niet te verwachten dat Tietema’s leven rustig verliep. Inderdaad was de ene aanvaring met een kerspelkopstuk nog niet voorbij of de volgende diende zich alweer aan. Niet dat we over elke zaak even uitvoerig worden ingelicht, we krijgen alleen zicht op het topje van de ijsberg.

Anno 1797 schreef Tietema, dat hij al wel tien jaar als patriot bekend stond. Hij kwam derhalve voor zijn politieke overtuiging uit in 1787, het jaar dat allerlei burgers zich in hun vrije tijd oefenden in het gebruik van wa­pens, wat niet verhinderde dat ze als kaf in de wind verstoven toen Pruisische beroeps­soldaten orde op zaken kwamen stellen voor Oranje en diens zetbazen, wier positie in Drenthe overigens nauwelijks bedreigd was geweest. Of Tietema zich in die tijd militair bekwaam­de is onbekend, maar de Norger kerkeraad weerde hem wel van het avond­maal wegens “open­baare en buiten­spoorige dron­ken­schap en ongehoor­zaam­heid aan de kerkelijke vermaaningen”. “Tot voor­kooming van verdere moeijelijk­heeden” kreeg hij een uitgebreide schuld­be­kentenis voorge­legd, maar die weigerde hij te tekenen, zodat hij nog elf jaar als lidmaat ge­schorst bleef.

Twee jaar na de kerkelijke bestraffing, in 1789, waren de patriotten politiek monddood. Misschien dat een enkeling zich nog wel eens liet horen, maar die liep dan risico. Welnu, tijdens de Norgermarkt van dat najaar raapte de pander, Albert Willems, een briefje op van straat. “Vieva paterjotten boven” stond er op de ene zijde en op de andere een wraak-aanzegging aan de Oranjeklanten:

“De besste kraajer is niet te goet
al smoort hij in zijn eigen bloed
De paterjot sal weer op staan
de krajers sullen nu vergaan
de kraajers nu weer onder
de krajers na de donder”

Bij deze en gene informeerde de plichtsgetrouwe gerechtsdienaar naar de herkomst van het oproerige vers. En zo kreeg hij te horen dat de tekst die dag gezongen was in de tapperij van Tietema. Ook waren daar “meer andere honende woorden” gesproken. De pander besloot het briefje naar zijn supe­rieur te brengen, schulte Homan te Vries, die het zaakje vervolgens aan­bracht op de Goor­spraak. Merkwaardig was, dat Tietema daar na de schulte het woord nam, om te melden dat twee onbekende soldaten hem op diezelfde Norgermarkt­dag met getrok­ken sabels bedreigden. Geen van beide meldingen kreeg gevolgen, waarschijnlijk omdat bewijzen moeilijk te leveren waren. In elk geval hoeven we noch de hoge, noch de lage gerechtsambtenaar tot de vrien­den van Tietema te rekenen.

Na de Bataafse Revolutie bleven schulte Homan en de pander Willems in functie. Dat de oude dorpsverhoudingen nog een tijd ongeschokt bleven, toonde een relletje van novem­ber en december 1796. De pander onderschepte toen een verzegeld pakje met papieren, geadresseerd aan “de grondvergadering of municipaliteit te Norgh”, waarvan Tietema lid was. Het pakje bracht de pander naar schulte Homan, die in Vries woonde en dus geen lid kon zijn van genoemd bestuursor­gaan. Toch opende Homan het, om de inhoud door te neuzen. Die inhoud beviel hem niet. Zowel hij als de pander zweeg over de schen­ding van het briefge­heim, tot er na zes weken toch enige spraak van kwam en Homan wel gedwon­gen was om een gedeelte van de papieren met de pander mee naar Norg te geven. De pander bezorgde ze echter niet bij de de grondverga­de­ring, de municipaliteit of het plaatse­lijke bestuur, maar bij Egbert Pelinck, de eigenerf­de die het kerspel nog steeds in de Landdag vertegenwoordigde. Maar Pelinck, erop aange­sproken, weigerde de papie­ren uit handen te geven. Zelfs al zou hij ze in het “secreet” willen gooien, dan moest hij dat weten, zoals hij zei.

Een en ander bleef niet zonder gevol­gen. In maart 1797 kozen de stemgerech­tigden van Norg immers Tietema in plaats van Pelinck tot hun representant. Tietema kwam vervolgens aan de weet, dat schulte Homan nog steeds een gedeelte van de papieren achterhield en bracht zijn mede-kerspelbestuurders van dat feit op de hoogte. Deze droegen hem op nog eens bij Homan aan te dringen. De schulte bleef echter weigerachtig, zodat Tietema zich na de democratisch-unitarische revolutie van januari 1798 geroepen voelde, het zaakje te melden bij het dan aangetreden landschapsbestuur.

Per maart 1797 was Tietema dus representant van Norg in de Drentse Landdag. In mei en augustus woonde hij zittingen bij, zonder al te veel succes, want de meeste van zijn voorstellen nam men niet eens in behandeling. Ook bij de allerlaatste vergadering van de Landdag, eind januari 1798, bleek hij van de partij. Uiterst merkwaardig is dat in de belangrijke tussentijdse Landdag van 12 januari 1798 opeens Joachim Lunsingh Tonckens aan­spraak maakte op zitting namens Norg. Volgens de Onver­wachte Courier was Tonckens – oud-Gecommi­teer­de Representant en lid van de Nationale Vergade­ring – een “twee­derangs federa­list”. Zijn Drentse partijge­noten konden Tonckens, die tussen zijn Haagse bedrijven door even over­kwam, blijkbaar niet missen. Zonder slag of stoot ging de vervan­ging van Tietema door Tonckens echter niet, getuige de notu­len:

“voorts in deliberatie gebragt zijnde of J.L. Tonckens van Westervelde representant van Norg als nieuw aangestelde volmagt op dese recesvergade­ring zijne geloofsbriev zou moeten produzeren, is na ingenomene stemmen verstaan dat de Burger J.L. Tonckens sessie sal mogen neemen.”

Tonckens had dus niet eens een geloofsbrief en zijn mandaat was daarmee kwestieus, maar de federalistische meerderheid in de Drentse Landdag wist het wel te plooien.

Intussen weten we door deze voorvallen, dat Joachim Lunsingh Tonckens en Egbert Pelinck de belangrijkste Norger tegenstrevers van Tietema waren. De vraag naar Tiete­ma’s achterban blijft echter nog open. Welke Norgers voelden zich het meest aange­trokken tot zijn gedachten­goed?

Het antwoord op deze vraag laat zich bij benade­ring bepalen.

Najaar 1795 tekenden te Norg 101 mannen van 25 jaar en ouder het Drentse Déclara­toir met de rechten van de mens en burger, waardoor ze stemrecht verkre­gen bij de verkiezing van een kerspelrepresen­tant. Nog eens drie, te weten Gecommi­teerde Representant Joachim Lun­singh Tonc­kens, Land­dagcom­pa­rant Egbert Pelinck en Ette Roelf Hof­steenge presteerden de eed uit hoofde van hun functies. In totaal betuigden dus 104 volwassen mannen hun loyaliteit jegens de nieuwe orde.

Een eerste vergelijking met de lijst van 34 meest vermogende Norgers (1797), levert dan op, dat daarvan maar liefst 27 het Déclaratoir tekenden. Een overtui­gende meerder­heid van zo’n 80 %. Qua vermogen stonden de patriotten bijzonder sterk te Norg. Ook blijkt uit confrontatie van de Déclaratoir-teke­naars met het heerdste­denre­gister (1794) dat iets meer dan de helft van de hoofden van huishou­dens die heerdstedengeld opbrachten, de nieuwe orde onder­schre­ven.

Maar als we de Gewapende Burger­machtslijst (1798) hier weer naast nemen, dan blijkt er per stand was een duidelijk verschil. Het loyalis­me was het grootst bij de kleine groep van ambtsdragers in het kerspel. Predikant, koster, schat­beurder, pander, en kerspelsoldaat, ze teken­den allemaal. Maar voor deze mannen stond er ook veel op het spel – menigeen tekende waar­schijnlijk uit angst voor baanverlies.

Van de boeren opteerde een ruime meerder­heid voor de nieuwe orde, terwijl regelrechte keuters, schepers, arbeiders en knechten de rechten van de mens en burger amper onderschreven. Een patroon dat zich herhaalde bij de koop- en ambachtslui. In het algemeen waren die zeer loyaal aan de nieuwe orde, alleen kleine ondernemertjes als wevers en schoenma­kers lieten in meer­derheid verstek gaan. De Bataafse Revolutie was in Norg, kortom, vooral een zaak van de wat beter gesitueer­den.

Hiermee zijn we er nog niet. Onder de loyalisten scholen immers onverschilli­gen, federalisten, democraten en mannen die uit angst voor positiever­lies het Déclaratoir tekenden. In augustus 1797 vond het referendum plaats over het Plan van Constititutie, waardoor de partijen zich enigszins laten meten. Welnu, van de 104 Norger patriotten stemden er toen slechts 58. Een flink deel van de stemgerechtigden bemoeide zich dus niet met de politiek. Vier die dat wel deden, dachten dat ‘het dikke boek’ ermee door kon. Dit waren derhalve de moderate federalisten. Daarente­gen verzetten 54 zich met Tietema tegen de invoering van het grond­wets­ontwerp. Hierbij zullen heus wel wat verstokte federalisten hebben gezeten, maar het alge­meen-landelijke beeld volgend, waren deze 54 overwe­gend demo­cratisch-unitari­sche opvat­tingen toege­daan, zodat we mogen conclu­deren dat Landdagcomparant Tietema dat jaar een kleine meer­der­heid van alle stemge­rech­tigde Norgers achter zich had.

Na de unitarische revolutie van januari 1798 werden de grond­vergaderingen gezuiverd van Tietema’s politieke vijanden. In het voormalige gewest Drenthe was deze zuive­ring de taak van een commissie, waarvan enkele redacteuren van de Onver­wachte Courier deel uitmaakten. Dus politieke vrien­den van Tietema! Mannen die nog in aanmerking wilden komen voor stemrecht, dienden een eed af te leggen, waarbij ze een afkeer betuigden van stad­houder­schap, federalis­me, aristocra­tie en regerings­loosheid. Ook de gezuiverde lijst van Norg is be­waard. En daaruit blijkt dat van de 104 Norger loyalisten anno 1795 drie jaar later nog slechts 67 het stemrecht bezaten.

Vergelijken we de nieuwe, gezui­verde lijst met de lijsten van grote vermogens, heerdsteden en beroepen, dan blijken allereerst enkele van de machtigste kerspelbewoners geschrapt te zijn, met name Joachim Lunsingh Tonckens en Egbert Pelinck, maar ook enige anderen. Van de 27 grote patriottische vermo­gens waren zo nog 21 in handen van politiek betrouwbaar geachte figuren, min of meer medestanders van Tietema. Nog wel een meerder­heid onder alle 34 vermogen­den, maar een stuk minder domi­nant.

Van de mannelijke heerdstedengeld-betalers uit 1794 had nu nog maar een minderheid toegang tot de grondvergaderingen. Maar ook deze minderheid was weer niet gelijk verdeeld over alle categorieën. Onder de vier- en driepaards­boe­ren en koop- en ambachtslui met twee paarden werden slechts enkele individuen van ’t stemrecht beroofd. Maar bij de tweepaardsboeren en de kleinere ambachtslui hakte de zuivering er goed in. De meer­derheid sloeg bij deze categorieën om in een minderheid.

Onder de kleinere boeren en midden­stan­ders hun stemrecht kwijtraakten, bevonden zich wellicht nogal wat afhankelij­ken van de zeer vermogende ingezete­nen die werden geroyeerd. Het effect van de zuivering was in elk geval, dat het lokale patriottisme van boven en van onder afkalfde. Het raakte zogezegd zijn hoofden en voetvolk kwijt. De romp die van de grondvergadering resteerde – en dan doel ik vooral op de grote­re boeren en midden­stan­ders – mogen we tot Tiete­ma’s achterban reke­nen.

De volksdemocratische koopman, tapper en genezer apelleerde met zijn opvattingen dus vooral aan aan een middenlaag van bovenmodale agrariërs en midden­standers, die zich door kerspelkopstukken niet de wet hoefden te laten voor­schrijven. En daarmee voldeed de Norger correspondent van de Onver­wachte Courier precies aan de instructie van zijn redacteuren. Zijn opvattin­gen waren inderdaad “naar den vatbaarheid van den middenstand” geschikt.

Harry Perton

Dit verhaal verscheen eerder in een wat andere en geannoteerde vorm in Het Waardeel, jaargang 2000 nr. 4, pag 1-9.

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s