Kluftenstrijd rond de Witlattensteeg

Bij welke nabuurschap hoorden de kamers van Braden Appeltien eigenlijk? Een verhaal dat het historische belang van burenhulp demonstreert èn relativeert.

Ca. 1765-1770 worden er opmerkelijk veel nieuwe ‘kamers’ (dwz eenkamerwoninkjes) in en om de stad Groningen gebouwd. Buiten de Oosterpoort geschiedde dit bijna uitsluitend in het hovengebied, en wel primair aan de Houtzagersteeg en langs de Griffe. Bij elkaar genomen vormden deze eenvoudige woninkjes de kiem van een sloppenwijkje, dat nog een lang leven beschoren zou zijn.

De redenen dat deze schamele stulpjes hier toendertijd neergezet werden, liggen voor de hand. Enerzijds was er nog volop ruimte in het hovengebied, waar de bouwregelgeving soms ook wat minder strikt gehandhaafd werd. Anderzijds sloegen hof-eigenaars door het bouwen van kamers twee vliegen in één klap:  ze beurden voortaan huurpenningen èn ze verkregen toezicht op hun siertuinen, die bij nacht en ontij nogal eens door onverlaten werden bezocht, al kon dit positieve effect bij het huisvesten van de verkeerde persoon wel eens omslaan in een jammerlijk tegendeel.

Een steeg die hierboven ongenoemd is gebleven was de Witlattensteeg, die met een bajonet-achtige verspringing ingeklemd lag tussen de Oosterweg en de Merwe, de sloot op de plek waar we nu de Meeuwerderweg aantreffen. De noordoostelijke helft van die steeg nam nog de plaats in van het oostelijke gedeelte van de Polderstraat – aan het uiteind van dit steeggedeelte, waar zich nu wat winkels bevinden, werd omstreeks 1767 een rijtje van drie kamers onder één dak gebouwd, die uitzagen op de Merwe met een dam erin, een wal aan de overkant, het groenland van de Meeuwerd en in de verte de molenrij langs het Winschoterdiep.

De bouwer en eigenaar van deze kamers, Stoffer Jans Pieman, in de wandeling ook wel ‘Braaden Appeltien’ geheten, was herbergier, aanvankelijk in de Koning van Denemarken aan de Rademarkt – waarvan hij de stichter was – en ten tijde van de bouw van genoemde kamers in het veel oudere logement de Karper, dat zich even binnen Klein Poortje bevond, vlakbij het provinciale klokhuis waarvan het belletje op regelmatige tijden de afvaart van trekschuiten in de richtingen Delfzijl en Winschoten aankondigde. Dankzij de wachtkamerfunctie van de Karper voor het reizende volk en zijn pacht van het ‘verlaat (de sluis) tussen het Damsterdiep en het Schuiten- of Winschoterdiep moet Pieman goed hebben geboerd. Hij kocht en bouwde wel meer ontroerend goed in de stad en bovendien werd hij meermalen door collega’s in het herbergiersgilde tot ‘olderman gekozen, dit ondanks het feit dat hij de schrijfkunst niet machtig was.

Vlak na de bouw en de verhuur van zijn kamers aan de Witlattensteeg, om precies te zijn op 7 maart 1768, vervoegde Pieman zich ten stadhuize met een verzoekschrift, dat voor hem was opgemaakt door een schrijver van professie en dat hij getekend had met een kruisje. Uit dit stuk blijkt dat die kamers nog niet ingedeeld waren bij een van de naberschappen buiten de Oosterpoort – door de bewoners daar ook wel ‘kluften genoemd – en dat het uiteind van de Witlattensteeg als het ware nog een soort niemandsland, een witte vlek vormde op de kaart van de naberhulp aldaar.

Voor Piemans huurders had dit nare consequenties. Toen één van zijn kamerbewoners stierf en de twee eerste kluften aan de Oosterweg het niet eens konden worden tot welke kluft die kamers behoorden, moest de president-Burgemeester eraan te pas komen om het Salomons-oordeel te vellen, dat de bewoners van beide naberschappen dan maar gezamenlijk het stoffelijk ovrschot moesten afleggen, kisten, naar het kerkhof dragen, verluiden en ter aarde bestellen.

In het verzoekschrift meldt Pieman dat beide naberschappen inderdaad aan het bevel van de president-Burgemeester hadden voldaan. Alleen zat het hem dwars dat ze de kist niet langs ‘de gewone en gemene passage – d.w.z. de gebruikelijke weg over de dam die vlakbij de kamers in de Merwe lag, door de ‘wringe (het damhek), over het lage dijkje langs de Merwe, langs het ‘Slijkdiep (de Griffe) en de Drekstoep naar het begin van de Oosterweg – hadden gebracht, maar via de Witlattensteeg, naar het zeggen van beide kluften omdat ze geen vergunning hadden om eerstgenoemde route te gebruiken. Daarbij hadden ze vooraf de ‘doodbarve (de uit de kerk gehaalde draagbaar) niet zoals te doen gebruikelijk naar de kamer van de overledene gebracht, maar aan het begin van de Oosterweg neergezet.

Het gebruik van de volgens Pieman normale weg zou betekenen dat de eerste naberschap langs de Oosterweg verantwoordelijk zou zijn voor naberhulp in Pieman’s nieuwe kamers aan de Witlattensteeg. Indeling van zijn kamers bij die kluft had ook Pieman’s uitgesproken voorkeur. Vooraan de Oosterweg, zoals gezegd langs de Houtzagersteeg en de Griffe, stonden immers nog meer nieuw gebouwde woningen en die bevonden zich in noodgevallen zoals geboorte, ziekte en overlijden het dichtste bij. Pieman verzocht de heren daarom of ze zijn kamers bij de eerste naberschap wilden indelen en of ze het gebruik van de door hem geprefereerde route voor het vervoer van gestorvenen, ‘als zijnde het naaste kerkpad, wilden bekrachtigen.

Piemans verzoekschrift werd meteen na de indiening in handen gesteld van een raadscommissie onder leiding van Burgemeester van Iddekinge, de luitenant-stadhouder en veruit de machtigste Groninger regent. Vlak voor de ‘bonenkeur’ of regeringswisseling van februari 1769, ruim tien maanden later, was deze commissie klaar met haar werkzaamheden en bracht ze rapport uit aan het volledige stadsbestuur. Dit nam het besluit dat Pieman’s kamers voortaan – anders dan Pieman wilde – onder de middelste naberschap aan de Oosterweg zouden horen en dat de overledenen uit die kamers via de Witlattensteeg ter begrafenis zouden worden gedragen, welke steeg dus als kerkepad dienst zou doen. Jammer genoeg gaven de heren geen motivatie voor deze keuze, daar blonken ze wel vaker niet in uit, maar wellicht heeft het feit dat de eerste naberschap al wat groter was dan de tweede en wat meer dragende mannen omvatte, er een rol in gespeeld.

Een raadsdienaar werd naar de Oosterweg gestuurd om het besluit van het stadsbestuur officieel mede te delen aan de oudste naburen van de middelste naberschap, d.w.z. de mannen van wie het in dit soort gevallen afhing of er een buurtvergadering werd belegd. Deze oudste naburen waren Jan Willems Cramer (vermoedelijk een kleine handelsman), Willem Keizer (de derde moesker van de oostzijde van de Oosterweg) en Tonnis Willems (de tweede moesker aan de westkant), al met al lieden die letterlijk (vanaf hun hogergelegen geografische positie, tegenwoordig tussen de Kroeg van Klaas en Wah Hing) en figuurlijk (qua stand) neer moeten hebben gekeken op de armoedzaaiers die de lager gelegen hoven langzamerhand gingen bevolken, waarmee ik maar wil aangeven dat er ook wel eens een sociaal aspect aan hun onwil kan hebben gezeten. Want men legde zich niet neer bij de beslissing van de heren. Het duurde niet lang of de ‘volmachten (woordvoerders) van de tweede kluft kwamen onder aanvoering van Cramer op hun beurt met een verzoekschrift ten stadhuize, waarin ze het stadsbestuur vroegen om de benoeming van een nieuwe commissie ter heroverweging van het besluit. Zo’n commissie kwam er niet. De heren hadden blijkbaar weinig zin om op het besluit terug te komen lieten dit rekest rustig aan de spijker hangen.

Dat betekende niet dat de middelste naberschap het hoofd in de schoot legde, zo bleek ruim een jaar later (voorjaar 1770), toen zich daar tot twee maal toe een sterfgeval voordeed – o.a. van een kind dat in de Oliemolensteeg in de kost was en daar aan de pokken bezweek – en de kamerbewoners van de Witlattensteeg niet uitgenodigd werden voor het verrichten van de naberplichten en het bijgevolg ook niet voor de drinkgelagen achteraf waarop traditioneel halve en kwart tonnen kluin werden geconsumeerd. Pieman kwam toen andermaal op voor zijn huurders en vervoegde zich opnieuw met een klacht bij de heren, die wederom een raadsdienaar op de tweede kluft afstuurden met de boodschap dat men andere maatregelen zou nemen als het niet afgelopen was met die halsstarrigheid.

Deze raadsdienaar stapte naar Pieter Takens, de eerste moesker aan de westzijde van de Oosterweg, die fungeerde als ‘breukmeester´ (inner van entreegelden plus boetes, kasbeheerder) van de tweede naberschap. De raadsdienaar kreeg van Takens te horen dat diens kluft ‘finaal’ weigerde om aan het door de heren genomen besluit te voldoen.

En dat betekende hommeles. De heren vonden het nu welletjes met dat eigenwijze volkje buiten de Oosterpoort en vroegen hun ‘fiscaal (officier van justitie) een gerechtelijk onderzoek in te stellen naar deze ‘disobediëntie (ongehoorzaamheid).

De fiscaal ontbood Takens voor een verhoor. De breukmeester ontkende zich in gemelde termen tegen de raadsdienaar uitgelaten te hebben. Persoonlijk kon het hem weinig schelen bij welke naberschap Piemans kamers aan de Witlattensteeg nou eigenlijk hoorden, maar zijn eigen naberschap was in elk geval de mening toegedaan dat ze die kamers er niet bij konden hebben, omdat ze de doden uit die kamers dan over een ‘pendam (schutdam in een sloot) en een plank moesten dragen, inderdaad nogal een hachelijk karwei met die combinatie van draagbaar en doodskist. Dat Piemans kamers tot de eerste kluft behoorden stond voor de buren van de tweede kluft buiten kijf, want de buren van de eerste hadden ‘het geld van intrede van de kamerbewoners gevraagd en bovendien waren de nabervrouwen uit die kluft ook bij een kraamvrouw in een van Pieman’s kamers geroepen.

Het relaas van de raadsdienaar en het verhoor van Takens door hun fiscaal gaf de heren van het stadsbestuur aanleiding om te laten merken dat het hun menens was. Ze bevestigden hun eenmaal genomen besluit nog eens definitief, waarbij ze ‘een ieder die sulks mag aangaan gelastten ‘aan het selve te obediëren en sig stiptelijk daar na te reguleren’.

Breukmeester Pieter Takens werd wegens ongehoorzaamheid veroordeeld tot een daalder boete, die hij binnen acht dagen aan ‘de gemene armen’ diende te voldoen. Getuige een kwitantie en een post in de diaconierekening betaalde Takens juist op tijd. Van enigerlei problemen bij de buiten-Oosterpoorter naberschappen is nadien geen sprake meer.

Harry Perton

Eerder in iets andere vorm verschenen in De Oosterpoorter van ? 1994. Met dank aan mijn ‘oomzegger’ E. voor het uittypen van de digitaal zoekgeraakte tekst.

Advertenties

One Comment on “Kluftenstrijd rond de Witlattensteeg”

  1. Jos Rietveld schreef:

    Man-man, wat ’n bult spannende informatie. Terechte dank aan ‘oomzegger’.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s