Hoe Dwingeloo leerde wat kunst was

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Nee, mooi kan ik het nog steeds niet vinden. De schilder, een J.O. Verduijn of J. Overduijn, had weinig kaas gegeten van perspectief en bracht zijn verf nogal dun op, maar dat is nog het minste verwijt, want Ploeg-schilders nemen we zoiets ook niet kwalijk. In dit geval lijkt het er echter op dat er meer een tekenaar dan een schilder aan het werk is geweest. Hij heeft alle objecten keurig omlijnd: de boerderij, de hooibulten, de boomstammen en de paaltjes langs en in het weiland. Terwijl hij het gras tamelijk liefdeloos met snelle horizontale vegen aanbracht, net alsof er zojuist een storm overheen ging.

Mooi vind ik het doek dus absoluut niet, maar er zitten wel verhalen aan vast. Mijn ouders kregen het bij hun huwelijk, eind 1952, van de heer en mevrouw Benus. Zij waren de buren van mijn grootouders in Dwingeloo, d.w.z. zij bewoonden de andere helft van de twee-onder-een-kap als huurders van mijn grootouders. Meneer Benus, afgaande op zijn naam waarschijnlijk afkomstig uit de Veenkoloniën, was onderwijzer in Dwingeloo, later hoofdonderwijzer in Geeuwenbrug. Van hem en zijn vrouw heet het dat ze bijzondere liefhebbers waren van mijn grootmoeders groentesoep. Zij hadden het schilderij gekocht van een van de kunstenaars uit het westen, die ’s zomers op uitnodiging van het burgemeestersechtpaar Stork naar Dwingeloo kwamen, althans, zo weet mijn moeder er altijd bij te vertellen.

Het werkje stelt voor een boerderij op de Weijert bij Dwingeloo. Later is deze boerderij verbrand en sinds de jaren 70 of 80 ligt er een nieuwbouwbuurt. Toen er een paar jaar geleden een tentoonstelling van Dwingeler dorpsgezichten was in het voormalige gemeentehuis van Dwingeloo, stuurde mijn moeder dit schilderij niet in. Wel liep daar een vroegere bewoner van de boerderij rond, die er navraag naar deed en zo viavia bij mijn moeder terechtkwam. Met tranen in de ogen aanschouwde hij zijn ouderlijke huis. Hij wilde het doek heel graag kopen. Maar mijn moeder wilde het niet kwijt. Wel stond ze toe dat er een kopie van gemaakt werd, waarmee de voormalige bewoner ook heel gelukkig was. Zodat er nu twee versies van het wangedrocht bestaan.

Overigens klopt het dat destijds kunstenaars uit het Westen naar Dwingeloo kwamen. Dat was tenminste zo in de zomers van 1951 en 1952. Er ging de mare rond dat ze met schilderijen voor hun logies moesten betalen, maar dat bleek onwaar. Desondanks was het zoeken naar onderdak voor ze meegevallen, aldus de vrouw van burgemeester Stork:

“Je doet natuurlijk, als altijd, de ervaring op, dat je niet steeds het meeste succes hebt bij degenen, die er materieel het beste toe in staat zijn. Mijn man en ik doen ons best de mensen ervan te overtuigen, dat kunstenaars gewone mensen zijn als zijzelf, dat ze voor hen niet de minste omslag behoeven te maken en dat er niets anders van hen verwacht wordt, dan dat ze bij de vier, vijf of meer borden er één bijschuiven.”

Volgens mevrouw Stork viel er eerst wel enig “wanbegrip” te overwinnen:

“Kunstenaar is niet alleen voor eenvoudige lieden nog al te vaak het synoniem voor iemand, die onmaatschappelijk is en het zo nauw niet neemt.”

Maar achteraf was alles reuze meegevallen:

“Gelukkig wel. De vier kunstenaars, die verleden jaar hier zijn geweest en de eersten van de minstens twaalf, die dit jaar zullen komen, kwamen uitstekend terecht. Er is algemene tevredenheid van weerszijden.”

Dat achtte mevrouw Stork ook in kunstpedagogisch opzicht van groot belang, want

“Als je ziet wat de mensen nog altijd aan hun wanden hangen aan „schilderstukken”, waarvoor ze soms nog heel wat betalen, dan begrijp je, dat er op dit gebied nog heel wat te verbeteren is, al heeft de actie van de Bond van Plattelandsvrouwen en het werk der Landbouwhuishoudscholen inzake woninginrichting al veel goeds gedaan.“

Er hing dus voor het zegenrijke logies kwalitatief nog heel wat inferieurder spul in de Dwingeler huiskamers, dan dit schilderij van mijn ouders!

De Dwingeler regeling voorzag ook bij de kunstenaars zeker in een behoefte, want in totaal kwamen er in de zomer van 1952 achttien uit westelijke steden naar Dwingeloo. Bij de Dwingeler landbouwtentoonstelling van 1953 zou er een expositie van hun werk zijn, maar daarover vond ik geen bericht.

 

Advertenties

5 reacties on “Hoe Dwingeloo leerde wat kunst was”

    • groninganus schreef:

      De tentoonstelling was dus niet in 1953, zoals aangekondigd, maar in 1954, en niet in Dwingeloo maar in ’s Graveland. Ook blijkt uit het stukje dat de kunstenaars na 1952 nog steeds naar Dwingeloo kwamen. Bedankt!

      • Hendrika schreef:

        Oh, ik dacht dat ik een reactie had geplaatst, nog maar een keer. De tentoonstelling was wel in 1953 in Dwingeloo, zie de laatste alinea van het artikel in De Tijd. Vervolgens een herhaling in 1954 in ’s Graveland. Was ik nog vergeten te zeggen dat het een mooi achtergrondverhaal is van dit familiebezit.

  1. H. Torenbeek schreef:

    In mijn ogen, en ik ben bepaald geen ‘Kunst-Kenner’, zou dit ‘volks-kunst’ zijn. ( 1911 ?)
    Niet bepaald Altink of Erelmans, maar desalniettemin lieflijk en destijds plaatselijk herkenbaar.
    Om dit een ‘wangedrocht’ te noemen is hoogst beledigend.

  2. Wieneke schreef:

    Ach, mooi of lelijk….. wat kun je er eigenlijk mee? De een vindt iets geweldig en de ander staat ervan te griezelen. In dit geval gaat het toch zeker om het interessante verhaal erachter.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s