‘Coniferen der wetenschap’, of de afkalving van het Gronings in ‘de betere kringen’

En dan zie je in zo’n Groninger brief van Molleboon, anno 1932 in De Gooi- en Eemlander, opeens een paar streektaalsociologische aperçu’s, die je ergens anders niet zo gauw zult aantreffen. Waar deze correspondent spreekt over verhaspelingen van moeilijke woorden door Groningers, merkt hij op:

“Ik bedoel hier natuurlijk de eenvoudige Groningers, die zich van hun dialect bedienen, dat in middenstandskringen bijna niet meer wordt gehoord, alhoewel het zich daar nog langen tijd heeft gehandhaafd, zij ’t niet zuiver. De Groningsche kooplieden en handelaren van de nu bijna uitgestorven generatie spraken een merkwaardig taaltje. Een mengelmoes van dialect en beschaafd Nederlandsch. Zij zeiden niet huis, ook niet hoes, maar huus. Zoo tusschen beiden in dus.

Ik herinner me, dat ook in de Raadsvergaderingen dat eigenaardige dialect werd gesproken. Zoo bijv., hoe een achtenswaardig lid van het koopmansgilde als zijn meening te kennen gaf, dat de gemeente een zeker ambtenaar moest „wegrecommandaieren”: Meneer de veurzitter, we mouten die meneer wegrecommandaieren….

Datzelfde raadslid sprak ook van de coniferen der wetenschap. Het woord corypheeën was hem te moeilijk. Zoo constateert de volksmond, dat een deur wiedewaogen (wagenwijd) openstaat, dat de seneraode (serenade) der studenten weer leuk is geweest, dat de serenen (seringen) bloeien, dat iemand kop-over-hals (hals-over-kop) de vlucht neemt, of in de Agrikolen- (Agricola)straot woont. (…)

Het dialect verdwijnt, zooals gezegd, langzamerhand geheel uit de z.g. „betere” kringen.”

In het derde kwart van de negentiende eeuw spraken adel en patriciaat in Groningen nog zo plat mogelijk. Je kunt veronderstellen dat nadien de streektaal in deze kringen minder in tel was, anders zou zo’n observatie rond 1930 niet zijn gedaan. De Groninger kooplui en handelaren van eind negentiende eeuw moeten de upper class zijn gevolgd in het afzweren van dialect. Zij spraken rond 1900 nog een soort van mengtaal tussen Gronings en ABN. Maar dat was (ruim) een kwarteeuw later blijkbaar ook weer een gepasseerd station.

Advertenties

4 reacties on “‘Coniferen der wetenschap’, of de afkalving van het Gronings in ‘de betere kringen’”

  1. Martin Hillenga schreef:

    Mijn buurman ging op vakantie met het busje. ‘Ik zai wel woar ik uutkom. Op de boulevard zeg mor.’

  2. Wieneke schreef:

    Waarom kent het Nederlands eigenlijk de ‘ij’- en de ‘ui’- klank? Wie geen ABN spreekt, maar een of ander dialect, maakt er altijd iets anders van.

  3. anoniem schreef:

    Een Fries verraadt zijn Friese afkomst in het Hooghaarlemmerdijks door af en toe “nou” te zeggen als hij/zij iets verklaart, een Groninger doet dat door vaak het werkwoord :hebben” te gebruiken ipv “zijn” zoals in “Ik heeft daar vaak geweest”. Noorderlingen in het algemeen (misschien wel allen die Saksisch dialectisch zijn opgevoed, plaatsen continu het hulpwerkwoord achter het werkwoord, Hollanders zetten het er voor. Zelfs in het Nederlands vind ik een verhaal van een noorderling iets gekunstelds hebben als het op de manier van West Nederland wordt geschreven, “gemaakt hebben” klinkt authentieker dan “hebben gemaakt” , er verdwijnt een deel van de noorlderlijke charme als je het in correct ABN schrijft. Maar “ik heeft naar de dokter geweest” nee, dan liever: “ik ben noar dokter west”. Klinkt een stuk huiselijker en vertrouwder dan verhaspeld ABN. Reina


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s