„Leive God! Altemoa’l steêrns en vergeet-mie-neidies!” Bommen Berend in 1883

 

Otto Eerelman - Harddraverij op de Korreweg. Collectie Museum Nienoord.

Otto Eerelman – Harddraverij op de Korreweg. Collectie Museum Nienoord.

Hoogst ironisch mag het heten, dat Groningens Ontzet (Bommen Berend in de volksmond) vandaag op een lijst van ‘immaterieel erfgoed’ wordt geplaatst. Dit gebeurt immers op een moment dat het volksfeest zo goed als dood is. Dankzij onze D66-wethouder krijgen ambtenaren en onderwijzers er niet meer voor vrij en onze steeds meer van haar wortels losgezongen universiteit wil er ook niet meer aan doen.

Hoe anders was dat in 1883, toen het feest als geformaliseerd volksfeest bijna een halve eeuw bestond, en het woordenpaar ‘Bommen Berend’, voor zover bekend, voor het eerst een krant haalde. Dat gebeurde in het Algemeen Handelsblad, waarin de Groninger kweekschool-leraar Charles François van Duijl (Zierikzee 1847 – Groningen 1906) een serie schetsen over Groningen schreef. Volgens Van Duijl liepen de Ommelanden op de 28-ste zo’n beetje leeg voor een feest, waarop ook toen al peerdespul en vuurwerk de hoogtepunten vormden:

“…en zoo heeft Groningen zijn „Bommen- Berend”. Bommen-Berend — met alle respect overigens voor ’s mans hooge waardigheid, die weinig in harmonie was met dezen spotnaam, dien de Groningers hem gegeven hebben — was niemand minder dan de ongelukkige prelaat van Munster, Barend Van Galen, die in 1672 — „’t Rampjaar” noemden we dat op school — zijn bisschoppelijk hoofd stiet voor de stevige wallen, zaliger gedachtenis, van ons goede Groningen. En ter eere van de builen welke de man bij die gedenkwaardige gelegenheid opliep, vieren we nog elk jaar een gloeiend feest, dat door de heele provincie bekend is als ’t feest van den acht-en-twintigsten Augustus, „’t Stadsfeest”, zooals de buitenlui ’t gewoonlijk noemen…. (…)

We vieren dus feest, zei ik, op dien gedenkwaardigen dag van Augustus en een eigenaardig feest is het zonder twijfel, dat van alle kanten de bevolking der Ommelanden naar „stad” lokt. „Stad” — tusschen twee haakjes, de Groningers zijn zuinig op hun tijd en gebruiken niet graag vijf woorden, als ze ’t met drie af kunnen, zoodat het lidwoord in vele gevallen als eene overtollige weelde wordt beschouwd. — „Stad” is, door ’t heele Groningerland heen, natuurlijk de hoofdstad der provincie, ja, ‘k herinner me zelfs; hoe eens op een ouderwetschen tocht door Friesland, tamelijk ver over de grenzen, een Friesche boer in de diligence stapte en me vertelde, dat hij mee naar „stad” ging, waarmee hij Groningen bedoelde …..

Als ik zei dat op den acht-en-twintigsten Augustus de Ommelanden leeg loopen, zou ik, zou ik niet van overdrijving vrij te pleiten zijn (…). Maar dat neemt toch niet weg, dat van heinde en ver gansche scharen feestgangers zich opmaken naar het algemeene middelpunt der provincie. Zoowel het „Westerkwartier” als het „Hoogland”, zoowel ’t Oldambt” als de “Veenkolonies” gieten hunnen menschenvloed uit over het plaveisel van onze stad; Friesland en Drente leveren zelfs hun contingent. Van „gieten” gesproken : ook de hemel laat zich in den regel niet onbetuigd en een acht-en-twintigste Augustus heelemaal zonder regen is inderdaad eene bijzonderheid. (,,,)

Groningen is op den acht-en-twintigsten Augustus van den vroegen morgen tot den laten avond in feestdos gehuld; dat wil zeggen: er wapperen vlaggen op de torens en uit de huizen, iets, dat meer zegt dan men denkt; want over ’t geheel zijn we hier zuinig met onze driekleur en we klimmen niet spoedig naar boven om een vlaggestok uit te steken. Enfin,… „’t is er gelieke goud om” en een Noorman brandt van binnen, al is hij oogenschijnlijk van buiten een beetje koud en al hangt hij zijn geestdrift nu niet precies het venster uit, wat overigens onder eenen regenachtigen hemel ook niet raadzaam zou zijn….

Zoodra de eerste treinen van oost en west het station binnenstoomen, in den vroegen voormiddag reeds, neemt de vreugde een aanvang; want volgens het eerste nommer op het programma worden de feestgenooten van buiten met muziek ingehaald, een „doffien” (buitenkansje) in de eerste plaats voor alles, wat ’s heeren straten als zijn particulier domein beschouwt, speciaal voor den „bakjongen” en zijne geestverwanten, die, vol enthusiasme, voor de muziek uit marcheeren en wier natuurlijke geest gelegenheid vindt zich op menigerlei wijze te uiten. (…)

Niets is voor den vreemdeling eigenaardiger dan het kortaf gebroken, half doorgeslikte geluid, dat zich een weg baant door eene nauw merkbare mondopening en dat zich van tijd tot tijd uitzet tot een klank, zóó breed en zóó vol, dat men zich met verbazing zou afvragen, waar hij vandaan kwam, als men niet tegelijkertijd op den lumineuzen inval kwam, dat een mensch twee neusgaten heeft en dat alles, wat niet door den mond naar buiten kan komen, noodwendig door den neus een uitweg moet zoeken…. Niets eigenaardiger, maar ook niets onverstaanbaarder voor den „baar” dan het plat-Groningsch, dat zijn domein mettertijd ziet afnemen, maar dat, nog niet zoo heel veel jaren geleden, haast onbeperkt heerschappij voerde. Ik herinner me uit mijn „baartijd” bijvoorbeeld nog altijd met preutsche ontzetting, welk een verheven idee ik kreeg van de Groninger schutterij en met welke kalme geruststelling ik de toekomst van Nederlands schatkist tegemoet zag, toen ik bij het schijfschieten een man uit het volk hoorde beweren: „De schutters schijten goud” (de schutters schieten goed). (…)

Maar we dwalen af. We zouden over den acht-en-twintigsten Augustus spreken. Niet alleen per spoor, maar ook per as trokken honderden op ter bedevaart naar het „vanouds gerenommeerde” feest. Zie maar eens buiten de A-poort en aan ’t uiteinde der Nieuwe Ebbingestraat, waar een ontelbaar aantal boerenrijtuigen gansche rijen vormen in de nabijheid van drukbezochte uitspanningen. Zelfs wie per spoor kan komen, verkiest dikwijls zijn eigen „gerij” boven dat van de Exploitatie-Maatschappij. Want voor menigeen heeft dat rijtuig eene eigenaardige beteekenis. Ziet ge, er komen met het feest zooveel „nuvere wichter”‘ (mooie meisjes) in „stad”, en wie per spoor reist is aan zijn tijd gebonden, terwijl de gelukkige die een eigen „spul” bezit, — „mout ie wijten” — precies zoo laat kan vertrekken, als hij wil . En de „wichter“!!.. Nou…, dat dank je de drommel!”,,,,,

Groningen bezit voor zijnen feestdag eene feestcommissie, die verstand heeft van feestcommissies. Dat moet gezegd worden! En men moet ook getuigen, dat ze haar best doet, om zooveel mogelijk afwisseling te brengen in het jaarlijksch wederkeerend programma. Maar er zijn zoo van (…) heilige tradities, waarin men alleen het ontleedmes zet met een bloedend hart, en die de achterdeur binnenkomen, als men ze de voordeur uitjaagt. Daarom eerbiedigt ieder ook de overgeleverde gebruiken der vaderen, en kan een acht-en-twintigste Augustus onmogelijk compleet zijn zonder een „keuring van chaispaarden” en een „harddraverij.” Neem de harddraverrj weg en ge berooft Groningen op dien gedenkwaardigen zomerdag van de helft zijner feestvierenden. ’t Is niet zoo zeer om de stadtjirs, als wel om „de luu van boeten“, ofschoon de „stadtjirs meugen ’t ook wel, en können er zich ijbals best in schikken”.

De harddraverij is in elk geval een der glanspunten van het feest, Ze wordt gehouden op een rechte baan van grint, op den Korreweg, buiten de voormalige Ebbingepoort. Ter weerszijden strekken zich de groene weiden uit, waaraan onze stad haren naam te danken heeft, volgens de hedendaagsche geleerden (…) Op den 28en Augustus herinneren onze „malsche weiden” vrij geregeld aan het bekende beeld van Tollens, die in ons vaderland een „ongekend kleinood” ziet, dat „uit wier en dras geweld” is. De wateren des hemels, en de zware voetstappen der liefhebbers voor de harddraverij, veranderen dan het woelige gras in eenen modderpoel, waarin een ordinair (= gewoon HP) mensch, die zijn schoenpoetser, zijn pantalon en zijn gemoedsrust boven alles lief heeft, zich dan alleen waagt, wanneer hij er kinderen op na houdt, die niet ophouden te dwingen tot vaderlief zijn watervrees overwint en uittrekt, om zich door eene onmogelijk dichte en woelige menschenmassa te werken, ten einde eenige paarden, met schreeuwende pikeurs bevracht, naast elkander om het hardt te zien loopen.

Een dood ordinair mensch zeg ik. Maar alle menschen zijn niet ordinair. Er zijn ook liefhebbers die modder, regen, en elleboogstooten trotseeren; die urenlang met een gedrukte Iijst in de de hand elke beweging der beroemde harddravers volgen. Die — al kennen ze ook niet den minsten hartstocht in het dagelijksch leven — blaken van hartstocht als „Graaf Adolf” zijn mededinger vooruitschiet, of als de pikeur met zijn fluweelen buis en zijn „körte boksen”, door eene behendige manoeuvre erin slaagt zijn minder uitgeslapen concurrent te verschalken….. En dan de kampritten! Zie die oogen, zie die uitgestrekte halzen! Zelfs de lippen van den belangstellenden toeschouwer bewegen zich op de maat van den draf der snuivende paarden….. „Tweimaol kamp, mien laive man!” klinkt het in onze nabijheid….. „’t Zêl er om bantjen, Knêlsoom!” luidt het antwoord….. „Wel verdold! De broen verlust ‘t, dat spiet mie euvels !”….. „Nog neit!“….. „Wel, Christiaan piepenbakker en geen ênde! Hij het ‘om!

Naar het leven is ook de volgende teekening: Over het touw, dat de toeschouwers van de baan scheidt, hangt een vleeschmassa met een pet op, met een gelaat, door de zon gebrand, maar dat geen enkelen plooi vertoont, die getuigt van bewust geestesleven. De gestrekte hals, voor zoover er een hals aanwezig is, geeft alleen blijk van belangstelling in wat er omgaat. De bolle wangen staan nog boller door een geweldige tabakspruim. Er zal een kamprit gehouden worden, en de rollade met de pet op heeft haar hart gezet — voor zoover bij een rollade van een hart gesproken kan worden — op de „Poep”….. Poep — o beminnelijke lezeressen — is een geliefde paardennaam die — Bismarck zal er wel geen casus belli van maken — tevens niet onduidelijk zinspeelt op de (Duitse, HP) afkomst van het edele ras in quaestie. De paarden vliegen de baan op en, helaas, de uitverkorene van onzen belangstellenden toeschouwer blijft reeds bij den aanvang een paar handbreedten achter. Hij wordt warm, zijn gemoed raakt in beweging, zijne aandoeningen beginnen zich te uiten. Niet evenwel als bij een gewoon mensch, door ’t schitteren der oogen of het trillen der neusvleugels, om in roman-stijl te spreken. Neen, zijn gansche ziel heeft zich verstopt in de tabakspruim, die, naarmate het eene paard het op het andere wint, telkens sneller van de eene zijde naar de andere wordt geworpen, waarbij de mond, gedurig hartstochtelijker, de woorden uit: „Rakst’ om kwiek, rakst’ om kwiet, rakst’ om kwiet” — en eindelijk als de wedstrijd onherroepelijk verloren is, en het signaal de victorie der tegenpartij verkondigt, vliegt ’s mans ziel met pruim en al den breeden mond uit, onder den wanhopigen uitroep: „Bist om kwiet, voor den duvel!

Maar we hebben ons reeds te lang opgehouden bij de „baan“. We werken ons met groote moeite heen door de dicht opeengepakte menschenmassa, voor nog de plechtige optocht een aanvang neemt, die de overwinnaars naar de plaats der bekroning zal leiden, en die geopend wordt door een muziekcorps, om natuurlijk op echt Hollandsche wijze gesloten te worden met een feestmaal…..

Intusschen maakt al wat gesteld is op een mooi plaatsje onder de „verandah”, zich reeds op naar de Harmonie. Wat onze Harmonie is voor het feestvierende Groningen, behoeft zelfs een’ vreemdeling niet gezegd te worden; maar wat de „verandah” is voor de Harmonie zal hem duidelijk worden, wanneer hij bedenkt, dat de Noord- Nederlandsche hemel zich in den regel weinig bekommert om feestvierende menschen en nieuwe dameshoeden. Een zee van licht ontvangt de samenstroomende menigte. Want zoodra de Augustuszon onder de kim gedoken is, worden de lichtjes ontstoken en flikkeren de heldere gasvlammen naast het rustige matte schijnsel der Venetiaansche lantarens. Ons uitstekend orkest doet zijne welluidende tonen ruischen door de toppen der kastanjes en wanneer de roode gloed van het Bengaalsch vuur van tijd tot tijd opflikkert, verlicht hij een tooneel, dat zelfs den zwartgalligsten pessimist tot een vergenoegden glimlach moet verleiden….. (…)

En nu het bouquet van ’t feest! Tegen half tien stroomt de Harmonie leeg, want dan begint het vuurwerk op de Groote Markt, en ofschoon het vuurwerk een nommer op ’t programma is, dat ieder jaar terugkeert en uit den aard der zaak weinig variatie kan aanbieden, laat het nooit na eene ontelbare schare te lokken, die zich letterlijk verdringt rondom het ruime plein, dat het hart vormt van onze stad. Moet ik u dat vuurwerk beschrijven ? Zal ik spreken van de talrijke zwermpotten, van de menigvuldige vuurpijlen, van de prachtige cascades en vallende sterren, die voor een oogenblik eene golvende zee van menschenhoofden verlichten, om onmiddellijk daarna het geheel in nachtelijke duisternis te hullen?…. Als ik oprecht mijne meening zeg, dan moet ik eerlijk bekennen, dat veel meer dan de fraaiste lichttempel met zijn tooverachtige kleuren, mij de volksmassa boeit, die zich half dood drukt, om toch maar een vlammetje meer te zien dan er vertoond wordt; dat ik alle vuurpijlen cadeau geef voor de naïeve woorden van een vrouw uit het volk, die hare bewondering niet beter weet uit te drukken dan door in extase uit te roepen : „Leive God! Altemoa’l steêrns en vergeet-mie-neidies!

De laatste vuurpijl is verschoten; langs alle straten, die op de Groote Markt uitmonden, vervloeit de volksmenigte; de Harmonie vult zich weer, want daar is het programma nog niet afgespeeld, en daar zijn alle kurken nog niet gevlogen. En op de Markt begint de nationale geestdrift zich te uiten in kruitontploffingen, want na het Vuurwerk heeft ieder verlof „zwerms” af te steken. Maar we merken dat ook onze geestdrift ontploft is — wat trouwens na zulk een roerigen dag niet te verwonderen is — en we gaan met vakerige oogen naar huis, om onder de dekens uit te rusten van de vermoeienissen. Morgen komt er weer een dag, en aanstaande jaar, bij leven en welzijn, is er weer feest!”

Bron: ‘Groninger schetsen door C.F. van Duijl, IV – De acht-en-twintigste Augustus’, Algemeen Handelsblad 27 augustus 1883.

 

Advertenties

9 reacties on “„Leive God! Altemoa’l steêrns en vergeet-mie-neidies!” Bommen Berend in 1883”

  1. Zakina schreef:

    Gelukkig is mijn zoon (op de lagere school) nog steeds vrij, maar het is jammer en een gemis, dat ze er niet meer zo’n feestdag van maken

  2. Martin Hillenga schreef:

    Misschien moest het daarom maar een nationale feestdag worden.

  3. H. Torenbeek schreef:

    Gefeliciteerd met de Feestdag!
    Op de link naar ‘vandaag’ toont een dame in een koets, Prinses Wilhelmina wellicht?
    Degelijk familietrekken…… 🙂

  4. Emigrant schreef:

    Een prachtig beschrijving!

  5. anoniem schreef:

    Bij dezen teken ik bezwaar aan tegen het noemen van “de 28e” naar “Bommen Berend”, Bernard, Prins en bisschop van Münster. Een feestdag om de bevrijding te gedenken noemen naar de vijand/bezetter is van de zotte. Den Briel noemt 1 april geen Alvadag en ik moet er niet aan denken dat over een eeuw of zo de 5e mei naarde naam van de man met de zwarte snor en spuuglok zou worden genoemd. Nee, Bommen Berend was de vijand en sinds het journaille en de studenten de ” 28e” naar hem zijn gaan noemen is het volgens mij met het vieren van dat feest en de daarvoor verleende vrije dag bergafwaarts gegaan. Reina

    • Zo is het Reina. Het is schandalig dat de naam Bommen Berend aan de ’28ste augustus’ wordt gegeven, dat er een hardloopevenement naar wordt genoemd en dat in Stad een restaurant is met de naam Bommen Berend. Kortweg: we noemen 5 mei toch ook geen Adolf Hitler!


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s