Relatief een Eldorado, anno 1944

Bij de allereerste bijeenkomst van de Historische Vereniging Havelte, voorjaar 1990, hield een voormalige verzetsman een lezing, waarbij hij de opmerking maakte dat de gemengd gehuwde joden, die in de oorlog als dwangarbeiders aan het Duitse vliegveld te Havelte moesten werken, alleen in Nijeveen en Meppel op de koffie werden uitgenodigd. Met andere woorden: in Havelte waren ze niet welkom – omdat de bewoners van dat dorp te bang waren, of misschien zelfs te meegaand met de bezetter.

Een paar weken na die bijeenkomst, namelijk op 4 mei 1990, werd op de TV een documentaire uitgezonden: Westerbork, kamp van hoop en wanhoop. Mijn vader herkende een van de getuigen die in dat programma optraden. Deze man liep op een zomerdag in ’44 min of meer verdwaasd de Havelter Dorpsstraat op en neer en was ter kalmering door mijn grootvader in huis gehaald, waar hij ook de hele middag bleef. Blijkbaar gold dat verhaal van de verzetsman toch niet iedere Havelter. Mijn vader wist er ook nog bij te vertellen dat die getuige schoenhandelaar geweest was in de Groninger Herestraat.

Naderhand las ik het boek dat Willy Lindwer naar aanleiding van genoemde documentaire maakte. De man op wie mijn vader doelde was de ooit zeer bekende violist Benny Behr, die inderdaad in 1944 enige maanden in kamp Havelte verbleef, alvorens hij naar Westerbork gestuurd werd.

Een poos later had ik een gesprek met Bennie Behr, die toen 81 was. Uiteraard vroeg ik hem hoe de omstandigheden in kamp Havelte waren, hoe het gesteld was met de gastvrijheid van de Havelters in het algemeen en of hij zich dat oponthoud in de Dorpsstraat nog kon herinneren.

Hij deed me het volgende verhaal:

“Ik speelde in de G.O.V., de Groninger Orkest Vereniging, maar ben in 1937 naar Amsterdam verhuisd, omdat je in het westen als muzikant veel meer en betere engagementen kon krijgen. Vlak na de bezetting, in juni 1940, ben ik teruggegaan, want ik zag in Amsterdam de bui al hangen. In Groningen kwam ik in de Folkingestraat te wonen, dus midden in de jodenbuurt. In ’42 hebben ze daar iedereen weggehaald, ook mijn familie. Ik heb ze weg zien gaan, dat vergeet je niet.

Gemengd gehuwde joden, dat waren hoofdzakelijk mannen, maar de Duitsers maakten daar onderscheid in. Er waren twee groepen: die zonder en die met kinderen. Die zonder kinderen werden net als de anderen weggehaald. Als je wel kinderen had, werd je gesperrt en kreeg je een persoonsbewijs met een nummer boven de 100.000.

Er waren maar weinig gemengd gehuwden met kinderen in Groningen en onderling was er niet veel contact. Wij waren zogenaamd vrij. We moesten alleen op straat wel een ster dragen en mochten ook niet veel doen. Maar de kinderen zaten wel op school.

Doordat ik niet veel te doen had, kwam ik ook niet veel op straat. Tot midden april ’43 heb ik nog wel in Hotel Baulig in de Herestraat gespeeld, in de hotelbar, die heette ’t Luifeltje. Dat hotel was gevorderd door de bezetter, er woonden daar Duitse officieren. De baas van Baulig, Frans van Rossum, was voor de oorlog zo fout als wat, maar in de oorlog volstrekt anti-Duits. Hij had mij aangenomen; ik speelde er in een trio samen met Pippi Hart op viool en Henk Klompenhouwer op gitaar. Als we speelden zaten er in die bar altijd Duitse officieren, maar ook corpsstudenten. Er heerste daar altijd een gespannen sfeer.

Op een avond komt er een NSB-er binnen, Wagenaar, die was wel drie koppen groter dan ik en zegt tegen me: “En nu is het wel genoeg geweest hè”. Ik vroeg nogal onnozel: “Hoe bedoel je?” Hij: “Nou, je hebt dat bordje toch wel gelezen? Ik geef je vijf minuten”. De Duitsers keken toe en bemoeiden zich er niet mee. Ik ging naar boven en deed Van Rossum het verhaal. Van Rossum probeerde me nog tegen te houden: “Bennie, speel door.” Maar ik had daar weinig zin in en pakte mijn koffer. Toen ik naar buiten kwam stond er een hele haag van NSB-ers. Op dezelfde avond zijn ook Erwin Sander en Claire Hegedüs, twee Hongaarse violisten die in Hotel Willems speelden, eruit geknikkerd.

Later heb ik nog illegaal ’s avonds in de kroeg van de studentensociëteit Mutua Fides aan de Grote Markt gespeeld. Dat is toen verraden, want er waren ook foute studenten. Om één uur ’s nachts stond er toen een aantal NSB-ers voor de deur, maar die kwamen niet binnen. Er was een corpswet dat burgers er niet in kwamen en als ze d’r inkwamen dan sloegen ze die er uit. Ik kreeg toen van iemand een waarschuwing: “Bennie, je moet voorlopig hier blijven.” Even later kwam er een grote jongen naar me toe: “Ben je bang?” Ik: “Nee, maar ik wil niet opgepakt worden”. Die jongen heeft toen een groepje bij elkaar geroepen. Ze zeiden: “Laat je viool maar hier en kom maar tussen ons in mee naar buiten”. Bij de deur werd er door die NSB-ers gevraagd: “Studeer je?” Het antwoord was uiteraard ja en ik ben zo tussen die jongens in over de Grote Markt thuisgekomen.

Je was een parasiet als jood zijnde, een paria, een uitgestotene. Wat ik je nou ga vertellen, daar heb ik nachten niet van geslapen, daar heb ik een een trauma van opgelopen. Een collega van me zei: “Je moet je aangeven bij het Arbeidsbureau, dan keuren ze je en krijg je dertien gulden steun. Anders word je tewerkgesteld”. Goed, ik doe dat en op een middag moet ik in een school in de Peperstraat komen. Daar zitten allemaal gewone werklozen, geen joden, en er wordt gekeurd aan de lopende band. De dokter daar, een fouterik, laat me expres tot het einde wachten; na een paar uur ben ik als allerlaatste aan de beurt. Die dokter zegt: “Alles uit”. En toen ik daar spiernaakt stond riep hij zijn ‘assistentes’ binnen. Moet je je voorstellen: twee jonge meiden die naar je kijken en maar giechelen.

Ook van bet Arbeidsbureau, in opdracht van de SD, kwam het briefje dat ik op 15 maart 1944 in Meppel verwacht werd voor een keuring. Dat briefje kwam een week van te voren. Als ik goedgekeurd werd zou ik naar Havelte gaan om op het vliegveld te werken. Nee, er stond niet bij dat ik gedwongen was om er heen te gaan; er was geen stok achter de deur. Maar het werd wel zwaar opgevat. Mijn vriend en collega Sem Nijveen kreeg ook een oproep voor Havelte, maar die is ondergedoken. En ik weet nog dat ik bij mezelf dacht: “Daar ga je, Jan”.

We kregen een Reisegenehmigung, zeg maar een reisvergunning, en een gratis spoorkaartje. Onderweg werden we niet begeleid, nee. Ik had een rugzak mee met werkschoenen, een hele mooie witte overall en wat ondergoed en verder lepel, mes en vork. In Meppel zijn we dus met een hele hoop anderen, die overal vandaan kwamen, gekeurd door een dokter. Die keuring bleek een wassen neus: even naar je longen luisteren en dan was het goed.

Daarna zijn we naar Havelte vervoerd. De eerste nacht waren er geen bedden of niets en werd er stro gebracht; daar hebben we nog een paar nachten op geslapen. Later werd het beter en kwamen er bedden en matrassen.

In dat kamp zaten inderdaad gemengd gehuwde joden, maar ook bekeerde. Protestantse en katholieke, ze kwamen uit het hele land. Zo herinner ik me een dominee uit Utrecht, een man die wat ouwer was dan ik, hij zal een jaar of vijftig geweest zijn. Er was ook een groepje katholieke Duitse joden. Die wilden niet veel met ons te maken hebben en hielden zich wat afgezonderd.

Hoeveel mensen er in totaal gezeten hebben weet ik niet, want de vriend van mijn schoonzus zat er ook en die heb ik nooit gezien en hij mij niet. We lagen dus ver van elkaar. Laat bet in totaal vier à vijfhonderd man geweest zijn. Er was ook een afdeling in de Kop van Noord Holland, in dat andere kamp zaten er ook zoveel.

We moesten aan het vliegveld werken en ook aan een haven in Steenwijk. Ik meen vijf dagen in de week, dat in verband met de leiding die de weekenden vrij moest hebben. Er werden geen appels gehouden, nee. Wel werd er aangetreden in groepjes, voordat men naar het vliegveld ging. Maar er werden geen namen afgeroepen.

Op het vliegveld kwam het wel voor dat de bielzen de ene dag veertig meter verderop neergelegd moesten worden, waarna ze de volgende dag weer dan weer ergens anders heen moesten. Dat deden ze om je aan het werk te houden.

Die vriend van mijn schoonzus verzuchtte later soms: “Wat wij daar in Havelte gesappeld hebben…” Er zullen er inderdaad bij zijn geweest die hard gewerkt hebben. Vooral dat werk op die boten in Steenwijk, dat verslepen van die stenen, moet heel zwaar zijn geweest. Aan de andere kant werkte ook Benedict Silberman op die boten. Een teer mannetje met tere handen, waarvan ik me niet kan voorstellen dat die hard met die stenen gesjouwd heeft.

Nee, dwangarbeid in de strikte zin van het woord: daar heb ik niets van gemerkt. We moesten natuurlijk wel steeds werken. Als je lanterfantte en daarbij gesnapt werd moest je nog barder werken. Maar er werd pertinent niet geslagen, anders had ik dat wel geweten. Maar het was natuurlijk wel gedwongen arbeid.

Nou moet ik zeggen dat ik wat dit betreft ook niet de beste getuige ben. Ik heb zelf maar een paar dagen met bielsen hoeven lopen sjouwen. Twee jongens gingen voorop, ik liep in het midden en droeg bijna niks.

Na die paar dagen kreeg ik de kans om kamerwacht te worden. Op het kamp had je barakken, die waren gesplitst in kamertjes voor acht man en die veegde ik dan aan. Wat ik deed was meer een grapje, het was vrij gemakkelijk werk. Ik was als kamerwacht in het kamp bovendien zo vrij als een vogeltje in de lucht.

De organisatie en bet beheer van het kamp waren formeel in handen van de Organisation Todt, maar Duitsers heb ik er nauwelijks gezien. Misschien hielden twee of drie Duisters toezicht op het vliegveld, maar er waren veel meer Nederlanders: collaborateurs en bunkerbouwers die profiteerden van de goedkope arbeidskrachten. Het kamp stond zogenaamd onder leiding van een joodse kampcommandant, die verantwoordelijk was voor ons tegenover de Duitsers.

 Op een keer kwam er een man of vier, vijf van Todt een uurtje langs om het kamp te inspecteren. Ze waren al in de haven wezen kijken en ook op het vliegveld. Ik was alleen met nog een kamerwacht achtergebleven, de rest werkte buiten. Als die Todt-mannen bij de ingang van een bepaalde barak stonden, dan stond ik aan de andere kant, zodat ze mij niet zouden zien. Anders zouden ze gezegd hebben: wat doet zo’n jongen hier, zet hem maar aan het echte werk. Ik heb me dus gedrukt.

Hoe de stemming in bet kamp was? Over het geheel vrij goed, maar verdeeld. Dat hing een beetje van je karakter af. De een was optimistisch en de ander zat bij de pakken neer. Een kennis van me, een fagottist, ook in het gewone leven al somber, was daar helemaal een treurwilg. Ik zelf moet toen vrolijker geweest zijn dan nu. Een neef van me was ook kamerwacht en we zongen de hele dag.

We hebben in Havelte ook geen honger geleden. Het voedsel was er niet slecht, dat ging ging wel, in aanmerking genomen dat bet voorjaar 1944 was. Maar ik moet zeggen dat ik een hele kleine eter ben, ik gaf van mijn pelkartoffeln ook nog twee weg. Wat ik me verder aan bijzonderbeden herinner? Met die neef heb ik, hoofdzakelijk op zondagen, thee rondgebracht, voor een dubbeltje per kop. Anders kon je er geen thee voor weer kopen, want die thee was ook nog zwart. Mijn neef haalde die via via uit Groningen. Het werd grif afgenomen hoor.

Als je ’s avonds door de barak liep zag je de meesten een kaartje leggen. Die zaten dan te klaverjassen of te een-en-twintigen. Sommige anderen schreven brieven.

Zelf heb ik in Havelte, net als later in Westerbork, viool gespeeld. In een  strijkkwartet, dat onder leiding stond van Benedict Silberman. Die heb ik daar in Havelte leren kennen, dat was een hele beroemde dirigent, die voor de oorlog
Bravoure en Charme leidde – een orkest dat veel voor de VARA deed – en die na de oorlog directeur van het Promenade-orkest was. Zijn broer Rudie speelde net als ik viool in dat kwartet. Die viool was door mijn vrouw meegenomen uit Groningen. De andere leden waren Joop Cantor op cello en Leo Blom op altviool. De laatste heeft net als Silberman met stenen moeten sjouwen bij die haven.

Silberman maakte ook onze arrangementen, voor die tijd hele goeie, van bestaande nummers, met name operamelodieën. Hij maakte van klassieke als het ware lichte muziek, voor ieder misschien begrijpelijk, maar heel erg moeilijk om te spelen. Silberman ging niets uit de weg. Dat loog er niet om, daar moest je fiks aan werken, dat was wel even de mouwen opstropen.

Nee, we hebben nooit buiten het kamp gespeeld. We speelden zoals op samenkomsten in een particulier huis. Als we repeteerden kwamen kampgenoten luisteren. Geweldig dat we dat konden doen ’s avonds. Niemand had daar wat op tegen, daar is nooit iets van gezegd.

De afspraak was dat we redelijk vrij konden rondlopen. We liepen ook zonder ster. Genoeg jongens maakten op zaterdag een wandelingetje naar het dorp, om een pakje sigaretten of een rolletje drop te halen. Verder had je een paar honderd meter van het kamp een soort muziektempeltje (Theehuis Faken, HP), waar je limonade en versnaperingen kon kopen. Daar is toen een bom opgevallen (13/5/1944 HP). Die sloeg een hele diepe krater van wel tien meter omvang.

Met de Havelters hadden we gewoon contact. Ik weet nog dat ik wel bij een boer De Jong kwam, hij woonde niet zo ver van bet vliegveld, aan een landweg. Ook een paar anderen kwamen daar wel over de vloer. De Jong en zijn vrouw, dat waren schatten van mensen, die hadden maling aan de Duitsers. Ze gaven ons koffie en boterhammen. Mijn vrouw is er ook een paar keer op bezoek geweest, ’s zondags. Normaliter stuurde ik elke week de boel op en kreeg het dan gewassen terug, maar die keren kwam ze langs. Ze heeft op haar manier een keer meegeholpen met het hooien op die boerderij, laten we zeggen dat ze een vorkje beeft meegeprikt. Ik zelf zal er een keer of vier geweest zijn.

Ik kwam dus wel bij mensen in Havelte op bezoek. Maar misschien hebben andere mensen andere ondervindingen gehad.

Die bezoeker bij je grootvader thuis, dat was ik niet. Dat was een neef van mij: Simon de Beer. Die had inderdaad een schoenenzaak aan het begin van de Herestraat.

Wij wisten alles. Nieuws van de buitenwereld, dat kwam allemaal heel snel door. Met de Invasie, op 6 juni, dachten we: “Nou is het in een paar dagen gebeurd.” Als ik dat vergelijk met later in Westerbork: daar hoorden we niet veel van de buitenwereld. Dat was gesloten. Wat je daar hoorde waren geruchten, verhaaltjes, praatjes.

Het vliegveld werd overdag wel eens aangevallen door gevechtsvliegtuigen, maar het kamp zelf alleen bij donker. Ze schoten dan met hun boordmitrailleurs: rekttektektektek. .. dat was een heel angstig gehoor. Als onze barakken onder vuur lagen vluchten we eruit en doken we in sloten en greppels om dekking te zoeken.

Na zo’n beschieting sta ik weer op en zie een man naast me zo achterover vallen. Dat was een dokter uit Tilburg, hij had een kogel door het hoofd gekregen en was op slag dood. Ik was helemaal in paniek (23/4/1944 HP).

Wat voor effect die aanvallen op onze stemming hadden? Och, als we juichend hoera hadden kunnen roepen, dan hadden we het gedaan. Prachtig vonden we dat, schitterend, ondanks het gevaar. Het kon ons niet hard genoeg gaan. Logisch, we dachten aan de bevrijding.

Op een keer moest ik de kamer schoonmaken van de joodse kampcommandant, die verantwoordelijk was onder de Duitse leiding – zijn naam weet ik niet meer. Ik heb toen daar wat laatjes opengetrokken en in een daarvan vond ik Reisegenehmigungen. Daar heb ik toen een bosje van gepikt en ik heb daar krabbels onder gezet. Zo kon een behoorlijk aantal van ons elk weekend naar de familie.

Ik zal het nooit vergeten. Op vrijdag 27 juli was ik op die manier met de bus naar Groningen gegaan en op zaterdagavond werd ik opgehaald, thuis in de Folkingstraat. Er was een avondklok, voor achten moest je binnen wezen, en mijn vrouw was nog even boodschappen gaan doen. Mijn dochter wilde nog even op straat spelen en liet de voordeur openstaan. Ik wist niet dat er buiten een overvalwagen stond. Opeens kwamen er een stuk of vijf SD-ers naar boven met een Grüne Polizei. Die grüne zei: “Ah, wieder eine“. En toen was ik de pineut. De buren vertelden mijn vrouw even later: “Uw man is weggehaald”.

Het kwam zo. Eén van de jongens vond toen hij vrijdags thuiskwam zijn vrouw met de groenteboer in bed. Die groenteboer was NSB-er en heeft hem verraden, gezegd dat die jongen gevlucht was uit Havelte. Ze hebben hem toen in de namiddag opgepakt en hij is doorgeslagen: op Sirnon Berkelo, dat was een sorteerder in een lompenpakhuis; op Daantje Guikema, die een fruitstal had op de markt; op Mo Kisch, op mij en op nog een paar anderen. Eén kreeg er op tijd lucht van, en is diezelfde avond nog op de fiets naar Havelte gegaan. Die konden ze niet vinden en de kampcommandant had nergens wat van gemerkt.

Toen ze boven kwamen droeg ik een jasje zonder ster, maar dat mocht, want ik zat binnen. Ik moest toen naar de achterkamer om een ander jasje aan te trekken. Ik heb me daar helemaal blindgestaard en in de zenuwen nog die Genehmigungen overgepakt naar het jasje met de ster.

Toen ik in de overvalwagen kwam, zaten er al drie man in. Met in totaal vijf anderen ben ik toen naar het Scholtenshuis gebracht, het hoofdkwartier van de SD aan de Grote Markt. Daar zwaaide de beruchte Lehnhof de scepter – die eens gezegd heeft pas gelukkig te zijn als hij uitzicht had op een rivier van jodenbloed. Op de zolder van het Scholtenshuis heb ik die Genehmigungen versnipperd en in de pot gegooid. We hebben daar de hele zondag doorgebracht. Er lagen ook twee marechaussees. Ik hoorde ze zeggen dat als er vliegtuigen zouden komen bombarderen, dat wij dan doodgeschoten zouden worden.

’s Maandags werden we overgeplaatst naar het politiebureau aan het Martinikerkbof en de woensdag daarop gingen we alle vijf naar Westerbork. We werden geboeid en wel door gewone agenten naar de trein gebracht. Die zeiden op het station: “Jongens we willen jullie wellos laten, maar spring asjeblieft niet uit de trein want dan zijn wij verantwoordelijk”.

Op 1 augustus werden we om elf uur ’s morgens door een Unterfeldwebel in een truck vanaf Assen naar Westerbork gebracht. Wat daar gebeurd is, heb je in dat boek van Lindwer kunnen lezen. Ik kwam daar in de strafbarak terecht en op een gegeven moment was er die rechtzitting met Aus der Fünten, waarop ik moest komen vertellen waarom ik uit dat kamp in Havelte naar Groningen was gegaan. Een Groninger inspecteur van politie die speciaal voor mijn geval was gekomen, fluisterde me in dat ik moest zeggen: “lch hatte so eine tiefe Sehnsucht nach meine Frau und Kinder” (ik had zo’n verlangen naar mijn vrouw en kinderen). Dat zei ik ook, en zo werd ik bis auf weiteres vrijgesteld van transport naar Polen.

Later hoorde ik dat met Dolle Dinsdag iedereen die in kamp Havelte zat naar huis mocht gaan, naar de familie. Verscheidene zijn er toen ondergedoken. Die dat in Groningen niet deden werden een maand later, in oktober 1944 weer gearresteerd en naar Westerbork gebracht.

Net als de vijf anderen die op die avond werden opgepakt heb ik in Westerbork de bevrijding meegemaakt.

Ik moet dus zeggen: het was daar in Havelte niet vreselijk. Helemaal niet toen je na de oorlog de verhalen uit het oosten hoorde. Havelte, nadat je alles te weten was gekomen, als je het vergelijkt met dat daar, dan was Havelte een Eldorado. Nee, een concentratiekamp was het niet.”

Tot zover het relaas van Bennie Behr, een van de laatste mannen die uit eigen ervaring kon vertellen over kamp Havelte. We mogen uit dat verbaal opmaken dat de omstandigheden voor de dwangarbeiders aan bet Duitse vliegveld relatief gunstig waren, dat hun bewegingsvrijheid relatief groot was en dat er wel degelijk contacten bestonden met Havelter ingezetenen. Wat dat laatste betreft had die verzetsman het bij bet verkeerde eind.

Harry Perton

Dit interview is eerder in een iets andere vorm verschenen in Onsen Spieker, het blad van de Historische Vereniging Havelte, jaargang 1993 nummer 1.

Samenvatting in het NvhN.

Advertenties

4 reacties on “Relatief een Eldorado, anno 1944”

  1. Kees de Bruin schreef:

    Wat een mooi stuk Harry. Benny/Bennie Behr en Sem Nijveen waren in mijn jeugd een begrip.

  2. anoniem schreef:

    Dat gesjouw met die bielzen om werk te houden herken ik, maar dan uit een verhaal van mijn vader, hij was voor de oorlog zes weken in Sellingerbeetse te werk gesteld. Daar werd een slootje gegraven, grond links opstapelen, dan met een kruiwagen die grond vervoeren naar een eerder gegraven slootje rechts, slootje vullen met de grond en weer links van de laatste sloot een nieuwe sloot graven, ens. Dank aan dominee Buiskool, er was een werkverschaffingskamp veel dichterbij, maar dan kon Pap ’s avonds naar huis rijden en thuis slapen. Het boek: de hel van Sellingerbeetse -of Sellingen_ is zeer verhelderend, net als het boek Maar die vlag verlaten nooit, dat bracht mij op de hoogte van de wedervaardigheden van Nederlandse vrouwen in Ni.I. en later terug in Nederland. Wat boeken je kunnen leren is zonder einde. Verder kan de Tv er ook wat van, van voorlichten, heb je de serie: Het Duitsland van mijn moeder, gezien? Afgelopen week zag je een flits van een Duitser met een bord om zijn nek, er stond zoiets op als”ik ben een verderfelijke rassenmixer”, waarschijnlijk gehuwd met een Joodse, hij droeg geen ster. Ik werd er plaatsvervangend misselijk van, hoe mensen toen en nu de meest walgelijke dingen bedachten en nog uitvoerden ook. reina


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s