Boeren lagen hoog en droog, armen laag en nat

Het kerkhof van Finsterwolde in 2006.

Het kerkhof van Finsterwolde in 2006.

In 1808 besloot koning Lodewijk-Napoleon het begraven van doden in stads- en dorpskernen te gaan verbieden, een verbod dat dan ook voor de kerken gold. Volgens Zijne Majesteit ging het begraven op zulke lokaties ten koste van de volksgezondheid. Zijn minister van binnenlandse zaken diende het verbod zo snel mogelijk op te nemen in een wetsontwerp, dat ook moest voorzien in de aanleg van nieuwe begraafplaatsen, gelegen op – omgerekend – ruim een kilometer van de bebouwde kom.

De minister van Binnenlandse Zaken besloot eerst maar eens wat onderzoek te doen. Hij schreef alle gewesten aan met een begraafplaatsen-enquète. Uiteindelijk kwam het vragenlijstje terecht bij o.a. de Oldambtster kerkvoogdijen, die ook bijna allemaal braaf hebben geantwoord.

Voor een tijdschrift analyseerde ik in een artikel de Oldambtster enquète-uitkomsten. Om een indruk te gevan van de enquète, hier de vragen, gevolgd door de antwoorden die één enkele hervormde gemeente, namelijk die van Finsterwolde, gaf, met wat commentaren van mij.

Vraag 1: “Welke is de oorsprong der eigen graven in de kerken en op de kerkhoven?”

Hierbij antwoordde Finsterwolde volgens het enquèterapport ongeveer zoals Zuidbroek, waar men veronderstelde dat de graven (net als de kerkhoven) ooit collectief bezit waren geweest. Inmiddels was dat niet meer zo, want de graven waren allang particulier eigendom. Finsterwolde verschilde echter van Zuidbroek in die zin,

“… dat alhier bij ieder heerd lands gerekend wordt eenige graven te behooren, van welke graven ook in eenige aankomstbrieven wordt gewag gemaakt.”

Met dat heerd werd een boerderij bedoeld, zoals uit het antwoord op de tweede vraag blijkt. Aan iedere boerderij waren dus graven op het kerkhof verbonden. Een dergelijke regeling bestond ook in onder meer Oostwold, Midwolda en Nieuwolda.

Vraag 2: “Hoe veele zoodanige eigene graven bestaan er in iedere gemeente in kerken en op kerkhoven, welke aan particulieren toebehoren?”

“In de kerk is slechts één eigen grafkelder, aangekocht door de famille van den kerkvoogd Heddema, zijnde voorts het kerkhof verdeeld naar het getal der boerenplaatzen, volgens het vorige antwoord. De vier uithoeken van het kerkhof worden alleenlijk gebruikt tot het begraven van behoeftigen en gealimenteerden.”

Naast die ene grafkelder lagen er in de kerk wel degelijk andere graven, maar die werden kennelijk niet als particulier beschouwd. Het ging vooral om predilkanten en kerkvoogden, zoals uit ‘Pathuis’ duidelijk wordt. Blijkbaar werden hun graven als kerkelijk eigendom beschouwd.
In een paar andere kerkgemeenten werden “algemene graven” op het kerkhof gemeld. Waarschijnlijk ging het daar net als In Finsterwolde om graven van armen. De vier uithoeken van het Finsterwolmer kerkhof waren lager, de armen genoten er dus minder droge grafcondities dan de boeren vlakbij de muren van de kerk.

Vraag 3: “Of, en zoo jaa, welke voordeelen ontvangen deze kerken of andere gestichten jaarlijks van het begraven der lijken in kerken of op kerkhoven?”

“Geene voordeelen.”

In verreweg de meeste plaatsen genoten de kerkvoogdijen geen inkomsten van begrafenissen. Alleen enkele grotere plaatsen hadden die, zij het op bescheiden schaal.

Vraag 4: “Hoe vele lijken worden gewoonlijk in iedere gemeente jaarlijks begraven?”

“Pl.m. 35”

In het ‘Register van aangegeven lijken’ dat er bestaat van het Finsterwolde tussen 1806 en 1811, zijn er in 1806 een 23 mensen gestorven en in 1807 een 57 (er heerste toen een kinderziekte, waarschijnlijk mazelen). De kerkvoogd moet beide getallen gemiddeld hebben, waarna hij zag dat 1807 dit gemiddelde toch wel erg omhoog trok, zodat hij het nodig vond om het wat naar beneden bij te stellen.

Vraag 5: “Welke uitgestrektheid zoude dienvolgens een of meer begraafplaatsen buiten iedere gemeente moeten hebben?”

“Het tegenwoordig kerkhof is breedt 14 en lang 10 roeden Gron[inger] maat, de nieuwe begraafplaats zou dezelve uitgestrektheid moeten hebben.”

Aannemende dat een doorsnee-graf ongeveer 5 vierkante meter in beslag nam, nam het gemiddelde jaarlijkse aantal van 35 doden hier 175 vierkante meter aan ruimte in. Omgerekend kwam het geraamde areaal van de toekomstige dodenakker neer op 2372 vierkante meter. Na 14 jaar zou de nieuwe begraafplaats van Finsterwolde dus vol zijn, teminste, als er niet in etages begraven werd. Hier werd vrij voorzichtig geraamd, er waren ook gemeenten die veel hoger in de boom zaten.

Vraag 6: “Op welk een geschikte voet zoude dit een en ander in order kunnen worden gebragt?”

“Het kerkhof wordt hier op het eind van het dorp, genoegzaam buiten de gemeente gevonden en waar hetzelve ook aangelegd wordt, men zal in de gemeente geene geschikte plaats kunnen vinden die verder van de huizen verwijderd is dan de tegenwoordige begraafplaats. “

Advertenties

3 reacties on “Boeren lagen hoog en droog, armen laag en nat”

  1. John de Groot schreef:

    5 m2 voor een doorsnee graf lijkt me aan de ruime kant. 2 m2 zou al heel ruim zijn. Misschien 5 m3, maar dan wel voor een dubbel graf.

  2. Daniël Oudman schreef:

    Op sommige kerken staan ook nummers op de gevels, bijvoorbeeld kerk Tjamsweer en Krewerd, ik heb ze wel eens gerestaureerd. De nummers die de rijen aangeven waar iemand is begraven. Wat weet staan die nummers vrij ver van elkaar af vergeleken met de huidige afstanden op dergelijke begraafplaatsen.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s