Een ‘gekraakt’ lijkenhuisje in Uithuizermeeden

Door een bericht van eind 1894 in diverse regionale kranten lijkt het alsof een lijkenhuisje in Uithuizermeeden gekraakt was. Bij nader inzien lag de zaak wat anders. Ze leidde tot de oprichting van een lokaal daklozenhuis.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Aldus de Provinciale Groninger Courant van 20 december 1894, in een bericht dat een dag later compleet werd overgenomen door de Winschoter. Kennelijk was het een opmerkelijk nieuwsfeit. In hedendaagse termen: kansarm gezin kraakt lijkenhuisje en burgerlijke pers breekt daar de staf over. Maar dat blijkt toch een te eenvoudige voorstelling van zaken, die bij nader onderzoek plaats moet maken voor een meer genuanceerd beeld.

Paaptilsterweg
Om te beginnen met dat lijkenhuisje. Het stond op de gemeentelijke Algemene Begraafplaats aan de Paaptilsterweg, even buiten de bebouwde kom van Uithuizermeeden. In 1860 kwam dit kerkhof gereed. Iets later verrees hier een ‘berg- en woonhuis’. Dit staat er min of meer nog steeds, want in 1983 werd het weliswaar wegens een verregaand verval afgebroken, maar ook weer opnieuw opgebouwd, op dezelfde fundering en onder gebruikmaking van zoveel mogelijk de oorspronkelijke bouwmaterialen. ‘We kunnen het nu een royaal bemeten lijkenhuisje noemen’, schrijft de lijkenhuisjes-deskundige Pieter de Vries, ‘maar oorspronkelijk was het natuurlijk maar een kleine woning voor de opzichter en een bergruimte, die tevens fungeerde als lijkenhuisje’.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Als het pandje inderdaad reeds als woning in gebruik was, dan maakt dat de ‘kraak’ in mei 1894 natuurlijk een stuk minder bizar. Jan Veenstra (geb. 1935), in 2010 de buurman van de begraafplaats, die op die plek ooit het steenhouwersbedrijf van zijn vader overnam, kwam bewoning van de begraafplaats ook geheel niet vreemd voor. ‘Dat was een behoorlijk huisje voor toen’, zei hij: ‘Voor nu niet meer, maar voor toen wel. In 1970 was er nog een woning voorop het kerkhof, waar een familie Smit in woonde, dat weet ik nog wel.’ Veenstra denkt dat het lijkenhuisje ‘voor nood’ even bewoond was: ‘Een gedeelte was bestemd om er touwen en planken te bewaren, in een ander gedeelte kon worden gewoond.’

Onechte kinderen
De Provinciale Groninger Courant had het bericht in die donkere dagen voor kerstmis 1894 niet van zichzelf. Ze nam het over uit de Ommelander Courant, waarin het al op 19 december was verschenen. Doordat er tegen deze oorspronkelijke bron, die niet bewaard bleef, een smaadaanklacht werd ingediend, komen we de naam van de man te weten, wiens gezin het lijkenhuisje bewoonde. Dat was Oltman Luurssen. Deze arbeider, geboren in 1856 te Ditzumerverlaat in Oost-Friesland, zat in het voorjaar van 1894, zoals de kranten al schreven, inderdaad gevangen, en wel van 24 april tot 23 juli in de Groninger strafgevangenis. Bovendien had hij vijf kinderen, wat ook weer conform de berichtgeving is. Deze kinderen waren allen in Uithuizen geboren. In het voorjaar dat hun vader vastzat, waren zij één tot tien jaar oud. Dit betekende dat ze nog nauwelijks konden werken  en (bijna) volledig tot last van de ouders kwamen. Opmerkelijk hierbij was dat Oltman Luurssen en hun moeder Hilje Kremer nog niet getrouwd waren. Waarom niet, daar kan je naar gissen. Misschien konden ze het huwelijk niet betalen, of maakte het ze niets uit. In elk geval zou het paar pas eind 1896 in het huwelijk treden, nadat er nog een ‘onecht’ kind bijkwam. Tijdens de plechtigheid erkende Luurssen alle zes de kinderen en kregen ze ook zijn achternaam.

Met voorbedachten rade
Voor mei 1894, de maand van de ‘kraakactie’, woonde het gezin nog op de Hefswal bij Uithuizermeeden. Hefswal wordt althans als woonplaats genoemd in het vonnis, dat Luurssen tot drie maanden gevangenisstraf veroordeelde. Hij had in de nacht van 17 op 18 februari 1894 met voorbedachten rade een koperen koffieketel, rokken, een beddelaken, een jak, een borstrok en een lap bruin bevers goed weggenomen uit de stookhut, het washuis en van de bleek bij de boerderij van Hulsewe op de Noordpolder. Deze goederen verstopte hij in en om zijn huis. Toen echter de Uithuister marechaussees binnen en week voor zijn deur stonden, bekende hij grif en wees hij de plekken aan waar hij de buit verstopt had. Wat voor de rechter waarschijnlijk de reden was om de celstraf te halveren ten opzichte van de eis, want de officier had nog gewild dat Luurssen zes maanden zou brommen.

In elk geval kwamen Luurssens inofficiële vrouw en hun vijf kinderen in mei 1894 in het lijkenhuisje op de begraafplaats aan de Paaptilsterweg te wonen. Het sluitende bewijs daarvoor ligt in enige correspondentie die de Commissaris van de Koningin in Groningen en de burgemeester van Uithuizermeeden in juni voerden naar aanleiding van een adres, dat de kersverse hervormde predikant van Uithuizermeeden, C. de Hoogh, bij de Commissaris indiende. Helaas bleef dat stuk zelf niet bewaard, maar volgens een notitie van de Commissaris bevatte het ‘klachten over [het] onderdak van vrouw Luurs en haar gezin’ te Uithuizermeeden. Burgemeester Bakker berichtte de Commissaris vervolgens ‘dat het huisgezin reeds sedert ettelijke dagen een goed onderkomen is bezorgt op het kerkhof in een aldaar staand huisje’. Hij voegde hieraan toe

‘…dat juist de kerkeraad van Ds. de Hooghs gemeente en evenzoo de kerkeraad te Oosternieland hardnekkig weigerde, een der hun toebehoorende onbewoonde huisjes aan het Burgerlijk Armbestuur te verhuren om het gezin daarin te plaatsen. Ds. De Hoogh, ontsticht als hij was over de weinige Christelijke liefde door zijne geloofsbroeders betoond, heeft denkelijk in de hoop dat zijn kerkeraad tot andere gedachten zou komen UHEd. met de toestand van het gezin in kennis gesteld.’

Er was kortom, meteen dat voorjaar al gekrakeel geweest. Toen het gezin van Luurssen het huis op de Hefswal – wegens huurschuld of reputatie – moest verlaten, klopte het voor onderdak aan bij het burgerlijk armbestuur. Dat probeerde vervolgens een onbewoond huisje van een hervormde diaconie te huren. Zowel het kerkelijke armenfonds van Uithuizermeeden zelf, als dat van Oosternieland weigerde echter. We weten het niet, maar waarschijnlijk speelde het ongehuwde samenwonen met maar liefst vijf onechte kinderen hierbij een rol. Hoe dan ook, de weigering stuitte dominee De Hoogh zeer tegen de borst. Nadat de predikant opspeelde, stelde de gemeente Uithuizermeeden alsnog het lijkenhuisje op de begraafplaats ter beschikking. Het gezin van Luurssen betrok dit dus niet door een kraakactie, zoals je op basis van het krantenbericht zou kunnen menen, maar door toedoen van de plaatselijke autoriteiten. Na de brief van de burgemeester oordeelde de Commissaris dan ook, dat zijn tussenkomst niet meer nodig was.  Hij nam de klacht van De Hoogh voor kennisgeving aan en ondernam verder geen actie.

Smaad
Toen eind 1894 de Ommelander Courant berichtte dat het lijkenhuisje al ruim een half jaar bewoond werd, waarbij ze zijn ‘zeer woeste spruiten’ beschuldigde van het voortdurend ‘bezoedelen’ van grafmonumenten, diende Oltman Luurssen een klacht wegens smaad tegen deze krant in. Dat deed hij bij de burgemeester, die de klacht met een exemplaar van de gewraakte krant naar de officier van justitie bij de Groninger rechtbank stuurde. De burgemeester had intussen ook de tegenpartij gehoord, in de persoon van W. Bierma, de uitgever van de Ommelander Courant. In eerste instantie verklaarde Bierma, dat de auteur van het stukje niet in Uithuizermeeden woonde ‘en ook geen belang schijnt te hebben bij de begraafplaats’. Volgens de burgemeester was de publieke opinie in zijn gemeente op Luurssens hand: ‘Algemeen schijnt men het den anoniemen schrijver zeer kwalijk te duiden dat hij zonder de minste aanleiding Luurs in het openbaar beleedigd’. Toen de burgemeester op aandringen van de officier nog een keer met Bierma ging praten, noemde deze Jacob Hoek,  hoofdonderwijzer te Oosterwijtwerd, als auteur van het stuk. In zijn correspondentie met de officier kon burgemeester Bakker zijn minachting voor dit schoolhoofd niet onderdrukken: ‘Dat heer schijnt het voor de maatschappelijke orde noodzakelijk te achten, zijn licht in de locale bladen over alle mogelijke personen en onderwerpen te laten schijnen’. Maar de officier liet zich hierdoor niet verleiden om tot vervolging van Hoek over te gaan. ‘De belediging’, zo overwoog hij, ‘is eigenlijk meer gericht aan het adres van de authoriteiten die zulke dingen (namelijk de bewoning van het lijkenhuisje etc. HP) dulden’. Weliswaar werd ook Luurssen beledigd, maar ‘intusschen is hier meer sprake van kritiek dan van beleediging’. Daarmee was de zaak afgedaan voor de officier, die haar seponeerde.

Daklozenhuis
De bewoning van het lijkenhuisje, het kritische krantenbericht en de lokale verontwaardiging kregen nog een gevolg in een gemeentelijke maatregel. Althans, het rechtstreeks verband wordt nergens expliciet vermeld, maar toch vloeide de maatregel waarschijnlijk voort uit het geval. Om het minder abstract te zeggen: de krantenkritiek op de autoriteiten die het gezin Luurssen in het lijkenhuisje lieten wonen, leidde tot de oprichting van een daklozenhuis in Uithuizermeeden.

Chronologisch volgen deze gebeurtenissen elkaar zo dicht op, dat het verband bijna niet kan missen. Als je evenwel alleen de krant leest, lijkt het anders. Van januari tot in maart 1895 heerste namelijk een bijzonder strenge winter. Eerst vond men de kou helemaal niet erg, getuige de vele berichten over schaatspret, maar toen in maart het vaarwater nog steeds dicht bleef, de turf opraakte, en het begon te nijpen voor de mindere man die ook nog steeds niet op het land aan het werk kon, begon het iedereen te vervelen. Het bericht in de Provinciale Groninger Courant van 29 maart 1895 ga je dan tegen deze achtergrond zien:

‘Te Uithuizermeeden zal op kosten van de gemeentekas een gebouw voor dakloozen gesticht worden, geen tehuis voor dakloozen, zooals men dat in de steden vindt, maar een gebouw, waarin huisgezinnen, die hunne woningen door wanbetaling hebben moeten verlaten en nu geen onderdak hebben, tijdelijk met hun inboedel plaats kunnen vinden. Het gebouw zal verrijzen op een stuk gronds, aan de gemeente toebehoorende.’

Het plan om een onderdak voor dakloze gezinnen te bouwen had echter niets met de lange strenge winter van doen, het ontstond al tussen 11 en 18 januari, een week nadat de burgemeester en de officier van justitie hun correspondentie afsloten. Op 11 januari besloot het college een voorstel aan de raad te doen, om 29.000 gulden te lenen, geld dat vooral bedoeld was voor de nieuwe Paaptilsterbrug. Bij de raadsbehandeling echter, deed burgemeester Bakker het aanvullende voorstel om nog 1000 gulden extra te lenen, ‘aangezien met mei enkele huisgezinnen aan den weg komen te zitten’. Dit geld was bestemd ‘om een gebouw voor dakloozen op te richten’. Het voorstel van de burgemeester werd zonder stemming aangenomen en in de loop van februari en maart kreeg het voornemen zijn beslag. Zo besloot het college van B&W medio februari dat de ‘appartementen’ in het daklozenhuis een oppervlakte zouden krijgen van 6,5 bij 5 meter. Gelijk al kwam er protest van enige omwonenden van het stuk gemeentegrond waar het huis zou komen. Zij verzochten de gemeente om het ‘niet in hun buurt te bouwen’. Dankzij de burgemeester bereikte dit verzoek ook de raad. Daar pleitte hij er evenwel zelf voor om het gebouw op de beoogde locatie te realiseren. Op een andere plek zou de gemeente de grond nog moeten kopen, en dan kwamen anderen met een eenzelfde verzoek, want ‘niemand wil zoo’n gebouw graag naast zich hebben’. Bovendien moest het pand ook niet te ver uit de dorpskom staan, immers: ‘de politie moet er dagelijks toezicht op kunnen houden’. Van enig uitstel wilde de burgemeester niet weten, ‘met mei’ moest het gebouw in gebruik zijn, ‘zodat er niet veel tijd is te verliezen’. Zonder stemming ging de raad akkoord. Wel kwam het gebouw in werkelijkheid op een tegenoverliggend perceel gemeentegrond,  ‘als biedende daarvoor ruimer terrein aan’. Eind maart vond de aanbesteding plaats, de laagste inschrijver kreeg de opdracht voor een bedrag van tegen de 1200 gulden.

Blauwdruk voor de verbouwing van het oude tot een nieuw daklozenhuis. Links een ‘appartement’ zoals het eruit zag bij de bouw in 1895, met vier bedsteden en een portaal. Rechts het nieuwe grondplan. Bron: gemeente-archief Eemsmond, archief burgerlijk armbestuur  Uithuizermeeden, inv. nr. 31.

Blauwdruk voor de verbouwing van het oude tot een nieuw daklozenhuis. Links een ‘appartement’ zoals het eruit zag bij de bouw in 1895, met vier bedsteden en een portaal. Rechts het nieuwe grondplan. Bron: gemeente-archief Eemsmond, archief burgerlijk armbestuur Uithuizermeeden, inv. nr. 31.

Het daklozenhuis stond in 1913 als nummer 2 op een staat van gemeente-eigendommen, meteen na het nieuwe gemeentehuis. In 1920 zou de gemeente een nieuw daklozenhuis laten bouwen. De grond daarvoor kwam van het burgerlijk armbestuur, dat in ruil het oude gebouw kreeg. Dit werd vervolgens verbouwd voor bewoning door twee gezinnen., waarbij de oorspronkelijke appartementen waarschijnlijk werden verdubbeld. Dankzij de bewaard gebleven blauwdruk, hebben we nog een beeld van de oude toestand.

Harry Perton

Met dank aan Jeroen Hillenga en Jan Veenstra. Dit stuk stond eerder in een geannoteerde versie in Stad & Lande 2011-2.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

 

Advertenties

One Comment on “Een ‘gekraakt’ lijkenhuisje in Uithuizermeeden”

  1. Emigrant schreef:

    Maakten de woeste spruiten zich schuldig aan wildplassen?


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s