Een “brutale en ontmenschte dienstbode” in Nieuw-Beerta

Op 8 maart 1804 diende de advocaat Paehlig zich aan in de Oldambtster drostenborg met een verzoekschrift van de wed. Nomdo Jans, die een boerderij bezat aan de oostkant van Nieuw-Beerta, waar haar man diaken en ouderling was geweest. Ze had sinds een week mot met haar grootknecht, want ze vertelde:

“hoe dezelve onder meer andere dienstboden ook in haar dienst heeft zekeren Philippus Harms die bij haar diend voor mr. knegt; dat deze hebbende goedgevonden van dan zijne gewone werk in het mede te helpen toe te bereiden van de spijze voor den volgende dag, te staken op den 1 maart l[aatst]l[eden] en door haar den volgende morgen daar over onderhouden, niet alleen aan haar ronduit declarerende, dat werk niet mede willende verrigten, maar ook zijne dienst bij suppliante, waarin hij wederom voor het volgende jaar was geëngageerd, opzeide en voords zich de honendste en ongemesureerdste expressiën tegens haar veroorloofde.”

De grootknecht wilde dus niet meer doen wat hij anders wel deed: ’s avonds meehelpen bij het klaarmaken van het eten (waarschijnlijk zoepenbrij of karnemelkse pap) voor de volgende dag. Hij was naar bed gegaan, lees je tussen de regels door, en de volgende ochtend had ze hem erop aangesproken. Daar reageerde hij nogal heftig op. Dat werk wilde hij niet langer doen, en hij zegde meteen ook zijn betrekking op, en dat terwijl hij zich net had vastgelegd voor het volgende dienstjaar, vanaf mei. Had hij bij zijn nieuwe contract wellicht bedongen dat hij dit werk niet meer hoefde te doen? Hoe dan ook, bij dit meningsverschil schold hij haar voor alles en nog wat uit.

De boerin overwoog dat hij met zijn weerspannig gedrag de bedoeling had “om haar huishouding te verwarren en de overige dienstboden met zijn boos exempel te bederven”, en ze kon eruit opmaken “hoedanig zijn verblijf bij haar zoude worden in de overige weken dat hij in dien dienst zoude continueren”. Daarom ontsloeg ze hem op staande voet. Hij kon zijn verdiende loon tot aan het moment van werkweigering krijgen, en moest dan “aanstonds haar huis verlaten”.

Hiermee volgde ze de gangbare rechtsregels. Maar daar was de grootknecht het niet mee eens:

“edog dat hij het volle jaar loon vorderde, en voor dien betaling het huis niet wilde verlaten.”

Sindsdien speelde hij er nog de baas ook:

“…dat ondertusschen den knegt voortgaat zich geheel mester in haar huis te maken, naar zijn goedvinden handelt, aan en van den tavel gaat, haar hoond en bitter bejegend, en over het geheel naar gene orders luistert, waardoor haare eigene ruste & veiligheid geattenteerd word en hare huishouding in wanorde gebragt, het welk voor haar zoo veel te ondraaglijker is, doordien zij een groot en uitgebreide boerderij heeft, en voor eenen korten tijd haaren man door den dood verloren hebbende, zij als vrouw niet in staat is, zij niet in staat is (sic) zich tegen brutale en ontmenschte dienstboden staande te houden…”

Ze wilde hem niet langer huisvesten of zijn onterechte eisen inwilligen als “loon voor zijnen euvelmoed”. Maar tot dan toe had haar aanbod geen enkele uitwerking op hem gehad. Daarom vroeg ze nu de Drost aan Philippus Harms zijn loon laten geven door de wedman, waarbij dan de kosten van haar verzoekschrift van dat loon moesten worden afgetrokken. Tevens beloofde ze de maanden maart en april alsnog te voldoen, als ze daartoe werd veroordeeld. Na dat aanbod, te doen via de wedman, moest de grootknecht meteen haar huis en plaats verlaten, en als hij dat opnieuw weigerde, moest de wedman hem “delogeren”.

De Drost machtigde inderdaad de wedman ter plaatse om de knecht het geld aan te bieden. Ook moest de wedman tegen Harms zeggen dat het accepteren van het geld niet betekende dat hij geen proces meer tegen zijn ex-werkgeefster kon beginnen over de twee naar zijn inzicht ontbrekende maanden loon. Blijkbaar verkeerde Harms in de mening dat hij geen poot meer om op te staan had, als hij haar geld aannam. Mocht Harms nu toch nog weigeren het geld aan te nemen, dan had de weduwe in elk geval haar best gedaan. Of hij het geld nu aannam of niet, in beide gevallen werd hem gelast haar huis te verlaten.

Heb zo’n idee dat dit muisje nog een staartje kreeg, maar dat moet ik nog nakijken.


Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6972: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1803-1804.

Advertenties

One Comment on “Een “brutale en ontmenschte dienstbode” in Nieuw-Beerta”

  1. Wieneke schreef:

    Ze hield zeker heel erg van de door hem klaargemaakte zoepenbrij, want anders had ze het zo hoog niet gespeeld. Een grootknecht was toch te vergelijken met een soort van bedrijfsleider? Die laat je toch ook de koffie niet rondbrengen?


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s