Vrouw eist uitkering via het gerecht

“Door ouderdom en zwakheid” was ze niet meer in staat “voor haar kost te arbeiden en zich daardoor een genoegzaam onderhoud te verschaffen”, aldus Geertruid Jochums tegen de Oldambtster drost. Daarom had ze zich voor steun vervoegd bij de diakenen van haar woonplaats Oostwold. Maar in plaats dat die haar “billijk verzoek” inwilligden, gaven ze een weigerend antwoord. Daardoor vond ze zich in “droevige omstandigheid gedompeld” – als ze geen steun kreeg, vreesde ze “van gebrek te moeten omkomen”.

Voor de achttiende eeuw zag ik wel wat rekesten van Winschoter armen, die zich onrechtvaardig door de diaconie behandeld voelden, maar het verzoekschrift van Geertruid is het eerste dat ik zie van een arme, die steun wilde afdwingen. Dat gebeurde in mei 1806 en je zou een verband kunnen vermoeden met de armenwet van 1800, die de armenzorg – tot dan toe voornamelijk een zaak van kerkelijke filantropie, in principe een zaak van overheidsbemoeiienis maakte. Dat Geertruid Jochums min of meer recht meende te hebben op een uitkering, blijkt uit de passage in haar rekest waarin ze ingaat op de taak van de diaconieën in het algemeen en de toestand bij de Oldambtster diaconieën in het bijzonder:

“Daar nu de instellingen der diaconiën zulk ene rigide behandeling en strenge afwijzinge niet eischen, in tegendeel hulp aan de noodlijdenden toe te brengen, voorschrijven, te meer zoo als hier plaats heeft de diaconiën in een goeden staat zich bevinden…”

Redenen voor haar verzoek aan de drost, om zowel haar als de Oostwoldiger diakenen te horen.

Deze “commissie” of hoorzitting vond plaats op 20 mei 1806 en de diakenen brachten er in bijzijn van Geertruid naar voren, dat zij al “vrije woning en turf” van de diaconie “genoot”. Hoe lang dat zo was, staat er niet bij, maar ik kan me voorstellen dat dit nog niet zo lang was. Enfin, de gratis huisvesting en energie legden een bodem, maar aan het verstrekken van weekgeld en brood waren de diakenen voorlopig nog niet toe, omdat ze meenden dat Geertruid zich ‘s zomers nog wel redden kon:

“dat zij ten minsten in het zomersaisoen door vrouwen arbeid van wieden of anders, daar zij alleen was, konde bestaan.”

Na hoor en wederhoor van partijen ging drost De Sitter hierin mee. Hij weigerde verder op Geertruids verzoek in te gaan.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1806-1807.

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s