Dienstmeid weigert dienst

Op 11 maart 1806 deed de brouwer Albert Hindriks Buiskool uit Beerta zijn beklag in de Oldambtster drostenborg. Even eerder had hij Eefke Jans als dienstmeid ingehuurd, vertelde hij. Dit was volgens hem gebeurd ten huize van, in het bijzijn van en met toestemming van haar moeder, die eveneens in Beerta woonde. Eefke zelf diende op dat moment nog bij Derk Daniëls, een boer in Nieuw-Beerta. Bij Buiskool zou ze van mei 1806 tot mei 1807 ƒ 50,- gaan verdienen.  Maar Eefke was niet van plan bij hem in dienst te treden, want even later had ze geprobeerd hem zijn handpenning terug te doen bezorgen.

Zoals bruidegoms-in-spe destijds hun huwelijksbeloften ‘bezegelden’ door het geven van een gouden of zilveren munt aan hun bruiden, legden werkgevers hun personeel vast door het geven van een handpenning. Met het terugbrengen van dat handgeld  kon een dienstbode laten weten dat hij of zij de dienst niet wilde aanvaarden. Meestal kwam daar dan geen zaak van, omdat het slecht werken is met onwillig personeel. Maar in dit geval stond Buiskool op zijn strepen. “Daar de gewone tijd om domestiquen in te huuren ree[d]s voorbij is” en hij dus blijkbaar geen andere dienstmeid meer kon krijgen, verzocht hij de drost om Eefke tot het dienstverband te dwingen. De drost moest de wedman maar op haar afsturen. Als ze geen gehoor wilde geven aan het dwangbevel om in mei bij Buiskool te gaan werken, moest ze haar redenen opgeven aan de drost.

De drost willigde dit verzoek in en gaf Eefke acht dagen de tijd om schriftelijk haar ”wettige redenen ter contrarie” bij hem in te dienen. Daarmee zou de zaak dan in maart al wel afgedaan kunnen zijn – toch duurde het nog tot 22 april voordat de drost een hoorzitting uitschreef. Een week later zou die plaatsvinden, maar omdat Eefke afwezig was, werd de zaak uitgesteld tot 6 mei. Bij die gelegenheid verklaarde ze “zich niet besteed te hebben” en omdat Buiskool meende dat dit wèl het geval was, droeg de drost beide partijen op hun gelijk te bewijzen.

Dat gebeurde in een zitting op 28 mei, waarin Eefke zelf weer afwezig was, maar zich liet vertegenwoordigen door haar voogden. Haar vader was namelijk overleden, terwijl haar moeder hertrouwd was en in zo’n geval werden er altijd voogden aangesteld om te voorkomen dat de voorkinderen de dupe werden van het nieuwe huwelijk. Kennelijk had Buiskool inmiddels een verklaring ingebracht van twee mensen die er getuige van waren geweest dat hij en Eefke hun arbeidsovereenkomst hadden gesloten. Volgens de voogden echter was de ene getuige “nog zelfs een zeer minderjarig persoon”, waarmee de bewijskracht van die verklaring verviel. Ze vroegen de drost om Eefke eens in haar eentje te horen, want buiten bijzijn van de tegenpartij en advocaten zou de waarheid wel aan de dag komen. De drost had hier wel oren naar, en de volgende dag bleek Eefke inderdaad zo haar redenen te hebben om niet bij Buiskool te willen werken. Ze verklaarde:

“Dat zij zich nimmer als dienstmeid verhuurd hadde bij den brouwer Albert H. Buiskool en ontkend zulks gedaan te hebben ten huize van haar moeder in praesentie van dezelve en van haren broeder Jan Harms Haken; dat zij ook niet eenig loon gevraagd of bedongen hadde, of verzogt dat nog een jong meisje tot twede zoude aangenomen worden. Dat wel is waar de brouwer Albert H. Boeskool haar in het huis van haar moeder aangezogt had om bij hem te dienen, en belooft te geven twee en vijftig gulden tien st[ui]v[e]r des jaars, doch dat zij zulks geweigerd hadde, omdat des tijds nog niet vrij was van haar oude huur bij Derk Daniels (schoon zij voor zig zelve zeer bijzonder redenen had om niet bij gemelde brouwer te dienen, doch welke zij niet ooirbaar oordeelde aan gemelden brouwer te kennen te geven). Dat daarop de brouwer gezegd hebbende zulks wel te zullen vinden met Derk Daniels, een stuk geld op de tafel als het ware het een handpenning had neergelegd, doch welk zij geweigerd had  op te willen nemen, en dat zij dus ook niet wiste hoe groot in waarde of van welke specie dat geld was, waarop de brouwer vertrokken was en het geld had laten liggen, dat zij ook wijders weggegaan zijnde, haar naderhand die handpenning in het huis van haaren broodheer Derk Daniels bezorgd wierde, doch dat zij dien weigerde aan te nemen, haar broodheer verzogt hadde dien handpenning weder te restitueren aan meergemelden brouwer, hetgeen hij ook aangenomen had te doen, wetende zij egter niet of zulks geschied is. Dat zij Eefke Jans derhalven vermeende, daar zij zich nimmer besteed hadde, ook niet verpligt te zijn in dien praetensen dienst bij gemelde brouwer Albert H. Buiskool te komen (zonder dat haare genegenheid hierin behoefde geconsidereerd te worden, als hebbende om bijzondere redenen een zeer groote afkeer om aldaar te dienen). Verklaarde wijders deze haare verklaring desnoods met solemnelen eede te willen sterken.”

Er was in haar visie dus helemaal geen sprake van onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden geweest. Ze had zelf niet gezegd wat voor loon ze wilde verdienen, en evenmin gevraagd om een jonger meisje naast haar als tweede dienstmeid. Buiskool had haar wel gevraagd, maar ze had geweigerd met het argument dat ze haar huidige betrekking nog niet had opgezegd. Uit de zinsneden die tussen haakjes in haar verklaring staan, blijkt dat dit een smoesje was om van Buiskool af te zijn. In werkelijkheid had ze een grote afkeer van hem en/of zijn huishouding, maar kon ze hem dat met goed fatsoen niet vlak in het gezicht zeggen. De reden die ze wel opgaf, bleek echter onvoldoende om van Buiskool af te komen. Hij zei dat hij haar huidige werkgever wel over zou halen en legde zijn handpenning neer op tafel. Maar die munt had ze niet opgenomen (ten teken van acceptatie) – ze wist zelfs niet eens om wat voor munt het ging en hoeveel deze waard was. In elk geval liet Buiskool het geld liggen toen hij uit het huis van haar moeder vertrok. Waarschijnlijk was het haar moeder die het geld naderhand bij haar huidige baas liet bezorgen, waar Eefke nogmaals de acceptatie weigerde. Of haar broodheer het geld weer aan Buiskool teruggaf, zoals hij haar beloofde, wist ze niet. Maar ze had zich pertinent niet “besteed” bij Buiskool en wilde dat desnoods onder ede bevestigen.

Impliciet blijkt dat Eefkes moeder de getuigenverklaring van Buiskool tekende, terwijl Eefkes voogden helemaal niet in het verhaal gekend werden. Nu kon de drost wel moeder en dochter met elkaar confronteren, maar dat viel buiten het bestek van een verzoekschriftenprocedure. Zoals de zaak er voorstond, concludeerde hij dat “het quaestiese poinct” van de arbeidsovereenkomst “niet volledig” was bewezen. Daarom besloot hij het verzoek van brouwer Buiskool af te wijzen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1806-1807.

 

Naschrift: Ik heb in het civiele prothocol nog even nagekeken of Buiskool in beroep ging tegen het besluit van de drost, maar dat bleek niet het geval. Hij berustte blijkbaar in de uitkomst..

Advertisements


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s