Meester Abbinga valt een keertje tegen

Allerlei bekendmakingen die later als advertentie in de plaatselijke krant zouden staan, werden rond 1800 nog ’s zondags door de predikant of de schoolmeester afgelezen in de kerk. Dat had zo zijn nadelen. Zo stonden die kerkenkondigingen op gespannen voet met de stichtelijke bedoeling van de godsdienstoefening. Maar ook materieel was er een minpunt. Is een copie van een krantenadvertentie redelijk eenvoudig te krijgen, voor een afschrift van een kondigingsbriefje kon je niet om de predikant of de schoolmeester heen. En soms lag die dwars.

Zo had de advocaat W.R. de Sitter zich in april 1806 al verschillende keren vervoegd bij schoolmeester Abbinga van Winschoten, de man die daar “volgens usance” ’s zondags de kondigingsbriefjes in de kerk voorlas. De advocaat had uit hoofde van zijn functie verschillende van die briefjes nodig, maar Abbinga vertikte het om afschriften te geven. Volgens hem was daarvoor steeds toestemming van de drost nodig.

Daarom wendde De Sitter zich tot de drost. Hij zag het vertrekken van afschriften als volkomen in lijn met de bedoeling van de kerkenkondigingen:

“Dewijl nu de kundigings in de kerk geschieden met oogmerk om het daarbij gekundigde aan de belanghebbenden bekend te doen worden en dus het geven van copie der kundigings wel verre van ongeoorloofd, integendeel met het doel derzelve volmaakt overeenkomstig is…”

verzocht de advocaat om een machtiging aan Abbinga, opdat die afschriften kon geven van alle kondigingen die de advocaat nodig had.

Zonder de schoolmeester te horen, gaf de drost de advocaat zijn zin. Het was ook nogal kinderachtig van Abbinga om die afschriften niet te verstrekken, immers met het aflezen in de kerk was de inhoud al openbaar gemaakt. Wat hem tot zijn obstructie bewogen heeft, Joost mag het weten.

Het geval is wat mij betreft een smet op het blazoen van deze Jan Abbinga (1765-1819) want tot nu toe las ik louter goede berichten over hem.
.
Op zijn 22-ste kwam hij als voorzanger, organist en schoolmeester naar Winschoten, waar hij minstens 800 gulden per jaar verdiende en een vrije woning genoot. Na de Bataafse Revolutie (1795) bleek hij er een vooraanstaand patriot. In 1796 kozen de stemgerechtuigden hem tot kiezer en plaatsvervanger.

‘De onderwijzer wordt zeer geprezen’, zegt de Onderwijsenquête van 1799 over Abbinga. Dat hij in Winschoten veel krediet genoot, blijkt eveneens uit een verslag van een openbaar examen, dat zijn leerlingen op 3 april 1802 aflegden. ‘Nooit twyffelden wy’, zo begint dat krantenstuk,

‘…of het onderwys onzer schooljeugd was aan onzen waardigen Abbinga, veilig toevertrouwd. ’s Mans onvermoeide werkzaamheid, gevoegd by eene hartelyke kinderliefde en zucht om algemeen nuttig te zyn, deed ons alles goeds verwachten. – En toch hebben de proeven welke wy onlangs gezien en gehoord hebben, onze verwachting overtroffen.’

Opmerkelijk is, dat Abbinga tweetalig onderwijs gaf, zowel in het Nederlands als in de streektaal, om zijn leerlingen “het groot onderscheid tusschen beide aan te toonen”. Dit weten we dankzij dominee Potter, die in 1808 enige dagen in Winschoten vertoefde. Potter kreeg van Abbinga een woordenlijstje met Winschoter/Oldambtster woorden dat hij in zijn reisbeschrijving opnam. Ook Potter was zeer te spreken over “den kundigen schoolmeester” en diens school:

“..de inrichting der School, in verschillende klassen verdeeld, vond ik uitmuntend, zoo wel wat het locale en deszelfs buitengemeen nette en zindelijke inrigting, als de manier van onderwijs betreft.”

En dan nu dit staaltje machtsmisbruik. Abbinga valt me dan toch voor één keertje tegen.


Bronnen:
Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met kantbeschikkingen door de drost.

Harry Perton en Siemon Reker, ‘Een proefje van de Winschoter taal (1808)’, in Stad & Lande jrg. 2011 nr. 4 pag. 22-26 (later herdrukt in Oud-Winschoten).

Advertisements

One Comment on “Meester Abbinga valt een keertje tegen”

  1. anoniem schreef:

    Abbinga kende het in de WO II veel gebruikte gezegde misschien maar half, nl. ïs het oet joen mond, is het oet joen macht”, hij heeft waarschijnlijk mond door pen vervangen. Immers, wat hij vertelde in des Heeren huis tuin (op het gras rond de kerk) kon hij altijd herroepen, het was alleen in ieders geheugen (of al weer vergeten), bleek het vertelde een leugen, dan:” loog hij destijds in commissie”, d.w.z. iemand had hem fout voorgelicht. Had hij er eenmaal een copie met pen en papier van afgegeven, dan was het helemaal uit zijn macht, iemand kon immers “dat papiertie verkooren hebben”‘ om het stiekem later alsnog te gebruiken. Vergelijk met nu: je kunt iemand iets vertellen en hij kan het doorvertellen, maar je kunt altijd beweren dat “die aander” jouw woorden verdraaid heeft. Zet je het op facebook, twitter of waar ook op internet, blijft het daar voor altijd staan, zonder de latere herroeping of weerlegging. Abbinga was zo gek nog niet, hij zal allicht zelf( of van een ander gehoord, dat die) wel eens onrecht verteld had en dat de papieren copie een eigen leven was gaan lijden. Abbinga de voorzichtige, als hij al onheil stichtte met wat hij bij de kerk voor te lezen ha, dan wel graag voor het geschrevene een stevige steun in de rug (een soort makker in de “misdaad” dus, die van hoger rang was. Komt me in de hedendaagse krantenberichten over faillisementen en stakingen en politiek eigenlijk heel bekend voor. Reina


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s