De kopschuwe bruid

Begin februari 1790 wendde Schelte Klaassens zich tot de Oldambtster drost. Hij vertelde dat hij “door trouwbeloften” met Ida Ritzes “geëngageert” was, en dat “hun aanstaande egtverbintenis” ook al werkelijk in de kerk was afgekondigd, maar dat zijn bruid nu weigerde om het huwelijk te laten voltrekken. Want er was “eenig verschil” ontstaan over de huwelijksvoorwaarden. Klaassens vond dat hij sterk stond als hij een proces begon, maar liever zou hij

“alles willen aanwenden om verder verwijdering en oneenigheeden te vermijden en om te zijn (= zien, HP) of het niet mogelijk waare weder op een vrindelijke wijze te worden gereconsilieert…”

Daarom verzocht hij de drost om zowel hem als zijn verloofde te horen, waarbij Ida zich, “zoo verre nodig”, mocht laten bijstaan door haar moeder Bouwe Rustius. Doel van deze hoorzitting zou moeten zijn om beide partijen “zoo mogelijk weder te verenigen”.

Op 9 februari 1790 vond deze sessie plaats. Schelte Klaassens verklaarde hier dat hij “ter vermijding van alle geschil over een huwelijkscontract” bereid was met Ida Ritzes te trouwen “op de” – en dan mist er door een overschrijffout helaas een stukje tekst, waar in de originele kantbeschikking van de drost iets zal hebben gestaan als: de overeengekomen voorwaarden. In elk geval zijn Schelte Klaassens en Ida Ritzes volgens die kantbeschikking “enig geworden dat het huiwlijk zal worden voltrokken”.

Kortom: hier dreigde een huwelijk op het laatste moment niet door te gaan omdat de bruid en haar moeder, c.q. familie, niet akkoord gingen met de materiële huwelijksvoorwaarden zoals die op dat moment waren geconcipieerd. De bruidegom bleek verzoeningsgezind en zo ging het feest toch nog door.

Het gevalletje zoals de drost of diens klerk het opschreef, laat de vraag open of er standsverschil in het spel was. Die vraag dringt zich op, niet alleen omdat standsverschil, althans volgens romantische concepties, de grootste spelbreker in de liefde was, maar ook omdat Ida uit een zeer vooraanstaande boerenfamilie kwam. Volgens het rekest was zij de dochter (en haar moeder Bouwe Rustius de vrouw) van wijlen Ritzo Jans. Over deze Ritzo Jans is op zich niet zoveel bekend, maar zijn vader Jan Ritzes was tussen 1736 en 1766 kerkvoogd, ouderling en kerspelvolmacht van Midwolda. Diens boedelinventaris laat zien dat hij eigenerfde, akkerbouwer en veenbaas was. Het land onder zijn heerd strekte zich uit van diep in het hoogveen ten zuiden van Midwolda tot in het nieuwe Nieland, d.w.z de Dollardpolder van 1701. Van de graanteelt op de klei getuigen onder meer de elf volwassen en zeven jonge paarden, de vijf ploegen, de in totaal 40 mud koren en bonen op zolder en de ruim 60 deimt (27 ha) ingezaaid bouwland – en op de veenexploitatie wijzen, naast de vijf turfkarren, de 55 dagwerken turf op de beun.

Ida Ritzes was in april 1768 in Midwolda geboren, waarschijnlijk op die voorouderlijke heerd. Op het moment dat ze haar voorgenomen huwelijk bijna liet afspringen, was ze dus 22 jaar oud. Schelte bleek tien jaar ouder en kwam van de Scheemderzwaag onder Eexta. Over zijn afkomst weet ik helaas niets met zekerheid te zeggen. Het paar trouwde niet in Midwolda, maar in Eexta en wel op 14 februari 1790, slechts vijf dagen nadat het bij de drost verzoend was geraakt. Je verwacht dan dat er in de tussentijd of eventueel wat later een huwelijkscontract is opgemaakt, hetzij in Eexta, hetzij in Midwolda, heel eventueel in nog een andere plaats, maar de zoektocht ernaar leverde niets op. Mogelijk is er dus helemaal geen definitief huwelijkscontract opgemaakt, zodat de bezwaren van de bruid achteraf wat overdreven overkomen. Bij ontstentenis van zo’n stuk moet het paar in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.

Hoe dan ook, het huwelijk van Schelte Klaassens en Ida Ritzes duurde nog geen anderhalf jaar. Vlak nadat op 27 mei 1791 te Midwolda hun dochter Bouwe werd geboren, overleed Schelte namelijk. Daarom werd het kind ook pas op 12 juni gedoopt, waarbij de vragen van het doopformulier door een huisvriendin werden beantwoord.

Intussen was de vader, Schelte Klaassens, op 1 juni begraven. De diaconie van Midwolda beurde daarbij 7 gulden en bijna 16 stuivers uit het bekken, een begrafeniscollecte-opbrengst die je eerder bij een kapitaalkrachtige middenstander dan bij een gezeten boer zou verwachten. Maar Schelte was wellicht ook nog wat jong daarvoor. Op 16 december betaalde zijn schoonmoeder Bouwe Rustius 6 gulden voor het gebruik van het zwarte laken dat zes weken lang over het hek om Scheltes graf had gehangen. Die 6 gulden was het hoogste tarief, dat paste bij het beste laken, want de diaconie van Midwolda beschikte ook nog over een rouwlaken dat veel minder kostte aan huur.

Waarschijnlijk woonden Schelte Klaassens en Ida Ritzes in bij haar moeder. Dat Schelte qua stand niet voor Ida onder deed, blijkt ook al een beetje als Ida in het najaar van 1792 het plan opvat om te hertrouwen met Galtjo Egberts Muntinga van Finsterwolde. Dan wordt er ten behoeve van het kind een inventaris opgemaakt van de goederen van Schelto. Weliswaar omvat die louter diens lijfstoebehoren, maar deze geven toch een indruk van welvaart door onder meer de knopen, de gespen en het horloge van zilver. Mogelijk leefden Schelto’s ouders nog en had hij van hun nog het een en ander te erven. De nogal schrale afkoopsom van 10 gulden en 10 stuivers die Ida haar dochter op haar achttiende beloofde te geven, zegt dan niet zoveel.

Ida Ritzes (Reining of Reinen) en haar tweede man Galtjo Muntinga zouden uiteindelijk eindigen als tappers bij de Winschoterzijl, op grondgebied van de gemeente Wedde. Ida’s voordochter Bouwe Scheltens (Wieringa) bleek wat eerder, in 1819, te Finsterwolde getrouwd met een koopman Siks van het nabije De Hutten onder Bellingwolde. Hun huwelijksakte blijkt uiteindelijk het informatiefst over de stand van haar vader Schelte Klaassens. Het stuk noemt hem “landgebruiker”, wat een synoniem is voor boer. Dat haar moeder in 1790 opeens niet meer wilde trouwen met haar vader, lag dus, zoals het er nu naar uitziet, niet aan standsverschil.

Bronnen, behalve de gelinkte:
RHC Groninger Archieven, via Toegang 731 (archief drost Oldambt) de inventarisnummers:
– 6134: samengevatte rekesten met daarop aangetekende kantbeschikkingen;
– 5620: aanstelling voogden 8 oktober 1793;
– 5635: afkoop 8 oktober 1793.
Toegang 262 (archief hervormde gemeente Midwolda) inv.nr. 6: diaconierekeningen.

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s