Een hok vol boeken op de beun

Op een dag in augustus 1722 begeleiden twee Groninger vrouwen hun vriendin en huisgenote Rebecca Roos naar de afvaart­plaats van de Leeuwarder trekschuit, aan het doodlo­pende eind van ’t Hoendiep vlak buiten de stad Groningen. Ze dragen een grote, goedgevul­de korf tussen zich in. Rebecca (44), een tweevoudige weduwe die onderhand zo’n acht jaar in de stad Groningen woont en er bij verschillende fami­lies werkt als strijk­ster, stijfster en naaister, maar ook wel gewoon als hulp in de huis­hou­ding, gaat naar Holland toe, om voor haar dood­zieke moeder te zor­gen.

Negen maan­den blijft Rebecca weg. Tijdens haar verblijf in Holland bezoeken twee van haar werkgeef­sters, de echtgenotes van luitenant Andreae en gezwo­re­ne Berghuis, haar kost­bazin, de weversweduwe Cremers aan de Nieuweweg. Ze vragen of ze de boeken van hun strijk­ster even mogen bekijken.

Vrouw Cremers gaat de beide dames voor naar Rebecca’s zolderkamertje. Daar zoeken de dames enig textiel uit, dat hun eigendom zou zijn. Naderhand komen ze terug met een raads­die­naar, die het apart gelegde inpakt en verzegelt, en zijn ogen goed de kost geeft. Naar de man later ver­klaart heeft Rebec­ca “een hock met boeken van aller­ley talen” op haar beun.

Hoewel Rebecca in juni 1723 weer terug in de stad is, klagen de dames die op haar zolder­tje rondke­ken haar pas in maart 1724 aan bij het stads­bestuur. Vrouw Andre­ae beschul­digt Rebecca van tex­tieldief­stal. Interes­santer is de opsom­ming van goederen die ten huize van de gezwore­ne Berghuis verdwenen zijn, want die omvat vooral boeken: negentien ti­tels, waarvan sommi­ge meerde­lig, in de kleinere formaten.

De summiere catalogus verraadt een smaak. De groot­ste catego­rie omvat zes biografieën van politieke per­sonages uit de zestien­de en zeventiende eeuw, als Elisabeth I (koningin van Engeland), de hertog van Alva (berucht landvoogd) en de Franse koning Hendrik IV (die Parijs wel een mis waard vond). Ook ont­breekt er een vijftal zeven­tiende-eeuwse pamfletten aan Berg­huis’ boekerij, bijvoor­beeld de Poletyke Kuiper, De her­stelde Prins en Oor­spronck der broedertwis­ten. De derde groep titels bestaat uit drie staal­tjes volksliteratuur, o.a. Pooks Rommelzootje (1709). En verder mist Berg­huis nog twee histo­rische werken, waaron­der de tien eerste delen van Strada’s geschiede­nis der Neder­landse opstand, een Hol­lan­dsche Hovenier en zes afleve­ringen van de Boek­zael der geleerde Werelt, een vooral door predi­kanten gelezen perio­diek.

Rebecca’s voorkeur ging uit naar geschiedenis, politiek en andere non-fictie. Nog dezelfde dag wordt de strijkster verhoord in de Stadsge­weldige, het gevang voor mensen die geen burgers zijn. De aanklager van de stad, advocaat-fiscaal Al­ting, vraagt bij wie ze zoal over de vloer komt. Naast de families Berghuis en Andreae blijken dat andere aan­zienlij­ke en gegoe­de huis­hou­dingen zoals die van pro­fessor Dries­sen, secretaris Gockinga en hopman Blankstein.

Dat ze ooit ergens iets zou hebben gestolen ontkent ze. Er moet een misverstand in het spel zijn. Gezwore­ne Berg­huis is zeker vergeten hoe ze met zijn toestemming enige biografieën leende, drie-en-een-half jaar gele­den. De Boek­zaaltjes, die ze met medeweten van de dienst­bode mee­nam, en die ze al twee jaar op haar beun heeft, kon ze niet eerder terug­brengen door haar plotselinge vertrek naar Hol­land. “Met kennisse der eigenae­ren” heeft ze wel meer boeken in huis, zoals een werk van Montaigne, dat ze te leen kreeg van steen­koopman Clein.

Eigenlijk is ze zelf niet eens goed op de hoogte van welke boeken ze allemaal bezit. Ze heeft nog wel veel meer boeken gehad, wel voor hon­derd daal­der. En ook wijlen haar man bezat veel boeken, wel voor vijf­tig gulden. Zo beschikt ze over een Montanus, een deel in octa­vo, wat dikker dan Strada. Over Strada gesproken, diens werk kocht ze bij een “out boeke­ver­kooper” te Amster­dam. In dezelfde stad, op de Nieuw­markt, deed ze ook het oningebonden exem­plaar van Pooks Rommel­zootje op, “nevens ander”. Ze snuf­felt wel vaker rond, want Philale­tus’ geschrift kocht ze bij een uitdrager op de Gronin­ger Vismarkt.

Tijdens het verhoor beschuldigt Rebecca haar aanklaag­sters zelf van diefstal, gepleegd tijdens hun bezoek aan haar beun. Het haalt weinig uit. Hoe meer titels de fis­caal noemt, hoe vaker de strij­kster het antwoord schuldig moet blijven. Het kritische punt wordt bereikt bij de Hollan­dsche hovenier. Zo’n boek heeft ze niet, ze kan althans “niet gebeteren dat ’t daar gevonden is”. Ook van andere titels weet ze niet hoe die op haar zolder terechtgekomen zijn, of is de herkomst haar ten ene male duister.

Het ziet er slecht uit voor Rebecca Roos. Bij een tweede ver­hoor, in aanwezigheid van de president-burgemeester en diens bij­zitters, houdt ze haar verklaring staan­de. Misschien heeft ze een “misslag” begaan, door lapjes en geleende lectuur niet op tijd te retourneren. Maar ze wilde beslist geen diefstal plegen. Vrouw Andreae heeft ze “laten zeggen waarom niet weer quam te arbeiden”.

Een conflict tussen deze werkgeefster en Rebecca vormt dus de aanleiding voor de late aanklacht. Niet dat het wat uit­maakt. Ook de haastige verklaring van Rebecca’s kostba­zin – “dat er eenige boeken van haer broer ook op de beune geweest zijn (…) en dat die boeken buiten Rebeccaas toedoen door malkan­deren zijn gekomen” – mag niet baten, evenmin als het goede woordje van maar liefst elf werkgeefsters, dat de gevan­gene “haar altijdt vroom en vlij­tig heeft gedraegen (…), sonder de minste opspraeke.” De magi­straat laat Rebecca vrij met de bood­schap dat ze dade­lijk de stad moet verla­ten, na betaling van de rechts­kosten.

Of de reismand van de strijkster bij dit gedwongen ver­trek even vol is geweest als bij het vorige, vrijwillige afscheid, blijft een open vraag. Zeker is dat de stad Groningen een markante inwoonster verloor. Want met haar bibliomanie was Rebecca onder de vrouwen van de dienstbare stand een uitzon­der­lijk figuur. Als de mensen van haar milieu al konden lezen, bezaten ze doorgaans niet meer dan een bijbel of een evange­lie­boek.

Natuurlijk vormde hun geringe wel­stand een rem op de aanschaf van nieuwe lectuur. Rebecca’s procesdos­sier toont echter aan, dat er ook toen al zoïets als een onderkant van de boekenmarkt bestond. Als men wilde kon men lenen van meer gegoeden. Of terecht bij de toenmalige antiqua­riaten of uit­drage­rijen, voor in- dan wel verkoop.

Harry Perton

Eerder in een iets andere en geannoteerde versie verschenen in het cultuurhistorisch tijdschrift Stad en Lande, jaargang 7 (1998) nr. 3, pag. 8-11.

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s