Borgercompagniester dissenters tegen extraatje voor de dorpsschoolmeester

In de achttiende eeuw bedroeg het schoolgeld in Groningerland gewoonlijk 1 stuiver per kind per week, behalve als dat kind naast lezen en schrijven ook rekenen leerde, want dan werd het minstens 2 stuivers per week. Als een kind dus 40 weken naar school ging, wat gemiddeld vast aan de hoge kant zal zijn geweest, en daar, zoals meestal, slechts lezen en schrijven leerde, dan ving de schoolmeester van zo’n kind al met al 2 gulden per jaar. Had hij geen bijbaan en gaf hij louter onderwijs, dan moest zo’n schoolmeester voor een gangbaar minimum-inkomen zo’n tachtig kinderen onder zijn hoede hebben. Dat was wat veel gevraagd en daarom werden op vele plaatsen deze schoolmeestersinkomsten aangevuld met vaste tractementen, gratis huisvesting, de opbrengsten uit kosterijland, schrijf- en rekenwerk voor derden, bijbaantjes en sinecures.

In het gedeelte van Borgercompagnie dat onder Veendam hoorde, was dat in 1756 blijkbaar nog niet het geval. Maar als een schoolmeester ergens te weinig verdiende, was hij natuurlijk snel weer weg. Ook kreeg een dorp waar een schoolmeester een karig bestaan had, op voorhand niet de beste leerkrachten. Dat zullen dan ook de redenen zijn geweest, waarom de ingezetenen van de Borgercompagnie nadachten over een betere bezoldiging voor hun dorpspedagoog.

Dat najaar waren ze meermalen bijeengeroepen door “de ouderluiden der gilden”, dat wil zeggen de voornaamste mannen van hun buurten, voor overleg over een vast tractement dat de schoolmeester zou moeten gaan verdienen,

“zijnde telkens de overstemminge geweest dat de huisgesinnen die boeren bedrijf hebben en de schippers die op Holland varen in ’t jaar sullen geven 8 st[ui]ver in twe egale termienen en de overige die slegs een huis met een tuine besitten 4 st[ui]ver.”

Er waren dus twee inkomensklassen: aan de ene kant de boeren en grotere schippers, en aan de andere kant alle andere huizenbezitters. De eerste klasse zou dubbel zoveel aan het extra tractement voor de schoolmeester bijdragen, als de tweede. Over huurders wordt niet gesproken, mogelijk waren die vrijgesteld.

In de dorpsvergadering die deze regeling zou omzetten in een “willekeur”, zeg maar plaatselijke verordening, bleek iedereen het ermee eens,

“uitgenomen eenige, en dat wel voornamelijk die van een ander religie zijn, welke niet willen of zij moeten er toe gedrongen worden…”

De katholieken, lutheranen en doopsgezinden wilden dus niet zomaar bijdragen. Hun redenen staan er niet bij, maar het reguliere onderwijs was ingericht naar gereformeerde (= hervormde) inzichten, viel ook onder het toezicht van de gereformeerde kerk en maakte bovendien gebruik van gereformeerde teksten zoals de Statenvertaling en de Heidelbergse catechismus. Dat de dissenters van de Borgercompagnie hun medewerking weigerden, was dus ook weer niet zo vreemd. Al maakten hun kinderen wel degelijk gebruik van de lokale school, zoals nog blijken zal.

De dorpshotemetoten stapten namelijk op 8 december 1756 naar de drost van het Oldambt. Ze verzochten hem dat de de dorpsgenoten die hun toestemming voor de willekeur weigerden te geven, hun “tegenreden” bij hem in zouden brengen. Bleven ze in gebreke, dan zou de de willekeur voor rechtsgeldig moeten worden gehouden.

De drost keurde de willekeur alvast goed, maar verbond er wel de voorwaarde aan dat de weigeraars hiervan bericht zouden krijgen. Daarna kregen die weigeraars acht dagen de tijd om op te komen voor hun belangen, “zo eenige wesentlijke mogten hebben”.

Die acht dagen werden er wat meer. Op 16 januari 1757 staken acht weigerende gezinshoofden de koppen bij elkaar en tekende ze een volmacht voor Derk Franssen en Berent Eckel om hun positie bij de drost te verdedigen. Op 25 januari dienden Franssen en Eckel zich aan in de drostenborg. Ze beloofden daar namens hun achterban om in plaats van de verplichte bijdrage, jaarlijks een vrijwillige gift aan de schoolmeester te doen. Daar ging de drost mee akkoord, op voorwaarde dat hun kinderen “van ‘t regt van de school sullen werden uitgesloten”, als zij “gene genoegsame gifte” betaalden. Bovendien moest de schoolmeester hun kinderen dan weigeren, zoniet, dan zou hij zijn tractement verliezen.

Of de dissenters er financieel wat mee opschoten, lijkt me vatbaar voor twijfel, maar de principekwestie hadden ze gewonnen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop).

Advertenties

2 reacties on “Borgercompagniester dissenters tegen extraatje voor de dorpsschoolmeester”

  1. Ik heb wel eens vaker gehoord en gelezen dat het voor de meester echt sappelen was. Dit relaas illustreert dat weer mooi.

    • groninganus schreef:

      Dat verschilde van dorp tot dorp. van school tot school. Meester Abbinga van Winschoten, die hier laatst voorbij kwam, verdiende 800 gulden per jaar en had vrije huisvesting. Dat was redelijk riant.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s