Seksenstrijd om een naberschapskas

Weleer kende ieder dorp en elke stad buurten, waarbinnen de naberhulp plaatsvond. In Groningerland heetten die naberschappen in de stad ‘kluften’, en op het platteland ‘gilden’. In de stad omvatte zo’n kluft een twintigtal mannen, sterk genoeg om mee te helpen bij het dragen van een doodskist. Op het platteland zal een gilde niet veel groter of kleiner zijn geweest.

Een kluft of gilde beschikte over een eigen kas, waarin niet alleen de volgens een naberschapsreglement of gilderol vereiste entree- of intekengelden en contributies vloeiden, maar ook allerlei breuken (boetes) voor het niet voldoen aan naberplichten bij met name geboorte, ziekte of dood. Rotmeesters of oldermans, die de buurt ook naar buiten toe vertegenwoordigden, inden deze breuken. Eens in de zoveel tijd, als er weer eens flink veel geld in kas was, hield de buurt daar een feest van: de nabertering of potvertering. Zo’n feest kon in de eerste helft van de zeventiende eeuw nog wel eens drie dagen duren, maar dat was dankzij de niet aflatende ijver van de gereformeerde predikanten in de achttiende eeuw teruggebracht tot aanzienlijk bescheidener proporties.

Van zulke naberteringen had ik op basis van gerechtelijk bronnenmateriaal uit de stad nog nooit gemerkt dat ze gescheiden naar sekse plaatsvonden. Toch ging het er in Winschoten anno 1761 zo aan toe. Vrouwen en mannen hielden er apart hun potverteringen.

In Winschoten ontstond er heisa, omdat de vrouwen van de Wittevrouwenstraat (nu Langestraat) zich financieel tekort gedaan voelden en daarom bij de drost langs waren geweest. Hun verzoekschrift bleef echter niet bewaard, terwijl dat van de mannen uit die straat wèl geregistreerd werd. De mannen voelden zich benadeeld door de kantbeschikking die de drost aan de vrouwen afgaf. Op hun verzoek had hij ze namelijk structureel een derde van alle contributies en breuken in de naberschapskas toegekend.

Dat was tegen de zin van de mannen, die aan tweederde van de kasopbrengst blijkbaar nog niet genoeg hadden voor hun feestjes. Onder aanvoering van zilversmid J. de Grijs trokken de olderlieden van het Wittevrouwengilde op hun beurt naar de drostenborg. “Dog zij de vrouwen niet geheel begerende af te snijden van de voorvallende breuken, of dien verteringe”, deden het voorstel om de kas naar herkomst te verdelen: “Dat de vrouwen hare breuken werden geadjudiceerd en de overige ten profijte der mannen verbleven”. Dit voorstel werd gedaan “met de generale toestemminge” van alle mansleden van het Wittevrouwengilde, zo verklaarden de olderlieden in hun toelichting.

De mannen kregen hun zin. Inderdaad wees de drost nu de vrouwen, in plaats van een derde van alle inkomsten, slechts de breuken en contributies toe die van vrouwen afkomstig waren,

“zoo van intekeningen of wat dies meer mogte zijn, en wat naam het ook mogte hebben, niet uitgezondert, alleen tot profijt der vrouwen om op een vrouwelijke manier verteert te worden, zonder meer”.

De olderlieden moesten echter alle naberschapsinkomsten, ook die van de vrouwen, blijven innen. Kennelijk was er even sprake van geweest, dat De Grijs en consorten er wat dat betreft het bijltje bij neer wilden gooien, als de drost ze hun zin niet gaf.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop) 25 maart 1761.

Advertisements


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s