Du Four & De Meuse, of aanzienlijke tuindieverij

Besse tulphiacint en narcis

Op de laatste dag van de winter en de eerste dag van de lente van het jaar 1793 werden er in de vergadering van het Groninger stadsbestuur een paar klachten over hofdieverijen in het gebied buiten de Herepoort voorgelezen.

De eerste was afkomstig van de provinciale klerk Pootholt. Hem waren tussen 11 en 15 maart uit zijn tuin aan de Baresteeg enige tientallen “dekkers” (glazen stolpen voor bolgewassen) ontvreemd, plus enige tientallen “kropsaladeplanten”.

De tweede kwam van de weversbaas Jan ten Cate, die in de juist gepasseerde nacht van de 20-ste en de 21-ste maart uit zijn hof aan de kleine Brandenburgersteeg enige tientallen glazen “klokken” (eveneens glazen stolpen voor bolgewassen) en enige tientallen hyacinten- en tulpenbollen was kwijtgeraakt.

De fiscaal (officier van justitie) kreeg opdracht beide zaken in onderzoek te nemen. Al in de ochtend van vrijdag 22 maart liet hij zijn bevindingen weten. Burgemeesteren & Raad gaven hem opdracht enkele tuinen “waarop suspicie was gevallen” te laten doorzoeken, “als mede om by de hoveniers, in die tuinen arbeidende, informatiën in te winnen”.

Er werden dus al wat tuinen verdacht. Ze lagen aan de Brandenburgersteeg èn bij de drekstoep aan het begin van de Oosterweg oostzijde. Degenen die deze tuinen in loondienst bijhielden kregen wat vraagjes te beantwoorden.

De fiscaal deed dit werk niet vergeefs, want ’s middags kon hij de heren berichten dat er verdenking was gerezen tegen “de Heer” Antonius Ludovicus du Four en diens kameraad Jacques de Meuse. Na enig heen en weergepraat besloot het stadsbestuur beide mannen in hechtenis te laten nemen. Du Four werd per koets naar de Poelepoort overgebracht en De Meuse evenzo naar de A-poort. Afgesproken werd dat de fiscaal de verdachten nader aan de tand zou voelen in bijzijn van president-Burgemeester van Sijsen en diens bijzitters, die het proces in staat van wijzen zouden brengen.

Laat me eerst maar eens een het profiel van beide verdachten schetsen. De heer Du Four (29), wiens naam ook wel als één geheel werd geschreven, was ondanks zijn jeugdige leeftijd al gepensioneerd luitenant. Misschien wel verstandig, dat vroege afzwaaien, want in de zuidelijke Nederlanden golfde een oorlog op en neer. Toen Du Four in 1786 trouwde met Margareta Hemmina, de negentienjarige dochter van de Groninger gildrechtsheer, kluftheer en gezworene Cebes van Berchuis, schreef men in het trouwboek dat hij afkomstig was uit Parijs. Hij en zijn vrouw hadden intussen twee zoons gekregen, gedoopt als Cebes en Ubbo Emmius.

Jacques de Meuse, een geboren Maastrichtenaar en de oudste van de twee verdachten(38), was in 1791 met zijn vrouw en drie kinderen uit het Luikse overgekomen, nadat men hem tot schermmeester van Stad en Lande benoemd had. Zijn traktement van 300 gulden per jaar was niet hoog en niet laag te noemen, maar de omgang met de jongeheren en studenten die hij de kunst van het duelleren op de floret bijbracht vergoedde wellicht veel.

Zaterdag de 23-ste maart liet men huiszoekingen uitvoeren in de huurhuizen van Du Four en De Meuse bij de A-kerk en aan de Oude Kijk in het Jatstraat. Ook werden beider inboedels gerechtelijk geïnventariseerd, met het oog op een publieke verkoping ter bestrijding van de proceskosten.

Merkwaardig is dat in de procesbundel, naast financiële bescheiden, slechts twee verhoren van De Meuse te vinden zijn en een brief van Du Fours vrouw. Waarschijnlijk komt dit doordat het justitiële onderzoek in het geval van de gepensioneerde luitenant uitgevoerd werd door de auditeur-militair, die naderhand verzuimde om de nu ontbrekende stukken terug te geven aan het stadsbestuur. Over het onderzoek komen we zo in eerste instantie alleen wat te weten uit de ambtelijke declaraties. Afgezien van de fiscaal en de auditeur-militair waren daar vier raads- en weeskamersdienaars, de schout, de adjunct-schout en vijf schoutendienaars bij betrokken, kortom: de hele prinsemarij van de stad.

Enige van de vermiste goederen waren meteen al gevonden bij het doorzoeken van de verdachte hoven. Naar andere goederen werd ’s nachts gedregd – daarbij scheurde nog een visnet. Tezelfdertijd had men de tuinen van Du Four en De Meuse bewaakt. Ook was er nog omgezien naar de vermiste perzikenboom van nota bene spinhuismeester Pothof.

Negen getuigen legden verklaringen af. Beide gevangenen moesten vier keer een verhoor ondergaan; ook werden ze nog met elkaar geconfronteerd, waarbij er een koets tussen de A- en de Poelepoort heen en weer ging. Dit alles leverde vette rekeningen op.

Bij zijn eerste verhoor na het vooronderzoek, op maandag 25 maart, wist De Meuse zich nog haaks te houden. Hij loochende niet dat hij op zijn tuin in de Brandenburgersteeg verschillende glazen klokken had – die zou hij één à twee jaar tevoren bij kooplieden aan de A en de Noorderhaven hebben gekocht. De hem getoonde klokken noemde hij de zijne. Dat er in een bloembed op zijn tuin met aarde overdekte hyacintenbollen aangetroffen waren, waarvan loof en knoppen bleken te zijn verwijderd, kon hij ook verklaren: hij had ze er opzettelijk afgesneden om ’t volgende jaar “beter bloem” te krijgen. Deze bollen had hij voor twee jaar onderweg van Luik in Amsterdam gekocht. De hem getoonde bollen herkende hij niet met zekerheid. Van de paar hem getoonde hyacintenknoppen met -loof die in een ander bloembed gevonden waren, “met ongoed overdekt”, wist hij evenmin of ze van hem konden zijn. Hij had dit spul er in elk geval niet verborgen. Hij kende de hem getoonde knoppen niet. Wel was waar dat er in zijn tuin enige tulpen los in de grond van een bloembed waren gezet, hetgeen kort tevoren was gebeurd. Hij had ze daar een week eerder eigenhandig gepoot en altijd al gehad; hij vond ze in zijn hof nadat hij die twee jaar geleden kocht. Van de hem getoonde tulpen kon hij echter niet zeggen of hij ze kende.

Op donderdag 28 maart overhandigde de fiscaal een zootje hyacinten- en tulpenbollen aan de bestolen Jan ten Cate. Deze kwamen uit de hof van Du Four. Kennelijk had de auditeur-militair meer succes gehad in het verhoren van de oud-luitenant, maar de fiscaal hoefde niet lang achter te blijven, want de schermmeester sloeg al de volgende dag door, waarbij nog enige andere feiten aan het licht kwamen.

De Meuse bekende nu, dat hij samen met Du Four op een avond na de poortsluiting de glazen klokken en kropsaladeplanten uit de hof van Pootholt aan de Baresteeg genomen had. Ze waren over de planketting geklommen en hadden ook nog het zomerhuis in een hof ernaast bezocht, maar hadden daar niets van hun gading gevonden. De klokken waren door hem en Du Four naar zijn eigen hof overgebracht; Du Four had de sla-plantjes meegenomen en de dag erna was de buit gebroederlijk verdeeld. De Meuse had ‘zijn’ plantjes meteen maar gepoot.

De tweede strooptocht van die maand had het duo opnieuw na het sluiten van de poorten ondernomen, om een uur of negen, tien ’s avonds, dit keer in de hof aan de kleine Brandenburgersteeg van Jan ten Cate, wiens klokken en bollen dadelijk naar De Meuses hof waren overgebracht. De hyacintenbollen pootte De Meuse nadat hij het loof er had afgesneden, “hebbende zulks gedaan opdat het niet bekend zou worden, dat hy ze hadde”. Ook de in zijn tuin aangetroffen tulpenbollen waren van de weversbaas afkomstig. De Meuse en Du Four hadden de bollen meegenomen in een grijs schortje en een witte handdoek, eveneens van Ten Cate. Het schortje, de handdoek en een aantal al te herkenbare klokken hadden ze bij donkere avond nabij de A-brug in her diep gegooid.

Bij hun bezoek aan Ten Cates hof was De Meuse ook nog even over een heg in de belendende hof van blauwverver Crone gegaan, om een rode trap in te pikken, die hij eerst loodgrijs verfde, maar naderhand gedeeltelijk in stukken sloeg en verbrandde.

Om helemaal schoon schip te maken: al in september, oktober van het vorige jaar waren hij en Du Four bezig geweest in hoven achter en naast de zijne, van o.a. stadsdeurwaarder Grimminga. Ze hadden toen in een half turfkorfje aardige voorraadjes druiven, peren, zoete en zure appels weggedragen. De Meuse had aan die strooptocht nog het “borreltje” – een langwerpig, afgeplat rond flesje van groen glas met een kort halsje – overgehouden dat in een la in zijn zomerhuis aangetroffen was. De Meuse verklaarde aan het eind van dit tweede ons overgeleverde verhoor “het uiterste berouw te hebben over zyne gepleegde misdaden” en verzocht de heren om genade voor zichzelf en medelijden met zijn vrouw en kinderen.

Tijdens zijn detentie kreeg de schermmeester negen maal bezoek van zijn vrouw. Het was echter de echtgenote van Du Four die van zich liet spreken. Uit een brief “an mijn lieve man Du­four” d.d. maandag 1 april blijkt, dat zij niet toegelaten was tot diens kamer op de Poelepoort, omdat ze zich in een koets had laten voorrijden:

“Waarde man,
Mijn hart is steeds by u die my by de 7ven jaer wel behandelt hebt. Gaarne sprak ik u mondeling. Solsiteer daarom, zegt dat ik geen koets weer zal gebruiken, opdat ik sien mogt hoe gy vaart. En konnen wy dat geluk niet hebben, vraag dan an men­Heer de Fiscaal ootmoedig permissie of gy nu en dan an my een briefje van uwe handt moge toeschikken tod myn geruststelling, met melding hoet met u is.

Och bid geduirig dat Jehova God dit ongeval an onse zielen en alle die eenige betrekking op u hebben moge hieligen en de harten uwer Brave Rigters en men­Heer de Fiscaal in desen met genade vervulle.

Begeert gij ook jets?

In welke verwagtinge verbijve na hertlyke groetenis van ons alle.

In haest gelyk boven,
uwe teder beminnende en tot in de doodt getrouwe Huisvrouw M.H. Dufour geboren Van Berchuys.”

Drie weken na de bekentenissen – het stadsbestuur had wel erg veel tijd nodig om tot een conclusie te komen – maakte mevrouw Du Four haar opwachting in het Raadhuis met een verzoekschrift dat, getuige het heel andere taalgebruik, wellicht een voortbrengsel was van haar papa of een jurist. Na de arrestatie van haar man had ze eerst in de veronderstelling verkeerd dat de verdenking op haar echtgenoot een abuis was, “alzo zy hem altyd hadde bevonden met die principes te zyn geïmbueerd welke het caracter van een eerlyk man uitmaken”. Het bericht van zijn bekentenis bracht haar “onuitsprekelyke droefheid”. Met geen mogelijkheid kon ze begrijpen wat hem hiertoe had bewogen. Het was volgens haar allemaal eerder gebeurd “uit een kwalyk geplaatste genoeglykheid, om een ander van zyne genoegens te beroven” dan te beschouwen als een regelrechte diefstal.

Als haar man met een “deshonorent” vonnis zou worden gestraft, zou men hem als een onwaardige zijn luitenants-pensioen ontnemen. Dat zou voor haar en de kinderen een “allerongelukkigste toestand” zijn, ze werden dan in “een alleruiterste armoede” gedompeld. De slachtoffers zagen de ontvreemdingen inmiddels ook “als van weinig belang en eerder voortgekomen om hun ongenoegen dan schade aan te doen”. Die schade was intussen helemaal vergoed. Daarom verzocht mevrouw Du Four, bij welk verzoek zich voegde de vrouw van De Meuse – die zich met haar kinderen “in gene voordeliger omstandigheden” bevond – de magistraat om clementie met beider echtgenoten en om te volstaan met hun voorarrest en een boete als straf.

De heren van de raad besloten echter dat het recht haar gewone loop zou hebben. Wel mocht mevrouw Du Four eind april, toen haar woning moest worden ontruimd, de meubels naar haar vaders huis laten overbrengen.

Op donderdag 9 mei werden op de A- en de Poelepoort de vonnisen over De Meuse en Du Four uitgesproken. Van enige clementie was geen sprake, want hun misdaden konden “in een welgestelde maatschappye” niet worden getolereerd en waren “ten hoogsten strafbaar”. De Meuse en Du Four, ze werden voor hun leven verbannen uit Stad en Lande. Bovendien moesten ze de proceskosten betalen.

Mevrouw Du Four, die zich gedwongen zag met man en kinderen “haar geboorte Stad en Land te verlaten”, deed nog een poging dit laatste te voor­komen, maar op haar nieuwe rekest reageerden de heren absoluut onwelwillend.

En zo kwam het dat twee berooide gezinnen zonder inkomsten onze provincie verlieten, een ongewisse toekomst tegemoet.

Harry Perton

Eerder in iets andere vorm verschenen in De Oosterpoorter, ca. 1995.

Advertisements

4 reacties on “Du Four & De Meuse, of aanzienlijke tuindieverij”

  1. fialas schreef:

    Hoe twee Waalse uitwijkelingen zich in het verre Groningen aan andermans goed vergrepen. Al met al een mislukte loopbaan op het smalle pad.Vertederend en droevig.

  2. anoniem schreef:

    Verbannen, de proceskosten betalen en.. wat stom om die grijze verf op de trap te verknoeien, had hij nou echt niet direct die rode trap in stukken kunnen zagen en als brandhout gebruiken? De hyacinten moesten nog volop bloeien, dus een beetje haardwarmte was vast niet te luxe geweest. Kun je toch weer zien dat de meeste hedendaagse rovers van te voren beter nadenken, maakt het voor de recherche ook een stuk interessanter en weten ze dat ze hun loon echt verdiend hebben, dit alles met een grote grijns van ironie geschreven natuurlijk. Reina

  3. h.torenbeek schreef:

    Prachtig, die botanische tekening, en niet te vergeten dat koolwitje 🙂

  4. Emigrant schreef:

    Gelukszoekers uit het zuiden worden crimineel, dat is bekend.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s