Kwestie om een grafpaal

Consternatie in de Beerta, anno 1752. Jan Andries had een paal laten zetten op een legerstede (grafplaats) die zich bevond op het plaatselijke kerkhof. Twee andere boeren, Melchert Berents en Hindrik Hindericus, hadden dit grafmonument weer verwijderd. Jan mocht dan wel denken dat die legerstede van hem was, zij meenden dat ze toebehoorde aan hun kant van de familieclan. En omdat ze er samen niet uitkwamen, stapte Jan naar de Oldambtster drost.

Jan baseerde zich op een akte uit 1740, toen hij Wypke Cornelis de weduwe van Jacob Jans trouwde. In ruil voor een afkoopsom aan hun kinderen, nam hij toen de hele boedel van Wypke en haar overleden man over. Die eerste man van Wypke, Jacob Jans dus, was in 1729 ook in die legerstede begraven, evenzo Wypke en bovendien enige kinderen van Wypke en hemzelf, zonder dat iemand daar bezwaar tegen maakte. Daarom meende Jan ook “te regte een pale geset te hebben”.

Melchert Berents en Hindrik Hindericus voerden daartegen aan dat Jans afkoopbrief van 1740 niets zei over de legerstede. In die akte mocht dan wel het goed overgedragen zijn van Wypke Cornelis en haar eerste man, maar Wypke was de tweede vrouw van Jacob Jans, en de afkoop raakte niet de nalatenschap van diens eerste vrouw Bouwina Huninga, waarvan Melchert en zijn kompaan Hindrik de schoonzonen waren. Van Bouwina kwam die legerstede. Bouwina had haar nooit van de hand gedaan, integendeel, twee jaar nadat haar goederen op hun vrouwen waren vererfd, hadden zij hun stiefvader Jacob Jans nog het geld teruggegeven, dat hij voor de verhoging van die legerstede betaald had.

Melchert en Hindrik wilden wel bekennen dat Jan “door toelatinge” gebruik van de legerstede had gemaakt, maar dat gaf hem nog geen recht van eigendom. Melchert had twee jaar geleden zijn kind ook in deze legerstede laten begraven. Hij en Hindrik konden wel “gedogen” dat Jan en zijn kinderen daar “des verzogts” begraven mochten worden, maar dat moest dan wel gebeuren op aanwijzing van hen.

Partijen hadden duidelijk geen zin om de kwestie nog hoger op te laten lopen en ze verzochten de drost om tot een uitspraak te komen. De drost bestudeerde de stukken en kwam op 30 januari 1753 met zijn conclusie. Hij wees de legerstede toe aan Melchert Berents en Hindrik Hindericus. Jan Andries had er volgens hem geen recht op.

Nu hoorde  bij elke heerd een legerstede en Jan was bang dat de kerkvoogden hem (bijv. bij verhoging van het kerkhof) nog (financieel) zouden kunnen aanspreken op deze kwestieuze legerstede. Daarom stelde de drost ook nog even vast, dat hiervan in het vervolg geen sprake kon zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 78 (prothocol van uitspraken).

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s