Uithangbordenjurisprudentie 2

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In 1755 sleepte de weduwe Timen Willems haar ex-huurder Aeisso Ebels voor het Oldambster gerecht, omdat hij het pand dat hij van haar huurde, zou hebben verlaten onder medeneming van “het uithangbort voor de deure, de platen uit de haart, en de sloten van de deuren”. Omdat het zaakje me sterk deed denken aan een soortgelijk proces dat in de stad Groningen speelde, besloot ik het uit te zoeken.

In het stad-Groninger proces ging het over de vraag of een bepaald uithangbord aard- en nagelvast goed betrof. Dat uithangbord was daar meegenomen door de oude eigenaar, nadat die het pand verkocht had en eruit verhuisde. Nu staan losse uithangborden ook wel eens op boedelinventarissen en het gebeurde bovendien wel dat uithangborden meeverhuisden van het ene naar het andere adres. In het stad-Groninger geval echter, meende de nieuwe eigenaar van het pand dat het aard- en nagelvast goed betrof, dat als zodanig bij het huis hoorde te blijven. Van het gerecht kreeg hij gelijk, omdat het bord sinds mensenheugenis de opeenvolgende winkeliers in het pand had gediend.

Ook in de Oldambtster zaak speelde de verkoop van het pand een rol bij de twist over o.a. het uithangbord, alleen was het pand hier eerder het eigendom van de huurder geweest.

Die huurder, Aeisso Ebels, kwam oorspronkelijk van Scheemda, toen hij in 1746 in Oostwold trouwde met zijn eerste vrouw, die daar geboren en getogen was. Een jaar nadien kregen ze een zoon, Ebel, conform de traditie genoemd naar zijn grootvader van vaderskant. Niet veel later overleed de moeder, en omdat Aeisso in oktober 1749 van plan was om te hertrouwen, werd er ten behoeve van dat zoontje een boedelinventaris opgemaakt, waaruit bleek hoe Aeisso’s huishouden er zakelijk voor stond.

Aeisso en zijn overleden vrouw bezaten een huis met een grote tuin. Daarnaast hadden ze 1,5 deimt (= bijna 0,7 ha) bouwland. Naar later blijkt bevond dit land zich in Oostwold tussen de Hereweg en het Koediep, en ten oosten van kerkeland. Een deel hiervan was afgesplitst en verpacht als heem (= huisplaats), waarvoor Aeisso en vrouw een jaarlijkse grondpacht van 5 gulden beurden. De rest van het bouwland gebruikten ze blijkbaar zelf, of verhuurden ze los.

In hun huis bevonden zich spullen waaruit je kunt opmaken wat Aeisso Ebels voor de kost deed. De vier weegschalen van messing, de grote en kleine metalen gewichten, de aangebroken vaten met tabakspijpen en de niet nader gespecificeerde winkelwaren laten zien dat hij kruidenier was. De 8 “bouteljes”, 20 bierglazen en 15 roemers vind je evenmin in een gewoon huishouden – naast of in zijn winkel tapte Aeisso wijn en bier. Op zijn schuldenlijst staat onder meer een bedrag van 30 gulden aan Steven Hillebrands Oostinga, de bierbrouwer van Midwolda. Dit bedrag vormde de waarde van ruim acht vaten bier. Ook Timen Willems, wiens weduwe later het uithangbord etc. zou opeisen, vinden we op de schuldenlijst, bij hem stond Aeisso voor ruim 96 gulden in het krijt. Al met al geeft de inventaris de indruk van een redelijk welvarend middenstandshuishouden. Getuige haar lijfstoebehoren zat Aeisso’s overleden vrouw ook goed in de kleren, al had hij haar zilveren oorijzer met gouden stiften reeds verkocht.

Het meeste goed hield Aesso aan; de voogden over zijn zoontje betaalde hij een afkoopsom. In juni 1750 trouwde hij in Oostwold met zijn tweede vrouw, die van Heiligerlee kwam. Vreemd genoeg werd er pas een huwelijkscontract opgemaakt, toen zij hoogzwanger was van hun eerste kind. Volgens het stuk ging het om “nawoorden met de vrienden” (= familie). Hadden verwanten eerst mischien bezwaren tegen het huwelijk gehad? Hoe het ook zij, Aeisso’s tweede vrouw kreeg tussen 1751 en 1762 zes kinderen, die allemaal ook in Oostwold werden gedoopt.

Waarom Aeisso en zijn tweede vrouw in de financiële problemen raakten is onbekend, al speelde ziekte in zulke gevallen vaak een belangrijke rol. Samen met de voordochter van zijn eerste vrouw, die nog recht had op haar erfdeel, had Aeisso het bouwland al voor zijn hertrouwen verkocht. Als hij er al wat van overhield, dan was dat niet genoeg als reservepotje. In 1750 en 1751 leenden hij en zijn tweede vrouw in totaal 600 gulden van Timen Willems en diens vrouw te Heiligerlee. Waarschijnlijk om van die schuld af te komen, verkochten Aeisso en zijn vrouw eind 1751 hun huis en tuin te Oostwold met “alles wat aard- en nagelvast is” voor ruim 800 gulden aan dit echtpaar, dat het huis vervolgens weer aan Aeisso verhuurde.

Deze oplossing bood maar een paar jaar soelaas. In het najaar van 1754 was de huurschuld van Aeisso Ebels dermate opgelopen, dat de weduwe Timen Willems het nodig vond om beslag op zijn inboedel te laten leggen. Aeisso leende vervolgens 250 gulden van zijn schoonvader, maar hij en zijn gezin verlieten wel het huis, waarbij hij dus onder meer het uithangbord meenam, mogelijk om met behulp van het oude huismerk klandizie mee te trekken naar zijn nieuwe adres.

Maar, zoals gezegd, de weduwe Timen Willems nam dit niet. Op 26 mei 1755 liet ze Aeisso een gerechtelijk bevel overhandigen, dat hij het uithangbord, de haardplaten en de sloten van het huis weer aan haar terug moest geven. Volgens haar behoorde dit spul bij het huis. Aeisso bestreed dit, getuige zijn verweer op 9 juni in de rechtsstoel Midwolda, dat hij het “bredt” rechtmatig had meegenomen,

“doordien het selve hem door de b[rouw]er Steven Oostinge is vereert en door hem is laten schilderen, te meer daar het maar los hing…”

Waar Timen Willems’ weduwe het uithangbord etc. deel vond uitmaken van het vastgoed, beschouwde Aeisso het dus als los goed, omdat hij het kreeg van zijn bierleverancier, het zelf liet schilderen en het sowieso los hing. Ook beide haardplaten – vaak fraaie stukken vanwege de daarin gedreven voorstellingwn – zaten volgens hem niet vast. De liggende wilde hij nog wel teruggeven, maar de staande wilde hij houden. Wat betreft de deursloten ontkende hij “die weggebroken en tot sig genomen te hebben”. Maar hij liet de beslissing graag over aan de drost, vandaar dat die een commissie belegde met beide partijen, om tot een uitspraak te komen.

Nadat de drost de stukken bestudeerd had en in oktober nog wat getuigen liet horen, deed hij die uitspraak op 3 november 1755. Hij oordeelde

“dat destijds doe Timen Willems en zijn huisvrouw deze behuisinge van Eijsso Ebels hebben aangekogt een uithangbort voor het huis is geweest, mitsgaders onder- en bovenplaten beide vast in de haart, waar tegens niet komt te strijden, dat het uithangbort an den ged[aag]den door een derde zoude zijn vereert, aangezien die gepretendeerde vereeringe dog als anterieur zijnde in die koop geen verandering van zaken koste maken, daar hij ook genoegzaam als nagelvast moet worden geconsidereert uit hoofde dat het in haken hangende, en de spil etc. daar blijvende, het bort als een accessoor daarvan ook zekelijk niet heeft mogen weggenomen worden.”

De drost veegde Aesso’s bezwaren dus van tafel. Bij de verkoop van het huis hing het uithangbord in haken aan een spil (ophangijzer), die bij Aeisso’s verhuizing achtergebleven was. Het bord hoorde bij de spil, de spil bij het huis en daarom hoorde het bord bij het huis. Dat Aeisso het bord eerder van de brouwer kreeg, maakte niet uit. Hij moest het weer teruggeven aan de weduwe Timen Willems. Dit gold ook voor de beide haardplaten. Voor het wegbreken van de deursloten echter, vond de drost geen enkel bewijs. Alleen op dat punt sprak hij Aeisso vrij. Maar omdat het gelijk zo bij beide partijen lag, moesten beide partijen ook een bijdrage leveren in de proceskosten. Aeisso diende tweederde te betalen, de weduwe één derde.

Hoewel deze uitspraak aan duidelijkheid niets te wensen overliet, bleek Aeisso toch nog traag in het overhandigen van de spullen. Vandaar dat de drost voor december een afspraak in het huis te Oostwold arrangeerde. Als Aeisso dan nog steeds in gebreke bleef, kreeg hij een nieuw proces aan de broek, dat hij dan helemaal zelf moest betalen.

Ruim een half jaar later maakte de wed. Timen Willems te Heiligerlee plannen om te hertrouwen. Op de boedelinventaris die er dan voor haar kinderen gemaakt wordt, staat onder meer een hypotheek van 600 gulden, gevestigd op het huis in Oostwold. Inmiddels had ze dat kennelijk verkocht. Bij de twee koeien, de vaars, het schaap, de lammeren en de “waskebalie” in haar eigen achterhuis of stal, treffen we een uithangbord en haardplaten aan, hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit Oostwold. Ze beschouwde deze spullen nu als los goed, terwijl ze deze in handen kreeg doordat ze volgens haar en de drost tot het vaste goed behoorden.

Bronnen, afgezien van de gelinkte:
RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerecht drost Oldambt) de inv.nrs. 10 – civiele zaken rechtstoel Midwolda; 78 – boek van uitspraken, 3 november 1755; en 7210 – verzegelingen Oostwold.

Advertenties

One Comment on “Uithangbordenjurisprudentie 2”

  1. anoniem schreef:

    In de meeste streken was een uithangbord dat onmiddeglijk! met 1 haak in het oog van de ophangstaak, die aan het huis vast zat (of met 1 oog in de haak aan hetzelve) spijkervast met het huis verbonden, al kon iedere straatjongen het uithangbord loshaken als hij dat wilde.Meestal lukte dat niet, omdat de haak was dichtgeknepen, dus niet zonder gereedschap en dan werd de kwajongensstreek een met voorbedachten rade-geval. Anders werd het, als het uithangbord middels een paar schakels aan de muurhaak was gehangen. Ook al waren hier de schakeluiteinden dichtgeknepen, dan werd het als “los” beschouwd, dus niet spijkervast, een kroeghouder of kuiper kon dan zonder gewetensbezwaar zijn uithangbord meenemen naar een nieuw pand. Ik weet niet meer, waar ik dat hoorde, het was tijdens een rondleiding, wel werd er bij verteld, dat dit van streek tot streek verschilde. In onze tijd zou een arts een bordje met zijn beroep en openingstijden (tja, ook dokters worden zakenmens) wel in de muur kunnen schroeven, maar bij benoeming elders zou de nieuwe bewoner lekker met dat incourante bord opgescheept zitten, omdat het spijker (of schroef)vast zit. In dit geval bleek de bevestiging niets uit te maken, het moest blijven zitten en de nieuwe eigenaar kon er ook niets mee, dus een kwestie van sinnekisse, die beide partijen geld kostte. Wat de haardplaten betreft, die zaten meestal spijkervast en hoorden daarom bij het huis (de platen beschermden de muur tegen brand), losse haardschilden bestonden ook, maar die werden niet achter of opzij van het vuur geplaatst, maar tussen het vuur en de bewoners in en waren dan ook meestal eigendom van het bewonende gezin. (Bekijk het maar zo, je mag wel je fiets meenemen naar je nieuwe huis, maar niet het fietsenschuurtje). Reina


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s