Steiloren en loboren

Paulus Potter - twee varkend

In de Oldambtster rekesten van juli 1769 kwam ik meermalen een verzoek tegen om een veiling te mogen houden van “steil- en loboorde swijnen”. In het ene geval ging het om een 60 à 70, in het andere om een 80 à 90 stuks. Deze varkens zullen vast bedoeld zijn geweest voor vetmesting en slacht in oogsttijd en najaar. Waar het mij hier om gaat, is die aanduiding van de varkens als steil-, dan wel loboorde.

In eerste instantie vond ik die termen slechts terug in een verhandeling over het vetmesten van varkens, gepubliceerd in 1827, maar twintig jaar eerder geschreven door notaris Wiardus Siccama uit Hoogezand.

Deze Siccama hield koeien voor de mest op zijn arme zand- en veengronden, maar bleef vooral ’s zomers zitten met overtollige melk. Met die melk begon hij in 1804 varkens vet te mesten, om precies te zijn een tweetal éénjarige steiloorde varkens, die hij ook wel “Westfaalsche” noemde. Het ene werd 250 pond en het andere 223 pond. De opbrengst van de melk die erin ging becijferde de notaris op bijna 7 duiten de kroes (= ongeveer twee wijnflessen vol), wat niet eens zo gek veel onder de zomerprijs van melk voor menselijke consumptie was: 8 duiten of 1 stuiver per kroes (’s winters was melk anderhalf maal zo duur).

In 1805 herhaalde Siccama de proef met vier loboorde varkens, of, zoals hij ze definieerde: “groote inlandsche met breede en lang nederhangende ooren”. Deze groep verdeelde hij in twee “zultvarkens” die begin augustus al werden geslacht – voor degenen die zult niet kenden voegde Siccama nog het recept aan zijn verhandeling toe – en twee “herfstvarkens” die in de traditionele slachtmaand november op de ladder gingen. Deze laatste groep kreeg de melk in het najaar gemengd met het meer gewone varkensvoer gemalen gerst of gerstemeel. Na afloop van de cyclus berekende Siccama ook voor deze twee groepen weer de opbrengst per kroes melk. De zultvarkens, respectievelijk 106,5 en 97,5 pond aan geslacht gewicht, leverden 4,5 duit per kroes melk op, terwijl de herfstvarkens, 246 en 257 pond zwaar, ruim 6 duiten per kroes melk rendeerden.

Qua gewicht verschilden de steiloren en de loboren, mits tot halverwege de herfst vetgemest, dus niet veel. Alleen brachten de Westfaalse steiloren meer op per kroes gevoederde melk dan de vaderlandse loboren. De importvarkens gaven, kortom, een hoger rendement.

Volgens de Stichting Zeldzame Huisdierrassen kwamen in het Nederland van begin negentiende eeuw twee typen varkens voor:

“een klein steilorig varken en een groot grootorig varken. De eerste had kleine, steile oren, korte stevige benen en was overwegend wit van kleur met fijne borstels. Dit ras is in het midden van de negentiende eeuw geheel verdrongen door het grote grootorige varken. Dit grootorige varken had een vuilwitte kleur, soms geelachtig, en was laatrijp. Ook kwamen bij dit ras bonte en zwarte varkens voor. De oren waren hangoren (loboren). Het lichaam was bezet met lange borstels.”

De bij Siccama nog efficiëntere steiloren zijn later dus weer verdrongen door loboren. Dat kwam vooral doordat de inlandse, eerder minder renderende varkens gekruist waren met Engelse, Duitse en Deense rassen.

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s